Les 7 — SABBAT, 13 februari 2021
GEVAAR IN EEN TUSSENWEG ZOEKEN
Tekst om te onthouden
“Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou de mens mij doen”
Psalm 56:12
“Zolang de ziel rust met een onwankelbaar vertrouwen in de deugd en de kracht der verzoening, zal ze standvastig staan als een rots voor het beginsel, en kunnen alle machten van Satan en zijn engelen haar niet van haar integriteit afhouden.” –Testimonies 4, blz. 357-358.
Aanvullende studie:: -Patriarchen en Profeten, blz. 612-614, 630-636.
A. Waarom was de manier, die David koos om zichzelf te bevrijden van de druk van Saul, in strijd met de wil van God?
1David nu zeide in zijn hart: Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen; mij is niet beter, dan dat ik haastelijk ontkome in het land der Filistijnen, opdat Saul van mij de hoop verlieze, om mij meer te zoeken in de ganse landpale van Israel; zo zal ik ontkomen uit zijn hand.
2Toen maakte zich David op, en hij ging door, hij en de zeshonderd mannen, die bij hem waren, tot Achis, den zoon van Maoch, den koning van Gath.
3En David bleef bij Achis te Gath, hij en zijn mannen, een iegelijk met zijn huis; David met zijn beide vrouwen, Ahinoam, en Jizreelietische, en Abigail, de huisvrouw van Nabal, de Karmelietische.
4Toen aan Saul geboodschapt werd, dat David gevlucht was naar Gath, zo voer hij niet meer voort hem te zoeken.
“Davids mening, dat Saul ten slotte zou slagen in zijn moordlustige opzet, had geen grond in Gods raadsbesluit. Terwijl Saul plannen maakte om zijn ondergang te bewerken, was God bezig om het koninkrijk aan David te brengen. God werkt Zijn plannen uit, al zijn ze voor menselijke ogen niet na te gaan. Mensen kunnen Gods wegen niet begrijpen. En op het eerste gezicht zien ze de beproevingen en tegenslagen, die God over hen laat komen, als bewijzen, dat alles tegen hen is, en dat ze hierdoor ten onder zullen gaan. Zo zag David op de dingen, die hij kon waarnemen en verloor hij Gods beloften uit het oog. Hij betwijfelde, of hij ooit op de troon zou komen. Langdurige beproevingen hadden zijn geloof verzwakt en zijn geduld uitgeput.
De Here zond David niet naar de Filistijnen, de bitterste vijanden van Israël, om daar bescherming te vinden. Dit volk zou tot het laatst toe tegen Israël strijden, en toch was hij in tijden van nood naar hen gevlucht om hulp te vinden… God wilde, dat hij zijn banier hoog zou houden in het land van Juda, en gebrek aan geloof bracht hem ertoe deze post, waar zijn taak lag, te verlaten zonder dat God hem dit geboden had.” –Patriarchen en Profeten, blz. 612.