“Doch de handen van Mozes werden zwaar; daarom namen zij een steen, en legden die onder hem, dat hij daarop zat; en Aäron en Hur ondersteunden zijn handen, de een op deze, de ander op de andere zijde; alzo waren zijn handen vast, totdat de zon onderging”
Exodus 17:12
“Gelukkig de predikant, die een trouwe Aäron en Hur heeft om zijn handen te versterken, wanneer zij moe worden en om hen hoog te houden door geloof en gebed. Een dergelijke ondersteuning is een krachtig hulpmiddel voor de dienaar van Christus in zijn werk en zal er vaak toe leiden, dat de waarheid glorieus triomfeert.” –Testimonies 4, blz. 531.
Aanvullende studie:: Patriarchen en Profeten, blz. 260-266.
A. Hoe mopperden de kinderen van Israël tegen Mozes, toen zij bij Rafidim aankwamen? Waarom?
Exodus 17:1-3.
“De Heer leidde hun weg, waar er geen water was, om hen op de proef te stellen, om te zien of zij, na zoveel bewijzen van Zijn macht te hebben ontvangen, hadden geleerd zich tot Hem te keren in hun nood, en berouw hadden van hun vroegere opstandige gemopper tegen Hem. Zij hadden Mozes en Aäron belast met zelfzuchtige motieven om hen uit Egypte te brengen om hen en hun kinderen door honger te doden, dat zij zich verrijkt konden hebben met hun bezittingen. Door dit te doen schreven de Israëlieten aan de mens toe, dat wat zij onmiskenbaar hadden ontvangen, was duidelijk van God alleen, wiens macht onbeperkt is. Deze prachtige manifestaties van de kracht van God zou Hij willen, dat zij Hem alleen dat zouden toeschrijven en Zijn naam op aarde zouden groot maken… Als zij God niet zouden verheerlijken in hun beproevingen en tegenspoed, op hun reizen door de woestijn naar Kanaän in het vooruitzicht, terwijl God hun voortdurend onmiskenbaar bewijs gaf van Zijn macht en heerlijkheid, en Zijn zorg voor hen, zouden zij Zijn naam niet groot maken en Hem verheerlijken, wanneer zij zich vestigden in het land Kanaän, omringd door zegeningen en voorspoed.” –Testimonies 2, blz. 107.
A. Wat deed Mozes, nadat hij hun klachten had gehoord?
Exodus 17:4;
Jeremia 29:12.
“De Heere zegt: ‘Roept Mij aan in de dag der benauwdheid’ (Psalm 50:15). Hij nodigt ons uit om aan Hem onze zorgen en noden, onze behoefte aan goddelijke hulp voor te leggen. Hij zegt ons, dat wij moeten aanhouden in het gebed. Zodra er moeilijkheden ontstaan, moeten wij onze oprechte, ernstige smeekbeden tot Hem doen opstijgen. Door onze volharding in het gebed leveren wij het bewijs van ons sterke vertrouwen in God. Het besef van onze nood brengt ons ertoe ernstig te bidden en onze hemelse Vader wordt bewogen door onze smeekbeden.” –Lessen uit het Leven van Alledag, blz. 102.
B. Naar welke plaats en met welke specifieke aanwijzingen zond God Mozes voor water? Hoe werd op wonderbaarlijke wijze in water voorzien?
Exodus 17:5-6.
“Verslagen riep Mozes tot de Here: ‘Wat moet ik met dit volk doen?’ God zei hem, dat hij de oudsten van Israël moest meenemen, ook de staf waarmee hij wonderen in Egypte had gedaan, en voor het volk moest uitgaan. En de Here zei tot hem: ‘Zie, Ik zal daar vóór u op de rots bij Horeb staan; dan zult gij op de rots slaan en daaruit zal water tevoorschijn komen, zodat het volk kan drinken’. Hij gehoorzaamde, en water kwam tevoorschijn in een levende stroom, zodat er voldoende was voor het legerkamp. In plaats van Mozes op te dragen zijn staf op te heffen en een of andere verschrikkelijke plaag te doen neerdalen, zoals in Egypte gebeurde, zodat de leiders voor hun morren werden gestraft, maakte de Here in Zijn grote barmhartigheid de staf het werktuig om in hun behoefte te voorzien.” –Patriarchen en Profeten, blz. 260-263.
C. Welke andere namen gaf Mozes aan die plaats, en waarom hernoemde hij deze?
Exodus 17:7.
“In hun dorst had het volk God verzocht door te zeggen: ‘Is de Here in ons midden of niet?’ ‘Als God ons hier gebracht heeft, waarom geeft Hij ons dan geen water, behalve brood?’ Het ongeloof, dat ze op deze wijze openbaarden, was misdadig, en Mozes vreesde, dat Gods oordelen op hen zouden vallen. Hij noemde de naam van die plaats Massa, ‘verzoeking’, en Meriba, ‘twist’, als een herinnering aan hun zonde.” –Patriarchen en Profeten, blz. 263.
A. Van wie is de geslagen rots een type?
1 Korinthe 10:4.
“Mozes sloeg de rots, maar het was de Zoon van God, die gehuld in de wolkkolom naast Mozes stond en het levengevend water deed vloeien. Niet alleen Mozes en de oudsten, maar heel de vergadering, die van verre stond, aanschouwde de heerlijkheid des Heren; maar zou de wolk zijn weggenomen, dan waren ze gedood door de verschrikkelijke heerlijkheid van Hem, die daarin woonde.” –Patriarchen en Profeten, blz. 263.
B. In welke andere betekenis wordt verwezen naar Jezus als een rots?
Psalm 94:22;
Markus 12:10.
“Met oneindige wijsheid koos God de steen voor de fundering en legde die Zelf neer. Hij noemde die ‘een vaste grondslag’. De gehele wereld kan daarop haar lasten en smarten leggen; hij kan ze alle dragen. Men kan er volkomen veilig op bouwen. Christus is ’een beproefde steen’. Hij stelt hen, die op Hem vertrouwen, nooit teleur. Hij heeft iedere beproeving doorstaan. Hij heeft de last van Adams schuld en de schuld van zijn nageslacht gedragen, en is meer dan overwinnaar geworden over de machten der duisternis. Hij heeft de lasten gedragen, die op Hem geworpen worden door iedere berouwvolle zondaar. In Christus heeft het schuldige hart verlichting gevonden. Hij is de vaste grondslag. Allen, die zich van Hem afhankelijk maken, rusten in volkomen veiligheid…
En door verbondenheid met Christus, de levende steen, worden allen, die op deze grondslag bouwen, levende stenen. Vele mensen worden door hun eigen pogingen uitgehouwen, gepolijst en verfraaid; maar zij kunnen geen ‘levende stenen’ worden, omdat zij niet met Christus verbonden zijn. Zonder deze verbondenheid kan geen mens behouden worden. Indien het leven van Christus niet in ons is, kunnen wij de stormen der verzoeking niet weerstaan.” –De Wens der Eeuwen, blz. 519-520.
C. Wat wordt gesymboliseerd door het water, dat stroomde uit de geslagen rots?
Johannes 4:10-14;
Johannes 7:37-39.
“Hij, die van het levende water drinkt, wordt een fontein des levens. De ontvanger wordt een gever. De genade van Christus in de ziel is als een bron in de woestijn, die opwelt om allen te verfrissen, en hen, die op het punt staan om te komen, begerig maakt te drinken van het water des levens.”| –De Wens der Eeuwen, blz. 155.
A. Welk gevaar bedreigde het volk van Israël vervolgens?
Exodus 17:8.
“Vanwege de ongehoorzaamheid van Israël en het verlaten van God werd toegestaan, dat zij gebracht werden op nauwe plaatsen en om tegenspoed te lijden; hun vijanden mochten oorlog met hen voeren, hen vernederen en hen ertoe brengen God te zoeken in hun moeilijkheden en benauwdheid. ‘Toen kwam Amalek en streed tegen Israël in Rafidim’. Dit vond plaats onmiddellijk nadat de kinderen van Israël zich hadden overgegeven aan hun rebellerend gemopper en aan onterechte, onredelijke klachten tegen hun leiders, die God had geschikt gemaakt en aangesteld om hen door de woestijn naar het land Kanaän te leiden.” –Testimonies 2, blz. 106-107.
B. Hoe versloeg God de Amalekieten?
Exodus 17:9-12.
“Toen de Amalekieten het kamp van Israël in de woestijn kwamen aanvallen, wist Mozes, dat zijn volk niet voorbereid was op de krachtmeting. Hij zond Jozua met een groep soldaten om de vijand te ontmoeten, terwijl hijzelf, met Aäron en Hur, zijn positie op een heuvel met uitzicht op het slagveld innam. Daar legde de man van God de zaak voor Hem neer, die alleen in staat was hun de overwinning te geven. Met de handen uitgestrekt naar de hemel bad Mozes ernstig voor het succes van de legers van Israël. Er werd bemerkt dat, terwijl zijn handen omhoog reikten, Israël de vijand overwon; maar toen zij door vermoeidheid naar beneden gingen, overwon Amalek. Aäron en Hur bleven de handen van Mozes ondersteunen tot de overwinning, volledig en compleet, die zich tot de kant van Israël keerde en hun vijanden werden van het veld verdreven.
Dit voorbeeld moest een les zijn voor heel Israël tot het einde van de tijd, dat God de kracht is van Zijn volk. Toen Israël zegevierde, reikte Mozes zijn handen naar de hemel en bemiddelde voor hen; dus wanneer heel Israël van God zegeviert, is het omdat de Machtige hun zaak onderneemt en hun strijd voor hen vecht. Mozes vroeg niet of geloofde, dat God hun vijanden zou overwinnen, terwijl Israël inactief bleef. Hij leidt al zijn troepen en zendt hen uit, zo goed voorbereid als hun mogelijkheden hen kunnen maken, en dan brengt hij de hele zaak in gebed tot God. Mozes op de berg smeekt de Heer, terwijl Jozua met zijn dappere volgelingen beneden is en zijn best doet om de vijanden van Israël en van God te ontmoeten en terug te drijven.” –Testimonies 4, blz. 530-531.
A. Nadat de Amalekieten waren verslagen, welk vonnis werd toen over hen uitgesproken?
Exodus 17:14;
Deuteronomium 25:17-19.
“De wonderen, die Mozes deed ten aanschouwen van de Egyptenaren, werden een voorwerp van spot bij het volk van Amalek, en de vrees der omringende volken werd belachelijk gemaakt. Ze hadden bij hun goden gezworen, dat ze de Hebreeën zouden verdelgen, zodat niemand zou ontkomen, en ze beroemden zich erop, dat de God van Israël hen niet kon weerstaan. De Israëlieten hadden hen niet bedreigd of hen kwaad aangedaan. Hun aanval was volkomen ongegrond. Ze trachtten Gods volk uit te roeien om op deze wijze hun haat en minachting jegens God tot uiting te brengen…
Toen de mannen van Amalek de vermoeide en onverdedigde rijen van Israël aanvielen, bezegelden ze hun eigen ondergang. God zorgt voor de zwaksten onder Zijn kinderen. Geen enkele daad van wreedheid of verdrukking blijft verborgen voor de hemel. Zijn hand is uitgestrekt als een schild over allen, die Hem liefhebben en vrezen; laten mensen zich hoeden, dat ze deze hand niet treffen, want hij draagt het zwaard der gerechtigheid.” –Patriarchen en Profeten, blz. 264-265.
B. Wat moeten wij bedenken, als wij nu op dezelfde manier worden vervolgd als Israël werd door de Amalekieten?
Matthéüs 5:11-12.
Hoe beschouwt God hen, die hun eigen broeders vervolgen?
“Als God zo de wreedheid van een heidense natie bestrafte, wat moet Hij dan met degenen, die, terwijl zij belijden Zijn volk te zijn, met hun eigen broeders, die vermoeide en uitgeputte arbeiders zijn in Zijn werk, strijd voeren?” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 199.
1. Hoe is beproeving en tegenslag een test voor ons nu, zoals het was voor de Israëlieten?
2. Wat openbaart dit, als wij ernstig bidden in moeilijke omstandigheden?
3. Wat is de sleutel om een levende steen te worden?
4. Wat is vaak de oorzaak, dat wij op moeilijke plaatsen worden gebracht?
5. Welke zonde bezegelde Amaleks lot? Hoe zijn wij soms schuldig aan dezelfde zonde?
‘Och, dat mij iemand vleugels, als van een duif, gave! Ik zou heenvliegen, waar ik blijven mocht… Ik zou haasten, dat ik ontkwam, van de drijvende wind, van de storm’ (Psalm 55:7, 9).
Winderige stormen, hevige stormen, aardbevingen, ongevallen, overstromingen, hongersnoden en branden, de lijst gaat maar door. Dreigen meer van dergelijke rampen aan de horizon?
“De dag van beproeving en zuivering staat voor de deur. Tekenen van een meest verontrustend karakter verschijnen, in overstromingen, in orkanen, in tornado’s, in wolkbreuken, in dodelijke ongevallen op het land en op zee, die de nadering van het einde van alle dingen verkondigen. De oordelen van God vallen op de wereld, zodat mensen wakker kunnen worden voor het feit, dat Christus spoedig zal komen.” –The Review and Herald, 8 november 1892.
“Bij ongelukken en rampen op het land en op zee, in grote vuurzeeën, in felle tornado’s en verschrikkelijke hagelbuien, in stormen, overstromingen, cyclonen, vloedgolven en aardbevingen, in elke plaats en in duizend vormen oefent Satan zijn macht uit. Hij veegt de rijpende oogst weg en hongersnood en leed volgen. Hij verleent aan de lucht een dodelijke geur en duizenden vallen weg door de pest. De bezoekingen zullen steeds frequenter en verwoestender worden. De vernietiging zal op mens en dier zijn.” –The Review and Herald, 14 maart 1912.
Als de grote strijd zo escaleert op onze planeet, wat zou God willen, dat wij doen ten behoeve van de lijdende mensheid? ‘Hij heeft u bekend gemaakt, o mens, wat goed is; en wat eist de Heere van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God?’ Een God, die ‘lust heeft aan goedertierenheid’ (Micha 6:8; 7:18).
In tijden van rampspoed roept de lijdende mensheid om genadevolle daden, om de naakten te kleden, de hongerigen te voeden, om het puin van omvergeworpen gebouwen te repareren, om de genezende balsem op de gewonden aan te brengen. Noodhulp vereist veel geld, alleen door uw genereuze steun aan deze grote nood kan dit gebeuren. Degenen, die genereus voor deze nood geven, zullen ruimschoots worden terugbetaald, want ‘zalig zijn de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden’ (Matthéüs 5:7).
Namens de Afdeling Rentmeesterschap en Welzijn van de Generale Conferentie