“Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou de mens mij doen”
Psalm 56:12
“Zolang de ziel rust met een onwankelbaar vertrouwen in de deugd en de kracht der verzoening, zal ze standvastig staan als een rots voor het beginsel, en kunnen alle machten van Satan en zijn engelen haar niet van haar integriteit afhouden.” –Testimonies 4, blz. 357-358.
Aanvullende studie:: -Patriarchen en Profeten, blz. 612-614, 630-636.
A. Waarom was de manier, die David koos om zichzelf te bevrijden van de druk van Saul, in strijd met de wil van God?
1 Samuël 27:1-4.
“Davids mening, dat Saul ten slotte zou slagen in zijn moordlustige opzet, had geen grond in Gods raadsbesluit. Terwijl Saul plannen maakte om zijn ondergang te bewerken, was God bezig om het koninkrijk aan David te brengen. God werkt Zijn plannen uit, al zijn ze voor menselijke ogen niet na te gaan. Mensen kunnen Gods wegen niet begrijpen. En op het eerste gezicht zien ze de beproevingen en tegenslagen, die God over hen laat komen, als bewijzen, dat alles tegen hen is, en dat ze hierdoor ten onder zullen gaan. Zo zag David op de dingen, die hij kon waarnemen en verloor hij Gods beloften uit het oog. Hij betwijfelde, of hij ooit op de troon zou komen. Langdurige beproevingen hadden zijn geloof verzwakt en zijn geduld uitgeput.
De Here zond David niet naar de Filistijnen, de bitterste vijanden van Israël, om daar bescherming te vinden. Dit volk zou tot het laatst toe tegen Israël strijden, en toch was hij in tijden van nood naar hen gevlucht om hulp te vinden… God wilde, dat hij zijn banier hoog zou houden in het land van Juda, en gebrek aan geloof bracht hem ertoe deze post, waar zijn taak lag, te verlaten zonder dat God hem dit geboden had.” –Patriarchen en Profeten, blz. 612.
a. How was David received by Achish, and in what ways might we also be in danger of making the same mistake as David?
1 Samuel 27:5–7.
“Door Davids ongeloof werd God oneer aangedaan. De Filistijnen hadden David meer gevreesd dan Saul en zijn leger; en door zich onder de hoede van de Filistijnen te plaatsen, openbaarde David hen de zwakheid van zijn volk. Hierdoor moedigde hij deze onverbiddelijke vijanden aan om Israël te verdrukken. David was gezalfd om het volk van God te beschermen. De Here wilde niet, dat Zijn dienstknecht goddelozen aanmoedigde door de zwakheid van Zijn volk te openbaren of te doen, alsof het belang van het volk hem niet ter harte ging. Meer nog, zijn broeders kregen de indruk, dat hij naar de heidenen was gegaan om hun goden te dienen. Hierdoor gaf hij aanleiding tot een verkeerde voorstelling van zijn motieven, waardoor velen een vooroordeel tegen hem koesterden. Hij deed juist datgene, wat Satan wilde. Want door een schuilplaats te zoeken bij de Filistijnen was David oorzaak, dat Gods vijanden zich verheugden. David gaf zijn geloof niet op en hield niet op Gods zaak te behartigen, maar hij gaf zijn vertrouwen prijs voor zijn persoonlijke veiligheid, en wierp daardoor een smet op het eerlijke en oprechte karakter, dat God vraagt van Zijn dienstknechten.
Door de koning der Filistijnen werd David vriendelijk ontvangen. Deze ontvangst was gedeeltelijk te danken aan het feit, dat de koning hem bewonderde en ten dele aan het feit, dat het zijn ijdelheid streelde, dat een Hebreeër zijn bescherming zocht.” –Patriarchen en Profeten, blz. 612-613.
B. Welk kwaad was het gevolg van Davids misleidende woorden? Verzen 8-12.
“Terwijl hij in deze afgezonderde stad (Ziklag) woonde, streed David tegen de Gesurieten, de Gizrieten en de Amalekieten, en hij liet niemand in leven om dit bekend te maken in Gat. Als hij van de strijd terugkeerde, vertelde hij Achis, dat hij gestreden had tegen zijn eigen volk, de mannen van Juda. Door deze onjuiste voorstelling van zaken sterkte hij de hand der Filistijnen… David wist, dat het Gods bedoeling was, dat deze heidense stammen zouden uitgeroeid worden, en hij wist ook, dat hij dit werk moest doen. Maar hij volgde niet Gods weg, toen hij bedrieglijk handelde.” –Patriarchen en Profeten, blz. 613.
A. Hoe gleed David in diepere problemen?
1 Samuël 28:1-2.
Welk gebed van hem toont, dat hij uiteindelijk van dergelijke fouten leerde?
Psalm 141:3.
“Het was helemaal niet de bedoeling van David om tegen zijn volk te strijden; maar hij wist niet zeker, wat hij moest doen, tot de omstandigheden het hem duidelijk zouden maken, waar zijn plicht lag. Ontwijkend gaf hij de koning een antwoord: ‘Goed, gij weet wel wat uw knecht doen moet’ (1 Samuël 28:2). Achis vatte deze woorden op als een belofte van hulp in de naderende strijd, en beloofde aan David grote eer te bewijzen en hem een vooraanstaande plaats te geven aan het hof der Filistijnen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 614.
B. Hoe verloste de Heer David, ondanks zijn fout, barmhartig uit zijn hachelijke situatie met Achis?
1 Samuël 29:1-5.
“Het zou veel beter voor hem (David) zijn geweest, als hij een schuilplaats had gezocht in Gods sterke rotsvestingen dan samen te gaan met de vijanden van God en Zijn volk. Maar in Zijn grote barmhartigheid strafte de Here de dwaling van Zijn dienstknecht niet door hem over te laten aan zijn angst en benauwdheid. Want hoewel David Gods hand had losgelaten en van het pad der oprechtheid was afgedwaald, leefde toch diep in zijn hart het verlangen om God te dienen. Terwijl Satan en zijn legerscharen druk bezig waren om de vijanden van God en Israël te helpen in de strijd tegen een koning, die God had losgelaten, waren engelen van God aan het werk om David te redden uit het gevaar, waarin hij zichzelf had gestort. Hemelse boden brachten de Filistijnse vorsten, met de naderende strijd voor ogen, ertoe bezwaren in te brengen tegen de aanwezigheid van David en zijn manschappen in het leger.” –Patriarchen en Profeten, blz. 630.
C. Beschrijf de houding van Achis, toen hij David naar huis stuurde. Verzen 6-11. Welke gevoelens moet dit bij David hebben gewekt?
“Het antwoord van Achis moet een gevoel van schaamte en zelfverwijt in het hart van David hebben gewekt, toen hij bedacht, hoe onwaardig het bedrog, dat hij gebruikt had, was voor een dienstknecht des Heren.” –Patriarchen en Profeten, blz. 631.
A. Hoe belangrijk is het, dat onze spraak zuiver is, vooral in deze laatste dagen, en hoe is dit alleen mogelijk?
Openbaring 14:1,
Openbaring 14:5;
Jakobus 4:8.
“Houdt uw leven vrij zijn van oneerlijke praktijken.” –Hoe Leid Ik Mijn Kind, blz. 173.
B. Beschrijf, wat David bemerkte terug in Ziklag.
1 Samuël 30:1-6 (eerste deel).
“Weer werd David gestraft voor het gebrek aan geloof, dat hem ertoe gebracht had zich onder de Filistijnen te begeven. Hij zag nu hoe weinig veiligheid er te vinden is bij de vijanden van God en diens volk.” –Patriarchen en Profeten, blz. 632.
C. Wat bepaalde David in dit uur van crisis? Vers 6 (laatste deel);
Psalm 56:1-4,
Psalmen 56:11-13.
“Hoe kon hij (David) verwachten, dat de God van Israël hem bescherming zou geven, terwijl hij zich had geplaatst bij de bitterste vijanden van zijn volk? … Kon hij redelijkerwijs hopen zich te redden door asiel aan te vragen bij een volk, dat door God was aangewezen om te vernietigen?” –The Signs of the Times, 9 november 1888.
“Het zag ernaar uit, dat alle menselijke hulp David ontvallen was. Alles wat hem op aarde lief was, was hem ontnomen. Saul had hem uit zijn land verdreven; de Filistijnen hadden hem uit de legerplaats weggejaagd; de Amalekieten hadden zijn stad geplunderd; zijn vrouwen en kinderen waren gevangen genomen; en zijn eigen vrienden keerden zich nu tegen hem en bedreigden hem met de dood. In dit uur van uiterste verlegenheid zag David, in plaats van stil te staan bij deze moeilijkheden, tot God op om hulp. Hij ‘sterkte zich in de Here’ (1 Samuël 30:6). Hij overzag het verleden van zijn leven, dat zo rijk was aan gebeurtenissen. Wanneer had God hem ooit alleen gelaten? Zijn ziel werd verkwikt bij de gedachte aan de vele bewijzen van Gods zorg. De volgelingen van David maakten het voor zichzelf dubbel moeilijk door hun ontevredenheid en ongeduld; maar de man Gods, die veel meer reden voor droefheid had, gedroeg zich moedig. ‘Ten dage dat ik vrees, vertrouw ik op U’ (Psalm 56:4), was de taal van zijn hart. Hoewel hij geen uitweg ontdekte, zag God deze wel, en Hij zou hem onderrichten, wat hij moest doen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 632.
A. Hoe eerde de Heer Davids gebed?
1 Samuël 30:7-9,
16-19
.
“Ze (de Amalekieten) hadden besloten de gevangenen te laten leven, om de eer van hun overwinning te vergroten door het grote aantal gevangenen, met de bedoeling hen later als slaven te verkopen. Daarmee deden ze, zonder het te weten, Gods plan in vervulling gaan, zodat de gevangenen ongedeerd bleven en weer terugkwamen bij hun echtgenoten en ouders.” –Patriarchen en Profeten, blz. 633.
B. Welke geestelijke les bevat Davids beslissing aangaande de ontvangen gulheid? Verzen 20-26;
Johannes 4:36-38.
“De zelfzuchtigen en meest opzeglijken van de vierhonderd stelden voor om degenen, die niet aan de strijd hadden deelgenomen, geen aandeel te geven in de buit; het was voldoende, als ze hun vrouwen en kinderen terugkregen. Maar David was het hier niet mee eens. …(Zie 1 Samuël 30:23-24). Zo werd de zaak geregeld, en nadien werd het een wet in Israël, dat allen, die deelgenomen hadden aan een krijgstocht, gelijk op zouden delen in de buit met hen, die daadwerkelijk aan de strijd hadden deelgenomen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 634.
““Nu heeft God op Zijn grote oogstveld zaaiers en oogsters nodig. Laten degenen, die aan het werk gaan, sommigen om te zaaien en sommigen om te oogsten, bedenken, dat zij nooit de eer voor het welslagen van hun werk voor zichzelf mogen opeisen…
‘Hij, die maait, ontvangt loon, en vergadert vrucht ten eeuwigen leven; opdat zich te samen verblijden, beiden, die zaait en die maait’ (Johannes 4:36). Lees deze woorden zorgvuldig. Bestudeer hun betekenis; want zij schetsen Gods plan.” –Gospel Workers, blz. 409.
1. Hoe kunnen wij voorkomen, dat wij de logica van David aannemen om naar Gath te gaan?
2. Verklaar de gevaren eigen in de wereldse stijl van diplomatie.
3. Denk na over manieren, waarop God oprechte zielen in moeilijkheden verlost.
4. Beschrijf de achtergrond van Psalm 56.
5. Wat zijn de beloningen van geestelijk zaaien en oogsten?