Les 13 — Sabbat, 27 juni 2026
Het einde voorzegd
Tekst om te onthouden
Tekst om te onthouden: "En Hij Die op de troon zat, zeide: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw" (Openbaring 21:5).
Openbaring 21:5
“Onze kleine wereld, die onder de vloek der zonde, de enige donkere plek in Zijn heerlijke schepping is, zal boven alle werelden in Gods heelal worden geëerd.” –De Wens der Eeuwen, blz. 15.
Aanvullende studie:: –Eerste Geschriften, blz. 334-350.
A. Wat wordt er onthuld over Gods oordelen, die over de aarde zullen worden uitgestort? hoofdstuk 16.
1En ik zag een ander groot en wonderlijk teken in den hemel; namelijk zeven engelen, hebbende de zeven laatste plagen; want in deze is de toorn Gods geeindigd.
“Toen zag ik, dat de zeven laatste plagen spoedig uitgegoten zullen worden op degenen, die geen schuilplaats hebben, en dat de wereld er toch niet meer acht op sloeg, dan zij zouden doen op zoveel druppels water, die op het punt stonden te vallen. Ik werd toen in staat gesteld om het vreselijke gezicht van de zeven laatste plagen, de toorn Gods, te verduren. Ik zag, dat Zijn toorn vreselijk en ontzettend was, en dat, indien Hij Zijn hand zou uitstrekken, of die in toorn zou opheffen, de bewoners van de wereld zijn zonden, alsof zij nooit geweest waren, of zouden lijden aan ongeneeslijke zweren en uitterende plagen, die over hen zouden komen, en waarvan zij niet zouden verlost, maar erdoor uitgeroeid worden.” –Eerste Geschriften, blz. 67-68.
B. Op welke verschillende manier wordt dezelfde scène beschreven?
30Gij zult dan al deze woorden tot hen profeteren, en gij zult tot hen zeggen: De HEERE zal brullen uit de hoogte, en Zijn stem verheffen uit de woning Zijner heiligheid; Hij zal schrikkelijk brullen over Zijn woonstede; Hij zal een vreugdegeschrei, als de druiven treders, uitroepen tegen alle inwoners der aarde.
31Het geschal zal komen tot aan het einde der aarde; want de HEERE heeft een twist met de volken, Hij zal gericht houden met alle vlees; de goddelozen heeft Hij aan het zwaard overgegeven, spreekt de HEERE.
32Zo zegt de HEERE der heirscharen: Ziet, een kwaad gaat er uit van volk tot volk. en een groot onweder zal er verwekt worden van de zijden der aarde.
33En de verslagenen des HEEREN zullen te dien dage liggen van het ene einde der aarde tot aan het andere einde der aarde; zij zullen niet beklaagd, noch opgenomen, noch begraven worden; tot mest op den aardbodem zullen zij zijn.
17En ik zag een engel, staande in de zon; en hij riep met een grote stem, zeggende tot al de vogelen, die in het midden des hemels vlogen: Komt herwaarts, en vergadert u tot het avondmaal des groten Gods;
18Opdat gij eet het vlees der koningen, en het vlees der oversten over duizend, en het vlees der sterken, en het vlees der paarden en dergenen, die daarop zitten; en het vlees van alle vrijen en dienstknechten, en kleinen en groten.
19En ik zag het beest, en de koningen der aarde, en hun heirlegers vergaderd, om krijg te voeren tegen Hem, Die op het paard zat, en tegen Zijn heirlegers.
20En het beest werd gegrepen, en met hetzelve de valse profeet, die de tekenen in de tegenwoordigheid van hetzelve gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die deszelfs beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in den poel des vuurs, die met sulfer brandt.
21En de overigen werden gedood met het zwaard Desgenen, Die op het paard zat, hetwelk uit Zijn mond ging; en al de vogelen werden verzadigd van hun vlees.
“De ongelovigen hebben de genadetijd laten voorbijgaan. De Geest van God, tegen Wie ze zich hardnekkig hebben verzet, heeft zich ten slotte teruggetrokken. Ze worden niet meer beschermd door genade en staan weerloos tegenover de Boze. Satan zal dan ‘de tijd van grote benauwdheid’ over de bewoners van de aarde laten komen. Wanneer de engelen de stormwinden van de menselijke hartstocht niet meer tegenhouden, zullen alle elementen van strijd en verderf worden ontketend. De verwoesting van de hele wereld zal nog rampzaliger zijn dan die van Jeruzalem in het verleden.” –De Grote Strijd, blz. 568.