Spring naar inhoud
Les 6Sabbat, 7 februari 2026

Amos’ oproep tot voorbereiding

Tekst om te onthouden

Tekst om te onthouden: “Zo schik u, o Israël, om uw God te ontmoeten” (Amos 4:12, laatste deel).

Amos 4:12

“Ons werk is het verkondigen van de geboden van God en het getuigenis van Jezus Christus. ‘Zo schik u om uw God te ontmoeten’ (Amos 4:12) is de waarschuwing, die aan de wereld gegeven moet worden. Het is een waarschuwing voor ons persoonlijk.” –Selected Messages, bk. 2, blz. 116.

Aanvullende studie:: –Testimonies for the Church, vol. 8, blz. 329–335.
A. Welk protest uit God over Juda en Israël, die beweerden Hem te dienen, nadat Hij de overtredingen van Damascus, Gaza, Tyrus, Edom, Ammon, Rabba en Moab had genoemd?
auto_storiesAmos 2:4-8open_in_new
4Alzo zegt de HEERE: Om drie overtredingen van Juda, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij de wet des HEEREN verworpen, en Zijn inzettingen niet bewaard hebben; en hun leugenen hen verleid hebben, die hun vaders hebben nagewandeld.
5Daarom zal Ik een vuur in Juda zenden, dat zal Jeruzalems paleizen verteren.
6Alzo zegt de HEERE: Om drie overtredingen van Israel, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij den rechtvaardige voor geld verkopen, en den nooddruftige om een paar schoenen.
7Die er naar hijgen, dat het stof der aarde op het hoofd der armen zij, en den weg der zachtmoedigen verkeren; en de man en zijn vader gaan tot een jonge dochter om Mijn heiligen Naam te ontheiligen.
8En zij leggen zich neder bij elk altaar op de verpande klederen, en drinken den wijn der geboeten in het huis van hun goden.
B. Wat getuigt de Heer over Zijn mededogen jegens hen, en de gevolgen van hun minachting voor Zijn genade?
auto_storiesAmos 2:9-16open_in_new
9Ik daarentegen heb den Amoriet voor hunlieder aangezicht verdelgd, wiens hoogte was als de hoogte der cederen, en hij was sterk als de eiken; maar Ik heb zijn vrucht van boven, en zijn wortelen van onderen verdelgd.
10Ook heb Ik ulieden uit Egypteland opgevoerd; en Ik heb u veertig jaren in de woestijn geleid, opdat gij het land van den Amoriet erfelijk bezat.
11En Ik heb sommigen uit uw zonen tot profeten verwekt, en uit uw jongelingen tot Nazireen; is dit niet alzo, gij kinderen Israels? spreekt de HEERE.
12Maar gijlieden hebt aan de Nazireen wijn te drinken gegeven, en gij hebt den profeten geboden zeggende: Gij zult niet profeteren.
13Ziet, Ik zal uw plaatsen drukken, gelijk als een wagen drukt, die vol garven is.
14Zodat de snelle niet zal ontvlieden, en de sterke zijn kracht niet verkloeken, en een held zal zijn ziel niet bevrijden.
15En die den boog handelt, zal niet bestaan, en die licht is op zijn voeten, zal zich niet bevrijden; ook zal, die te paard rijdt, zijn ziel niet bevrijden.
16En de kloekhartigste onder de helden zal te dien dage naakt heenvlieden, spreekt de HEERE.
C. Welke vraag wordt gesteld, wanneer er sprake is van verraad aan Gods vertrouwen, en hoe is dit principe ook van toepassing op menselijke relaties?
auto_storiesAmos 3:1-3open_in_new
1Hoort dit woord, dat de HEERE tegen ulieden spreekt, gij kinderen van Israel! namelijk tegen het ganse geslacht, dat Ik uit Egypteland heb opgevoerd, zeggende:
2Uit alle geslachten des aardbodems heb Ik ulieden alleen gekend; daarom zal Ik al uw ongerechtigheden over ulieden bezoeken.
3Zullen twee te zamen wandelen, tenzij dat zij bijeengekomen zijn?
auto_storiesPsalmen 11:3open_in_new
3Zekerlijk, de fondamenten worden omgestoten; wat heeft de rechtvaardige bedreven?
“Hoe kan de vleselijke geest in harmonie zijn met de geest, die gelijkvormig is aan de geest van Christus? De een zaait naar het vlees, denkt en handelt in overeenstemming met de ingevingen van zijn eigen hart; de ander zaait naar de Geest, probeert egoïsme te onderdrukken, neigingen te overwinnen en te leven in gehoorzaamheid aan de Meester, Wiens dienaar hij belijdt te zijn.” –Testimonies for the Church, vol. 4, blz 507-508.
“Iemands beginselen mogen nog zo zuiver en correct zijn, de invloed van een ongelovige metgezel zal iemand langzaam maar zeker toch aftrekken van God.” –Patriarchen en Profeten, blz. 146-147.