Spring naar inhoud
Les 9Sabbat, 29 februari 2020

Brood uit de hemel

Tekst om te onthouden

“En de kinderen Israëls aten Man veertig jaren, totdat zij in een bewoond land kwamen; zij aten Man, totdat zij kwamen aan de grens van het land Kanaän”

Exodus 16:35

“Gedurende veertig jaren werden ze (de Israëlieten) dagelijks aan Gods nimmer falende zorg en tedere liefde herinnerd door deze wonderbaarlijke voorziening. Om te spreken met de Psalmist: ‘Hij … schonk hun hemelkoren; brood der engelen at ieder’, dat wil zeggen, voedsel, door engelen aan hen gegeven.” –Patriarchen en Profeten, blz. 259.

Aanvullende studie:: Patriarchen en Profeten, blz. 257-260.
A. Waarom mopperden de Israëlieten opnieuw, toen zij in de woestijn van Sin kwamen?
auto_storiesExodus 16:1-3open_in_new
1Toen zij van Elim gereisd waren, zo kwam de ganse vergadering der kinderen Israels in de woestijn Sin, welke is tussen Elim en tussen Sinai, aan den vijftienden dag der tweede maand, nadat zij uit Egypteland uitgegaan waren.
2En de ganse vergadering der kinderen Israels murmureerde tegen Mozes en tegen Aaron, in de woestijn.
3En de kinderen Israels zeiden tot hen: Och, dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand des HEEREN, toen wij bij de vleespotten zaten, toen wij tot verzadiging brood aten! Want gijlieden hebt ons uitgeleid in deze woestijn, om deze ganse gemeente door den honger te doden.
“Tot nu toe hadden ze nog geen honger geleden; in hun huidige behoeften was voorzien, maar ze vreesden voor de toekomst. Ze konden niet begrijpen, hoe deze talrijke menigte onderhouden kon worden op haar reis door de woestijn, en in hun verbeelding zagen ze reeds, hoe hun kinderen omkwamen van gebrek. De Here liet toe, dat de moeilijkheden hen omringden, en hun voorraden opraakten, opdat hun harten zich zouden wenden tot Hem, die tot nu toe steeds hun Bevrijder was geweest. Als ze in hun nood Hem zouden aanroepen, zou Hij hun bewijzen geven van Zijn liefde en zorg. Hij had beloofd dat, wanneer ze Zijn geboden zouden gehoorzamen, geen ziekte hen zou treffen, en het was zondig ongeloof van hun kant om te vrezen, dat zij of hun kinderen van honger zouden sterven…
Ze zagen en voelden slechts hun tegenwoordige ongemakken en beproevingen; en in plaats van te zeggen: ‘God heeft grote dingen voor ons gedaan; terwijl we slaven zijn geweest, maakt Hij een grote natie van ons’, hadden ze het over de moeilijke weg, en vroegen zich af, waar hun vermoeiende pelgrimstocht zou eindigen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 255-256.