Les 12 — SABBAT, 18 juni 2022
Het Dienstwerk van het Nieuwe Verbond
Tekst om te onthouden
Tekst om te onthouden: “Want dit is het verbond, dat Ik met het huis Israëls maken zal na die dagen, zegt de Heere; Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die inschrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn”
Hebreeën 8:10
“Het “nieuwe verbond” was gegrond op “betere beloften”, de beloften van vergiffenis van zonden en van Gods genade om het hart te vernieuwen en het in harmonie te brengen met de beginselen van Gods wet.” –Patriarchen en Profeten, blz. 335.
Aanvullende studie :: -Patriarchen en Profeten, blz. 333-337.
A. Welke belofte deed het volk van Israël, toen de Tien Geboden op de berg Sinaï werden afgekondigd?
8Toen antwoordde al het volk gelijkelijk, en zeide: Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen! En Mozes bracht de woorden des volks weder tot den HEERE.
7En hij nam het boek des verbonds, en hij las het voor de oren des volks; en zij zeiden: Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen en gehoorzamen.
“Het volk besefte niet de zondigheid van hun eigen hart, omdat ze zonder Christus onmogelijk Gods wet konden houden; ze waren dan ook direct bereid met God een verbond aan te gaan. Met het gevoel, dat ze hun eigen gerechtigheid konden bewerken, zeiden ze: ‘Alles wat de Here gesproken heeft, zullen wij doen’ (Exodus 24:7).” –Patriarchen en Profeten, blz. 335.
B. Wat waren de voorwaarden van het Verbond, dat op de Sinaï was gesloten?
11Daar gaf Ik hun Mijn inzettingen, en maakte hun Mijn rechten bekend, dewelke, zo ze een mens doet, zal hij door dezelve leven.
5Ja, Mijn inzettingen en Mijn rechten zult gij houden; welk mens dezelve zal doen, die zal door dezelve leven; Ik ben de HEERE!
C. Waar schreef God de Tien Geboden, en waarom konden de mensen hun belofte niet vervullen?
18En Hij gaf aan Mozes, als Hij met hem op den berg Sinai te spreken geeindigd had, de twee tafelen der getuigenis, tafelen van steen, beschreven met den vinger Gods.
3Want alzo zij de rechtvaardigheid Gods niet kennen, en hun eigen gerechtigheid zoeken op te richten, zo zijn zij der rechtvaardigheid Gods niet onderworpen.
30Wat zullen wij dan zeggen? Dat de heidenen, die de rechtvaardigheid niet zochten, de rechtvaardigheid verkregen hebben, doch de rechtvaardigheid, die uit het geloof is.
31Maar Israel, die de wet der rechtvaardigheid zocht, is tot de wet der rechtvaardigheid niet gekomen.
32Waarom? Omdat zij die zochten niet uit het geloof, maar als uit de werken der wet, want zij hebben zich gestoten aan den steen des aanstoots;
“Zij (Priesters en oversten) waren volkomen tevreden met hun eigen rechtvaardigheid en wensten geen nieuw element in hun godsdienst.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 12.