Les 3 — SABBAT, 21 oktober 2023
De organisatie van het Melchizédeks priesterschap
Tekst om te onthouden
Tekst om te onthouden: “Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is”
1 Johannes 3:2
“Het kwaad ontstaat niet door organisatie, maar door organisatie tot alles te maken, en vitale godsvrucht van weinig belang.” –Fundamentals of Christian Education, blz. 253.
Aanvullende studie :: : -Van Jeruzalem tot Rome, blz. 140-148.
A. Hoe moeten wij elkaar behandelen, ongeacht de gaven die wij kunnen bezitten? Noem enkele gaven, die als eerste worden genoemd.
10Hebt elkander hartelijk lief met broederlijke liefde; met eer de een de ander voorgaande.
28En God heeft er sommigen in de Gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna krachten, daarna gaven der gezondmakingen, behulpsels, regeringen, menigerlei talen.
29Zijn zij allen apostelen? Zijn zij allen profeten? Zijn zij allen leraars? Zijn zij allen krachten?
30Hebben zij allen gaven der gezondmakingen? Spreken zij allen met menigerlei talen? Zijn zij allen uitleggers?
B. Leg enkele taken van predikanten uit, en waarom is hun werk niet beperkt is tot één gemeente.
15Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon Petrus: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij liever dan dezen? Hij zeide tot Hem: Ja, Heere! Gij weet, dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Weid Mijn lammeren.
16Hij zeide wederom tot hem ten tweeden maal: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief? Hij zeide tot Hem: Ja, Heere, gij weet, dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Hoed Mijn schapen.
17Hij zeide tot hem ten derden maal: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat Hij ten derden maal tot hem zeide: Hebt gij Mij lief, en zeide tot Hem: Heere! Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik U liefheb. Jezus zeide tot hem: Weid Mijn schapen.
28Zonder de dingen, die van buiten zijn, overvalt mij dagelijks de zorg van al de Gemeenten.
5Om die oorzaak heb ik u te Kreta gelaten, opdat gij, hetgeen nog ontbrak, voorts zoudt te recht brengen, en dat gij van stad tot stad zoudt ouderlingen stellen, gelijk ik u bevolen heb:
17Daarom heb ik Timotheus tot u gezonden, die mijn lieve en getrouwe zoon is in den Heere, welke u zal indachtig maken mijn wegen, die in Christus zijn, gelijkerwijs ik alom in alle Gemeenten leer.
“De oudere predikanten moeten oppassen, dat ze niet door voorschrift of voorbeeld jonge mensen laten begrijpen, dat het werk van arbeiders in het veld bestaat uit preken. De opleiding, waaraan jonge predikers het meest behoefte hebben, is die welke hen in staat zal stellen om op de verschillende afdelingen van de zaak te werken en degenen te verlichten, die uitgeput raken van overwerk. Er zijn ook leken in de gemeente, die bekwaamheden hebben, die in dienst kunnen worden gesteld en die verantwoordelijk moeten worden gesteld voor een deel van het werk. Laat aan hen voelen, dat er geen leeglopers zijn in de wijngaard van de Heer.” –The Review and Herald, 24 juli 1883.
C. Wie selecteert de arbeiders en wat worden ze, als ze eenmaal gekozen zijn?
16Doch Gode zij dank, Die dezelfde naarstigheid voor u in het hart van Titus gegeven heeft;
17Dat hij de vermaning heeft aangenomen, en zeer naarstig zijnde, gewillig tot u gereisd is.
18En wij hebben ook met hem gezonden den broeder, die lof heeft in het Evangelie door al de Gemeenten;
19En dat niet alleen, maar hij is ook van de Gemeenten verkoren, om met ons te reizen met deze gave, die van ons bediend wordt tot de heerlijkheid des Heeren Zelven, en de volvaardigheid uws gemoeds;
23Hetzij dan Titus, hij is mijn metgezel en medearbeider bij u; hetzij onze broeders, zij zijn afgezanten der Gemeenten, en een eer van Christus.
“Mensen, wier leven niet heilig is, en die niet geschikt zijn om de tegenwoordige waarheid te verkondigen, gaan de wijngaard binnen zonder door de kerk of de broeders in het algemeen erkend te worden; en verwarring en onenigheid zijn er het gevolg van.” –Eerste Geschriften, blz. 109.