Spring naar inhoud
chevron_left Vorige les
slideshow print
Les 13Sabbat, 27 juni 2020

De dood van Mozes

Tekst om te onthouden

“En Mozes is wel getrouw geweest in geheel zijn huis, als een dienaar, tot een getuigenis van de dingen, die daarna gesproken zouden worden. Maar Christus, als de Zoon over Zijn eigen huis; Wiens huis wij zijn, indien wij maar de vrijmoedigheid en de roem der hoop tot het einde toe vasthouden”

Hebreeën 3:5–6

“Als een schaapherder werd Mozes geleerd te zorgen voor de getroffene, de zieke te verplegen, geduldig te zoeken naar de afgedwaalde, lang met de weerspannige om te gaan, liefdevolle aandacht te geven aan de wensen van de jonge lammeren en de behoeften van de oude en zwakke.” –Fundamentals of Christian Education, blz. 343.

Aanvullende studie:: -Patriarchen en Profeten, blz. 424-432.
A. Met welke bemoedigende woorden richtte hij zich eerst tot het volk en daarna tot Jozua, toen Mozes’ einde naderde?
auto_storiesDeuteronomium 31:1-8open_in_new
1Daarna ging Mozes heen, en sprak deze woorden tot gans Israel,
2En zeide tot hen: Ik ben heden honderd en twintig jaren oud; ik zal niet meer kunnen uitgaan en ingaan; daartoe heeft de HEERE tot mij gezegd: Gij zult over deze Jordaan niet gaan.
3De HEERE, uw God, Die zal voor uw aangezicht overgaan; Die zal deze volken van voor uw aangezicht verdelgen, dat gij hen erfelijk bezit. Jozua zal voor uw aangezicht overgaan, gelijk als de HEERE gesproken heeft.
4En de HEERE zal hun doen, gelijk als Hij aan Sihon en Og, koningen der Amorieten, en aan hun land, gedaan heeft, die Hij verdelgd heeft.
5Wanneer hen nu de HEERE voor uw aangezicht zal gegeven hebben, dan zult gij hun doen naar alle gebod, dat ik ulieden geboden heb.
6Weest sterk en hebt goeden moed, en vreest niet, en verschrikt niet voor hun aangezicht; want het is de HEERE, uw God, Die met u gaat; Hij zal u niet begeven, noch u verlaten.
7En Mozes riep Jozua, en zeide tot hem voor de ogen van gans Israel: Wees sterk en heb goeden moed, want gij zult met dit volk ingaan in het land dat de HEERE hun vaderen gezworen heeft, hun te zullen geven; en gij zult het hun doen erven.
8De HEERE nu is Degene, Die voor uw aangezicht gaat; Die zal met u zijn; Hij zal u niet begeven, noch u verlaten; vrees niet, en ontzet u niet.
“Terwijl het volk op de bejaarde man zag, die hen zo spoedig zou verlaten, kwam met nieuwe en diepere waardering de herinnering aan zijn vaderlijke tederheid, zijn verstandige raadgevingen, en zijn onvermoeide arbeid in hen op. Hoe dikwijls hadden de gebeden van Mozes God ertoe gebracht hen te sparen, als hun zonden Zijn rechtvaardige oordelen hadden opgeroepen! Hun verdriet werd vergroot door hun zelfverwijt. Vol bitterheid dachten ze eraan, dat hun goddeloosheid Mozes had doen zondigen, zodat hij nu moest sterven.
Het wegnemen van hun beminde leidsman zou voor Israël een veel zwaardere straf zijn, dan ze ooit hadden kunnen ontvangen, als zijn leven en werk voortgezet had kunnen worden. God zou hun indachtig maken, dat ze het leven van hun toekomstige leidsman niet zo moeilijk moesten maken, als het geval met Mozes was geweest. God spreekt tot Zijn volk door de zegeningen, die Hij geeft; en als men deze niet waardeert, spreekt Hij door de zegeningen, die Hij weggenomen heeft, zodat mensen hun zonde zien en met heel hun hart tot Hem terugkeren.” –Patriarchen en Profeten, blz. 425.