Spring naar inhoud
Les 10Sabbat, 7 maart 2020

God treft voorzieningen voor Zijn volk

Tekst om te onthouden

“Doch de handen van Mozes werden zwaar; daarom namen zij een steen, en legden die onder hem, dat hij daarop zat; en Aäron en Hur ondersteunden zijn handen, de een op deze, de ander op de andere zijde; alzo waren zijn handen vast, totdat de zon onderging”

Exodus 17:12

“Gelukkig de predikant, die een trouwe Aäron en Hur heeft om zijn handen te versterken, wanneer zij moe worden en om hen hoog te houden door geloof en gebed. Een dergelijke ondersteuning is een krachtig hulpmiddel voor de dienaar van Christus in zijn werk en zal er vaak toe leiden, dat de waarheid glorieus triomfeert.” –Testimonies 4, blz. 531.

Aanvullende studie:: Patriarchen en Profeten, blz. 260-266.
A. Hoe mopperden de kinderen van Israël tegen Mozes, toen zij bij Rafidim aankwamen? Waarom?
auto_storiesExodus 17:1-3open_in_new
1Daarna toog de ganse vergadering van de kinderen Israels, naar hun dagreizen, uit de woestijn Sin, op het bevel des HEEREN, en zij legerden zich te Rafidim. Daar nu was geen water voor het volk om te drinken.
2Toen twistte het volk met Mozes, en zeide: Geeft gijlieden ons water, dat wij drinken! Mozes dan zeide tot hen: Wat twist gij met mij? Waarom verzoekt gij den HEERE?
3Toen nu het volk aldaar dorstte naar water, zo murmureerde het volk tegen Mozes, en het zeide: Waartoe hebt gij ons nu uit Egypte doen optrekken, opdat gij mij, en mijn kinderen, en mijn vee, van dorst deed sterven?
“De Heer leidde hun weg, waar er geen water was, om hen op de proef te stellen, om te zien of zij, na zoveel bewijzen van Zijn macht te hebben ontvangen, hadden geleerd zich tot Hem te keren in hun nood, en berouw hadden van hun vroegere opstandige gemopper tegen Hem. Zij hadden Mozes en Aäron belast met zelfzuchtige motieven om hen uit Egypte te brengen om hen en hun kinderen door honger te doden, dat zij zich verrijkt konden hebben met hun bezittingen. Door dit te doen schreven de Israëlieten aan de mens toe, dat wat zij onmiskenbaar hadden ontvangen, was duidelijk van God alleen, wiens macht onbeperkt is. Deze prachtige manifestaties van de kracht van God zou Hij willen, dat zij Hem alleen dat zouden toeschrijven en Zijn naam op aarde zouden groot maken… Als zij God niet zouden verheerlijken in hun beproevingen en tegenspoed, op hun reizen door de woestijn naar Kanaän in het vooruitzicht, terwijl God hun voortdurend onmiskenbaar bewijs gaf van Zijn macht en heerlijkheid, en Zijn zorg voor hen, zouden zij Zijn naam niet groot maken en Hem verheerlijken, wanneer zij zich vestigden in het land Kanaän, omringd door zegeningen en voorspoed.” –Testimonies 2, blz. 107.

volunteer_activismEerste Sabbatgaven voor het verlichten van Rampen in de wereld

‘Och, dat mij iemand vleugels, als van een duif, gave! Ik zou heenvliegen, waar ik blijven mocht… Ik zou haasten, dat ik ontkwam, van de drijvende wind, van de storm’ (Psalm 55:7, 9).

Winderige stormen, hevige stormen, aardbevingen, ongevallen, overstromingen, hongersnoden en branden, de lijst gaat maar door. Dreigen meer van dergelijke rampen aan de horizon?

“De dag van beproeving en zuivering staat voor de deur. Tekenen van een meest verontrustend karakter verschijnen, in overstromingen, in orkanen, in tornado’s, in wolkbreuken, in dodelijke ongevallen op het land en op zee, die de nadering van het einde van alle dingen verkondigen. De oordelen van God vallen op de wereld, zodat mensen wakker kunnen worden voor het feit, dat Christus spoedig zal komen.” –The Review and Herald, 8 november 1892.

“Bij ongelukken en rampen op het land en op zee, in grote vuurzeeën, in felle tornado’s en verschrikkelijke hagelbuien, in stormen, overstromingen, cyclonen, vloedgolven en aardbevingen, in elke plaats en in duizend vormen oefent Satan zijn macht uit. Hij veegt de rijpende oogst weg en hongersnood en leed volgen. Hij verleent aan de lucht een dodelijke geur en duizenden vallen weg door de pest. De bezoekingen zullen steeds frequenter en verwoestender worden. De vernietiging zal op mens en dier zijn.” –The Review and Herald, 14 maart 1912.

Als de grote strijd zo escaleert op onze planeet, wat zou God willen, dat wij doen ten behoeve van de lijdende mensheid? ‘Hij heeft u bekend gemaakt, o mens, wat goed is; en wat eist de Heere van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God?’ Een God, die ‘lust heeft aan goedertierenheid’ (Micha 6:8; 7:18).

In tijden van rampspoed roept de lijdende mensheid om genadevolle daden, om de naakten te kleden, de hongerigen te voeden, om het puin van omvergeworpen gebouwen te repareren, om de genezende balsem op de gewonden aan te brengen. Noodhulp vereist veel geld, alleen door uw genereuze steun aan deze grote nood kan dit gebeuren. Degenen, die genereus voor deze nood geven, zullen ruimschoots worden terugbetaald, want ‘zalig zijn de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden’ (Matthéüs 5:7).

Namens de Afdeling Rentmeesterschap en Welzijn van de Generale Conferentie