Lessen uit het leven van David — SABBAT, 13 februari 2021

Les 7: GEVAAR IN EEN TUSSENWEG ZOEKEN

Tekst om te onthouden

“Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou de mens mij doen”

Psalm 56:12

“Zolang de ziel rust met een onwankelbaar vertrouwen in de deugd en de kracht der verzoening, zal ze standvastig staan als een rots voor het beginsel, en kunnen alle machten van Satan en zijn engelen haar niet van haar integriteit afhouden.” –Testimonies 4, blz. 357-358.

Aanvullende studie:: -Patriarchen en Profeten, blz. 612-614, 630-636.

ZONDAG — 7 februari

1. Met Achis te Gath

A. Waarom was de manier, die David koos om zichzelf te bevrijden van de druk van Saul, in strijd met de wil van God?

1 Samuël 27:1-4.

1 Samuël 27:1: David nu zeide in zijn hart: Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen; mij is niet beter, dan dat ik haastelijk ontkome in het land der Filistijnen, opdat Saul van mij de hoop verlieze, om mij meer te zoeken in de ganse landpale van Israel; zo zal ik ontkomen uit zijn hand. 1 Samuël 27:2: Toen maakte zich David op, en hij ging door, hij en de zeshonderd mannen, die bij hem waren, tot Achis, den zoon van Maoch, den koning van Gath. 1 Samuël 27:3: En David bleef bij Achis te Gath, hij en zijn mannen, een iegelijk met zijn huis; David met zijn beide vrouwen, Ahinoam, en Jizreelietische, en Abigail, de huisvrouw van Nabal, de Karmelietische. 1 Samuël 27:4: Toen aan Saul geboodschapt werd, dat David gevlucht was naar Gath, zo voer hij niet meer voort hem te zoeken.

“Davids mening, dat Saul ten slotte zou slagen in zijn moordlustige opzet, had geen grond in Gods raadsbesluit. Terwijl Saul plannen maakte om zijn ondergang te bewerken, was God bezig om het koninkrijk aan David te brengen. God werkt Zijn plannen uit, al zijn ze voor menselijke ogen niet na te gaan. Mensen kunnen Gods wegen niet begrijpen. En op het eerste gezicht zien ze de beproevingen en tegenslagen, die God over hen laat komen, als bewijzen, dat alles tegen hen is, en dat ze hierdoor ten onder zullen gaan. Zo zag David op de dingen, die hij kon waarnemen en verloor hij Gods beloften uit het oog. Hij betwijfelde, of hij ooit op de troon zou komen. Langdurige beproevingen hadden zijn geloof verzwakt en zijn geduld uitgeput.

De Here zond David niet naar de Filistijnen, de bitterste vijanden van Israël, om daar bescherming te vinden. Dit volk zou tot het laatst toe tegen Israël strijden, en toch was hij in tijden van nood naar hen gevlucht om hulp te vinden… God wilde, dat hij zijn banier hoog zou houden in het land van Juda, en gebrek aan geloof bracht hem ertoe deze post, waar zijn taak lag, te verlaten zonder dat God hem dit geboden had.” –Patriarchen en Profeten, blz. 612.

MAANDAG — 8 februari

2. Verkeerde plaats / verkeerde toespraak

a. How was David received by Achish, and in what ways might we also be in danger of making the same mistake as David?

1 Samuel 27:5–7.

1 Samuël 27:5: En David zeide tot Achis: Indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, men geve mij een plaats in een van de steden des lands, dat ik daar wone; want waarom zou uw knecht in de koninklijke stad bij u wonen? 1 Samuël 27:6: Toen gaf Achis te dien dage Ziklag; daarom is Ziklag van de koningen van Juda geweest tot op dezen dag. 1 Samuël 27:7: Het getal nu der dagen, die David in het land der Filistijnen woonde, was een jaar en vier maanden.

“Door Davids ongeloof werd God oneer aangedaan. De Filistijnen hadden David meer gevreesd dan Saul en zijn leger; en door zich onder de hoede van de Filistijnen te plaatsen, openbaarde David hen de zwakheid van zijn volk. Hierdoor moedigde hij deze onverbiddelijke vijanden aan om Israël te verdrukken. David was gezalfd om het volk van God te beschermen. De Here wilde niet, dat Zijn dienstknecht goddelozen aanmoedigde door de zwakheid van Zijn volk te openbaren of te doen, alsof het belang van het volk hem niet ter harte ging. Meer nog, zijn broeders kregen de indruk, dat hij naar de heidenen was gegaan om hun goden te dienen. Hierdoor gaf hij aanleiding tot een verkeerde voorstelling van zijn motieven, waardoor velen een vooroordeel tegen hem koesterden. Hij deed juist datgene, wat Satan wilde. Want door een schuilplaats te zoeken bij de Filistijnen was David oorzaak, dat Gods vijanden zich verheugden. David gaf zijn geloof niet op en hield niet op Gods zaak te behartigen, maar hij gaf zijn vertrouwen prijs voor zijn persoonlijke veiligheid, en wierp daardoor een smet op het eerlijke en oprechte karakter, dat God vraagt van Zijn dienstknechten.

Door de koning der Filistijnen werd David vriendelijk ontvangen. Deze ontvangst was gedeeltelijk te danken aan het feit, dat de koning hem bewonderde en ten dele aan het feit, dat het zijn ijdelheid streelde, dat een Hebreeër zijn bescherming zocht.” –Patriarchen en Profeten, blz. 612-613.

B. Welk kwaad was het gevolg van Davids misleidende woorden? Verzen 8-12.

“Terwijl hij in deze afgezonderde stad (Ziklag) woonde, streed David tegen de Gesurieten, de Gizrieten en de Amalekieten, en hij liet niemand in leven om dit bekend te maken in Gat. Als hij van de strijd terugkeerde, vertelde hij Achis, dat hij gestreden had tegen zijn eigen volk, de mannen van Juda. Door deze onjuiste voorstelling van zaken sterkte hij de hand der Filistijnen… David wist, dat het Gods bedoeling was, dat deze heidense stammen zouden uitgeroeid worden, en hij wist ook, dat hij dit werk moest doen. Maar hij volgde niet Gods weg, toen hij bedrieglijk handelde.” –Patriarchen en Profeten, blz. 613.

DINSDAG — 9 februari

3. Behoefte aan Gods bevrijding

A. Hoe gleed David in diepere problemen?

1 Samuël 28:1-2.

1 Samuël 28:1: En het geschiedde in die dagen, als de Filistijnen hun legers vergaderden tot den strijd, om tegen Israel te strijden, zo zeide Achis tot David: Gij zult zekerlijk weten, dat gij met mij in het leger zult uittrekken, gij en uw mannen. 1 Samuël 28:2: Toen zeide David tot Achis: Aldus zult gij weten, wat uw knecht doen zal. En Achis zeide tot David: Daarom zal ik u ten bewaarder mijns hoofds zetten, te allen dage.

Welk gebed van hem toont, dat hij uiteindelijk van dergelijke fouten leerde?

Psalm 141:3.

Psalmen 141:3: HEERE! zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur mijner lippen.

“Het was helemaal niet de bedoeling van David om tegen zijn volk te strijden; maar hij wist niet zeker, wat hij moest doen, tot de omstandigheden het hem duidelijk zouden maken, waar zijn plicht lag. Ontwijkend gaf hij de koning een antwoord: ‘Goed, gij weet wel wat uw knecht doen moet’ (1 Samuël 28:2). Achis vatte deze woorden op als een belofte van hulp in de naderende strijd, en beloofde aan David grote eer te bewijzen en hem een vooraanstaande plaats te geven aan het hof der Filistijnen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 614.

B. Hoe verloste de Heer David, ondanks zijn fout, barmhartig uit zijn hachelijke situatie met Achis?

1 Samuël 29:1-5.

1 Samuël 29:1: De Filistijnen nu hadden al hun legers vergaderd te Afek; en de Israelieten legerden zich bij de fontein, die bij Jizreel is. 1 Samuël 29:2: En de vorsten der Filistijnen togen daarheen met honderden, en met duizenden; doch David met zijn mannen togen met Achis in den achtertocht. 1 Samuël 29:3: Toen zeiden de oversten der Filistijnen: Wat zullen deze Hebreen? Zo zeide Achis tot de oversten der Filistijnen: Is deze niet David, de knecht van Saul, den koning van Israel, die deze dagen of deze jaren bij mij geweest is? En ik heb in hem niets gevonden van dien dag af, dat hij afgevallen is tot dezen dag toe. 1 Samuël 29:4: Doch de oversten der Filistijnen werden zeer toornig op hem, en de oversten der Filistijnen zeiden tot hem: Doe den man wederkeren, dat hij tot zijn plaats wederkere, waar gij hem besteld hebt, en dat hij niet met ons aftrekke in den strijd, opdat hij ons niet tot een tegenpartijder worde in den strijd; want waarmede zou deze zich bij zijn heer aangenaam maken? Is het niet met de hoofden dezer mannen? 1 Samuël 29:5: Is dit niet die David, van denwelken zij in den rei elkander antwoordden, zeggende: Saul heeft zijn duizenden geslagen, maar David zijn tienduizenden?

“Het zou veel beter voor hem (David) zijn geweest, als hij een schuilplaats had gezocht in Gods sterke rotsvestingen dan samen te gaan met de vijanden van God en Zijn volk. Maar in Zijn grote barmhartigheid strafte de Here de dwaling van Zijn dienstknecht niet door hem over te laten aan zijn angst en benauwdheid. Want hoewel David Gods hand had losgelaten en van het pad der oprechtheid was afgedwaald, leefde toch diep in zijn hart het verlangen om God te dienen. Terwijl Satan en zijn legerscharen druk bezig waren om de vijanden van God en Israël te helpen in de strijd tegen een koning, die God had losgelaten, waren engelen van God aan het werk om David te redden uit het gevaar, waarin hij zichzelf had gestort. Hemelse boden brachten de Filistijnse vorsten, met de naderende strijd voor ogen, ertoe bezwaren in te brengen tegen de aanwezigheid van David en zijn manschappen in het leger.” –Patriarchen en Profeten, blz. 630.

C. Beschrijf de houding van Achis, toen hij David naar huis stuurde. Verzen 6-11. Welke gevoelens moet dit bij David hebben gewekt?

“Het antwoord van Achis moet een gevoel van schaamte en zelfverwijt in het hart van David hebben gewekt, toen hij bedacht, hoe onwaardig het bedrog, dat hij gebruikt had, was voor een dienstknecht des Heren.” –Patriarchen en Profeten, blz. 631.

WOENSDAG — 10 februari

4. De enige hoop

A. Hoe belangrijk is het, dat onze spraak zuiver is, vooral in deze laatste dagen, en hoe is dit alleen mogelijk?

Openbaring 14:1,

Openbaring 14:1: En ik zag, en ziet, het Lam stond op den berg Sion, en met Hem honderd vier en veertig duizend, hebbende den Naam Zijns Vaders geschreven aan hun voorhoofden.

Openbaring 14:5;

Openbaring 14:5: En in hun mond is geen bedrog gevonden; want zij zijn onberispelijk voor den troon van God.

Jakobus 4:8.

Jakobus 4:8: Naakt tot God, en Hij zal tot u naken. Reinigt de handen, gij zondaars, en zuivert de harten, gij dubbelhartigen!

“Houdt uw leven vrij zijn van oneerlijke praktijken.” –Hoe Leid Ik Mijn Kind, blz. 173.

B. Beschrijf, wat David bemerkte terug in Ziklag.

1 Samuël 30:1-6 (eerste deel).

1 Samuël 30:1: Het geschiedde nu, als David en zijn mannen den derden dag te Ziklag kwamen, dat de Amalekieten in het zuiden en te Ziklag ingevallen waren, en Ziklag geslagen, en dezelve met vuur verbrand hadden;

“Weer werd David gestraft voor het gebrek aan geloof, dat hem ertoe gebracht had zich onder de Filistijnen te begeven. Hij zag nu hoe weinig veiligheid er te vinden is bij de vijanden van God en diens volk.” –Patriarchen en Profeten, blz. 632.

C. Wat bepaalde David in dit uur van crisis? Vers 6 (laatste deel);

Psalm 56:1-4,

Psalmen 56:1: Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, op Jonath Elem Rechokim; als de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath. Psalmen 56:2: Wees mij genadig, o God! want de mens zoekt mij op te slokken; den gansen dag dringt mij de bestrijder. Psalmen 56:3: Mijn verspieders zoeken mij den gansen dag op te slokken; want ik heb veel bestrijders, o Allerhoogste! Psalmen 56:4: Ten dage, als ik zal vrezen, zal ik op U vertrouwen.

Psalmen 56:11-13.

Psalmen 56:11: In God zal ik het woord prijzen; in den HEERE zal ik het woord prijzen. Psalmen 56:12: Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij de mens doen? Psalmen 56:13: O God! op mij zijn Uw geloften; ik zal U dankzeggingen vergelden; [ (Psalms 56:14) Want Gij hebt mijn ziel gered van den dood; ook niet mijn voeten van aanstoot, om voor Gods aangezicht te wandelen in het licht der levenden? ]

“Hoe kon hij (David) verwachten, dat de God van Israël hem bescherming zou geven, terwijl hij zich had geplaatst bij de bitterste vijanden van zijn volk? … Kon hij redelijkerwijs hopen zich te redden door asiel aan te vragen bij een volk, dat door God was aangewezen om te vernietigen?” –The Signs of the Times, 9 november 1888.

“Het zag ernaar uit, dat alle menselijke hulp David ontvallen was. Alles wat hem op aarde lief was, was hem ontnomen. Saul had hem uit zijn land verdreven; de Filistijnen hadden hem uit de legerplaats weggejaagd; de Amalekieten hadden zijn stad geplunderd; zijn vrouwen en kinderen waren gevangen genomen; en zijn eigen vrienden keerden zich nu tegen hem en bedreigden hem met de dood. In dit uur van uiterste verlegenheid zag David, in plaats van stil te staan bij deze moeilijkheden, tot God op om hulp. Hij ‘sterkte zich in de Here’ (1 Samuël 30:6). Hij overzag het verleden van zijn leven, dat zo rijk was aan gebeurtenissen. Wanneer had God hem ooit alleen gelaten? Zijn ziel werd verkwikt bij de gedachte aan de vele bewijzen van Gods zorg. De volgelingen van David maakten het voor zichzelf dubbel moeilijk door hun ontevredenheid en ongeduld; maar de man Gods, die veel meer reden voor droefheid had, gedroeg zich moedig. ‘Ten dage dat ik vrees, vertrouw ik op U’ (Psalm 56:4), was de taal van zijn hart. Hoewel hij geen uitweg ontdekte, zag God deze wel, en Hij zou hem onderrichten, wat hij moest doen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 632.

DONDERDAG — 11 februari

5. Onze vrijgevige Voorziener

A. Hoe eerde de Heer Davids gebed?

1 Samuël 30:7-9,

1 Samuël 30:7: En David zeide tot den priester Abjathar, den zoon van Achimelech: Breng mij toch den efod hier. En Abjathar bracht den efod tot David. 1 Samuël 30:8: Toen vraagde David den HEERE, zeggende: Zal ik deze bende achternajagen? Zal ik ze achterhalen? En Hij zeide tot hem: Jaag na, want gij zult gewisselijk achterhalen, en gij zult gewisselijk verlossen. 1 Samuël 30:9: David dan ging heen, hij en de zes honderd mannen, die bij hem waren; en als zij kwamen aan de beek Besor, zo bleven de overigen staan.

16-19

.

“Ze (de Amalekieten) hadden besloten de gevangenen te laten leven, om de eer van hun overwinning te vergroten door het grote aantal gevangenen, met de bedoeling hen later als slaven te verkopen. Daarmee deden ze, zonder het te weten, Gods plan in vervulling gaan, zodat de gevangenen ongedeerd bleven en weer terugkwamen bij hun echtgenoten en ouders.” –Patriarchen en Profeten, blz. 633.

B. Welke geestelijke les bevat Davids beslissing aangaande de ontvangen gulheid? Verzen 20-26;

Johannes 4:36-38.

Johannes 4:36: En die maait, ontvangt loon, en vergadert vrucht ten eeuwigen leven; opdat zich te zamen verblijde, beide, die zaait en die maait. Johannes 4:37: Want hierin is die spreuk waarachtig: Een ander is het, die zaait, en een ander, die maait. Johannes 4:38: Ik heb u uitgezonden, om te maaien, hetgeen gij niet bearbeid hebt; anderen hebben het bearbeid, en gij zijt tot hun arbeid ingegaan.

“De zelfzuchtigen en meest opzeglijken van de vierhonderd stelden voor om degenen, die niet aan de strijd hadden deelgenomen, geen aandeel te geven in de buit; het was voldoende, als ze hun vrouwen en kinderen terugkregen. Maar David was het hier niet mee eens. …(Zie 1 Samuël 30:23-24). Zo werd de zaak geregeld, en nadien werd het een wet in Israël, dat allen, die deelgenomen hadden aan een krijgstocht, gelijk op zouden delen in de buit met hen, die daadwerkelijk aan de strijd hadden deelgenomen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 634.

““Nu heeft God op Zijn grote oogstveld zaaiers en oogsters nodig. Laten degenen, die aan het werk gaan, sommigen om te zaaien en sommigen om te oogsten, bedenken, dat zij nooit de eer voor het welslagen van hun werk voor zichzelf mogen opeisen…

‘Hij, die maait, ontvangt loon, en vergadert vrucht ten eeuwigen leven; opdat zich te samen verblijden, beiden, die zaait en die maait’ (Johannes 4:36). Lees deze woorden zorgvuldig. Bestudeer hun betekenis; want zij schetsen Gods plan.” –Gospel Workers, blz. 409.

VRIJDAG — 12 februari

Terugblik

1. Hoe kunnen wij voorkomen, dat wij de logica van David aannemen om naar Gath te gaan?

2. Verklaar de gevaren eigen in de wereldse stijl van diplomatie.

3. Denk na over manieren, waarop God oprechte zielen in moeilijkheden verlost.

4. Beschrijf de achtergrond van Psalm 56.

5. Wat zijn de beloningen van geestelijk zaaien en oogsten?