“En de kinderen Israëls aten Man veertig jaren, totdat zij in een bewoond land kwamen; zij aten Man, totdat zij kwamen aan de grens van het land Kanaän”
Exodus 16:35
“Gedurende veertig jaren werden ze (de Israëlieten) dagelijks aan Gods nimmer falende zorg en tedere liefde herinnerd door deze wonderbaarlijke voorziening. Om te spreken met de Psalmist: ‘Hij … schonk hun hemelkoren; brood der engelen at ieder’, dat wil zeggen, voedsel, door engelen aan hen gegeven.” –Patriarchen en Profeten, blz. 259.
Aanvullende studie:: Patriarchen en Profeten, blz. 257-260.
A. Waarom mopperden de Israëlieten opnieuw, toen zij in de woestijn van Sin kwamen?
Exodus 16:1-3.
“Tot nu toe hadden ze nog geen honger geleden; in hun huidige behoeften was voorzien, maar ze vreesden voor de toekomst. Ze konden niet begrijpen, hoe deze talrijke menigte onderhouden kon worden op haar reis door de woestijn, en in hun verbeelding zagen ze reeds, hoe hun kinderen omkwamen van gebrek. De Here liet toe, dat de moeilijkheden hen omringden, en hun voorraden opraakten, opdat hun harten zich zouden wenden tot Hem, die tot nu toe steeds hun Bevrijder was geweest. Als ze in hun nood Hem zouden aanroepen, zou Hij hun bewijzen geven van Zijn liefde en zorg. Hij had beloofd dat, wanneer ze Zijn geboden zouden gehoorzamen, geen ziekte hen zou treffen, en het was zondig ongeloof van hun kant om te vrezen, dat zij of hun kinderen van honger zouden sterven…
Ze zagen en voelden slechts hun tegenwoordige ongemakken en beproevingen; en in plaats van te zeggen: ‘God heeft grote dingen voor ons gedaan; terwijl we slaven zijn geweest, maakt Hij een grote natie van ons’, hadden ze het over de moeilijke weg, en vroegen zich af, waar hun vermoeiende pelgrimstocht zou eindigen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 255-256.
A. Wat voorzag de Heer en hoe testte Hij het volk bij het verschaffen van hun dagelijkse voorzieningen?
Exodus 16:4-5.
B. Wat was het antwoord van Mozes en Aäron op het onredelijke gemopper van het volk?
Exodus 16:6-10.
“Mozes gaf de vergadering de verzekering, dat in hun noden zou worden voorzien: ‘In de avondschemering zult gij vlees eten en in de morgen zult gij met brood verzadigd worden’. En hij voegde eraan toe: ‘Want wat zijn wij, dat gij tegen ons mort? Niet tegen ons was uw gemor, maar tegen de Here’. Verder moest Aäron tot hen zeggen: ‘Nadert voor het aangezicht des Heren: want Hij heeft uw gemor gehoord’. Terwijl Aäron sprak, ‘richtten zij hun blik naar de woestijn, en zie, de heerlijkheid des Heren verscheen in een wolk’. Een heerlijkheid, zoals ze nooit eerder hadden gezien, symboliseerde Gods tegenwoordigheid. Door openbaringen, die hun zintuigen aanspraken, moesten ze een kennis aangaande God verkrijgen. Ze moesten leren, dat de Allerhoogste, en niet een mens als Mozes, hun leidsman was, zodat ze Zijn naam zouden vrezen en Zijn stem zouden gehoorzamen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 257.
C. Welke beloften hebben wij nu met betrekking tot onze voedselvoorziening?
Filippensen 4:19;
Psalm 37:25.
Hoe kunnen wij in dit opzicht zijn als de mopperende kinderen van Israël?
“Hoewel aan hun tegenwoordige behoeften wordt voldaan, zijn velen niet gewillig om voor de toekomst op God te vertrouwen, en ze leven in voortdurende angst, dat ze door armoede getroffen zullen worden en hun kinderen gebrek zullen lijden. Sommigen leven altijd in de vrees, dat kwaad hen zal treffen, of ze vergroten de moeilijkheden, die bestaan, zodat hun ogen verblind worden voor de vele zegeningen, waarvoor ze dankbaar zouden moeten zijn. De hinderpalen, die ze tegenkomen, scheiden hen van God, terwijl ze zouden moeten dienen om hen te helpen hun hulp te zoeken bij God, de enige bron van kracht; dit alles is het gevolg van onrust en klagen…
Er moet geen plaats zijn voor dat wantrouwen in God, waardoor we voorbereidingen voor de toekomst tot een hoofdzaak maken, alsof ons geluk afhankelijk zou zijn van deze aardse dingen. Het is niet Gods wil, dat Zijn volk onder zorgen gebukt zou gaan.” –Patriarchen en Profeten, blz. 256-257.
A. Wat voor voedsel gaf de Heer de Israëlieten ‘s avonds en ‘s morgens bij een gelegenheid en later gedurende een maand?
Exodus 16:11-15.
Waarom was God zo nauwgezet in het soort voedsel, dat Hij voor hen voorzag?
“Als de Israëlieten het voedsel hadden gekregen, waaraan ze in Egypte gewend waren geweest, zouden zij de onhandelbare geest hebben geopenbaard, die de wereld van onze tijd kenmerkt. In het dieet van mannen en vrouwen uit onze tijd zitten veel zaken, die de Here de Israëlieten niet zou hebben toegestaan te gebruiken. Het menselijk geslacht in onze dagen is een illustratie van wat de kinderen Israëls zouden zijn geweest, als God hun had toegestaan het voedsel te eten, en de gewoonten en gebruiken van Egypte na te volgen.” –Bijbelkommentaar, blz. 37-38.
“In Egypte was hun smaak verdorven. God wilde hun eetlust terugbrengen naar een zuivere, gezonde toestand, zodat ze konden genieten van de eenvoudige vruchten, die Adam en Eva in Eden hadden gekregen. Hij stond op het punt hen te brengen in een tweede Eden, een goed land, waar ze konden genieten van de vruchten en granen, die Hij aan hen zou geven. Het was Zijn bedoeling het prikkelend dieet, waarop ze in Egypte hadden geleefd, weg te nemen, want Hij wilde, dat ze volkomen gezond zouden zijn, als ze het goede land, waarheen Hij hen leidde, zouden binnengaan. De omringende heidense volken zouden er dan toe gebracht worden de God van Israël, de God die zulk een wonderbaar werk voor Zijn volk had gedaan, te verheerlijken. Als het volk, dat Hem erkende als de God van hemel en aarde, geen volmaakte gezondheid zou genieten, kon Zijn naam niet verheerlijkt worden.” –Bijbelkommentaar, blz. 37.
B. Beschrijf het manna en hoe moest het worden bereid.
Exodus 16:31;
Numeri 11:7-8.
“De volgende morgen lag op de grond, ‘iets fijns … fijn als rijm op de aarde’. ‘Het was wit als korianderzaad’. Het volk noemde het manna. Mozes zei: ‘Dit is het brood, dat de Here u tot spijze gegeven heeft’. Het volk verzamelde het manna en merkte, dat er voldoende was voor een ieder. Men maalde het in handmolens of stampte het in vijzels en kookte het in potten en bereidde het tot koeken’ (Numeri 11:8). De smaak ervan was als honingkoeken.” –Patriarchen en Profeten, blz. 257-258.
A. Welke aanwijzingen ontving het volk voor het verzamelen van manna?
Exodus 16:16-26.
Hoe illustreerde het manna de noodzaak van het houden van de Sabbat voor het geven van de wet bij de Sinaï?
“Elke week gedurende hun langdurige omwandeling in de woestijn waren de Israëlieten getuigen van een drievoudig wonder, bedoeld om hen van de heiligheid van de Sabbat te doordringen: een dubbele hoeveelheid manna viel op de zesde dag, op de zevende dag viel niets, en de hoeveelheid, nodig voor de Sabbat, bleef zoet en onbedorven, terwijl alles wat in de loop van de week werd bewaard bedierf.
In de omstandigheden, verbonden met het geven van het manna, hebben we een duidelijk bewijs dat niet, zoals velen beweren, de Sabbat werd ingesteld bij de wetgeving op de Sinaï. Eer de Israëlieten aankwamen bij de Sinaï, begrepen ze, dat de Sabbat voor hen een verplichting was. Door de verplichting om elke vrijdag een dubbele hoeveelheid manna te verzamelen om dit klaar te maken voor de Sabbat, waarop geen manna zou vallen, werd de heiligheid van de rustdag voortdurend voor ogen gehouden.” –Patriarchen en Profeten, blz. 259.
B. Hoe lang duurde de dagelijkse voorziening van manna?
Exodus 16:35.
Waarom verwijderde God het?
“’Op de veertiende dag van die maand, des avonds’ werd het Pascha in de vlakten van Jericho gevierd. ‘En zij aten, daags na het Pascha, van de opbrengst van het land, ongezuurde broden en geroost koren, op dezelfde dag. En het manna hield op, daags nadat zij van de opbrengst van het land hadden gegeten. Dus hadden de Israëlieten geen manna meer, maar zij aten dat jaar van wat het land Kanaän opleverde’. De lange jaren van hun omzwerven in de woestijn waren voorbij. De voeten van Israël stonden eindelijk in het beloofde land.” –Patriarchen en Profeten, blz. 437.
C. Waarom werd een pot met manna bewaard in de ark van het verbond?
Exodus 16:32-33;
Hebreeën 9:4.
A. Wat is het manna, dat we nu moeten verzamelen en eten?
Jeremia 15:16;
Johannes 6:63 (tweede deel).
Hoe vaak moeten we dit doen?
“Zijn (Gods) woorden zijn het manna uit de hemel voor de ziel om zich te voeden en om geestelijke kracht te ontvangen. De Bijbel is de grote standaard van goed en fout en kenschetst duidelijk zonde en heiligheid. De levende principes ervan, die als een gouden draad door ons leven lopen, zijn onze enige waarborg in beproeving en verleiding.” –Counsels to Parents, Teachers and Students, blz. 422.
“Ieder moet tot Christus komen met zijn eigen zielenhonger, ieder moet zijn eigen overtuigingen hebben, de behoefte van zijn eigen ziel voelen, en zelf van Christus leren.
Vervuld met het Brood des Levens kunnen wij niet hongeren naar aardse aantrekkelijkheden, wereldse opwinding en aardse grootheid. Onze godsdienstige ervaring zal van dezelfde orde zijn als het voedsel, waarmee wij ons voeden.
Het voedsel, dat wij tijdens één maaltijd eten, bevredigt ons niet voor altijd. Wij moeten dagelijks deelnemen aan voeding. Zo moeten wij dagelijks het Woord van God eten, zodat het leven van de ziel kan worden vernieuwd. In hen, die zich voortdurend met het Woord voeden, wordt Christus gevormd, de hoop der heerlijkheid. Een nalatigheid om de Bijbel te lezen en te bestuderen brengt geestelijke hongerdood.” –Our High Calling, blz. 209.
1. Over wat voor dingen klaagden de kinderen van Israël? Hoe toonde dit een gebrek aan geloof?
2. Wat vergeet ik, als ik mij richt op de moeilijkheden en het kwaad om me heen?
3. Wat gebeurt er, als ik het voedsel eet en de gebruiken volg van Egypte? Waarom moet ik zo bezorgd zijn over gezond zijn?
4. Hoe benadrukte de voorziening van manna de heiligheid van de Sabbat op Gods volk?
5. Wat zal er met mij gebeuren, als ik mijzelf voed met het Brood des Levens, door het bestuderen van het Woord? Waarom is het zo belangrijk voor mij om dit Brood elke dag te eten?