Schatten der waarheid, deel 4 Het christelijke leven uitleven — SABBAT, 21 oktober 2023

Les 3: De organisatie van het Melchizédeks priesterschap

Tekst om te onthouden

Tekst om te onthouden: “Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is”

1 Johannes 3:2

“Het kwaad ontstaat niet door organisatie, maar door organisatie tot alles te maken, en vitale godsvrucht van weinig belang.” –Fundamentals of Christian Education, blz. 253.

Aanvullende studie :: : -Van Jeruzalem tot Rome, blz. 140-148.

ZONDAG — 15 oktober

1. Leidende gaven in de Gemeente

A. Hoe moeten wij elkaar behandelen, ongeacht de gaven die wij kunnen bezitten? Noem enkele gaven, die als eerste worden genoemd.

Romeinen 12:10;

Romeinen 12:10: Hebt elkander hartelijk lief met broederlijke liefde; met eer de een de ander voorgaande.

1 Korinthe 12:28-30,

1 Korinthe 12:28: En God heeft er sommigen in de Gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna krachten, daarna gaven der gezondmakingen, behulpsels, regeringen, menigerlei talen. 1 Korinthe 12:29: Zijn zij allen apostelen? Zijn zij allen profeten? Zijn zij allen leraars? Zijn zij allen krachten? 1 Korinthe 12:30: Hebben zij allen gaven der gezondmakingen? Spreken zij allen met menigerlei talen? Zijn zij allen uitleggers?

1 Korintiërs 12:11.

1 Korinthe 12:11: Doch deze dingen alle werkt een en dezelfde Geest, delende aan een iegelijk in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wil.

B. Leg enkele taken van predikanten uit, en waarom is hun werk niet beperkt is tot één gemeente.

Johannes 21:15-17;

Johannes 21:15: Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon Petrus: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij liever dan dezen? Hij zeide tot Hem: Ja, Heere! Gij weet, dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Weid Mijn lammeren. Johannes 21:16: Hij zeide wederom tot hem ten tweeden maal: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief? Hij zeide tot Hem: Ja, Heere, gij weet, dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Hoed Mijn schapen. Johannes 21:17: Hij zeide tot hem ten derden maal: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat Hij ten derden maal tot hem zeide: Hebt gij Mij lief, en zeide tot Hem: Heere! Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik U liefheb. Jezus zeide tot hem: Weid Mijn schapen.

2 Korinthe 11:28;

2 Korinthe 11:28: Zonder de dingen, die van buiten zijn, overvalt mij dagelijks de zorg van al de Gemeenten.

Titus 1:5;

Titus 1:5: Om die oorzaak heb ik u te Kreta gelaten, opdat gij, hetgeen nog ontbrak, voorts zoudt te recht brengen, en dat gij van stad tot stad zoudt ouderlingen stellen, gelijk ik u bevolen heb:

1 Korinthe 4:17.

1 Korinthe 4:17: Daarom heb ik Timotheus tot u gezonden, die mijn lieve en getrouwe zoon is in den Heere, welke u zal indachtig maken mijn wegen, die in Christus zijn, gelijkerwijs ik alom in alle Gemeenten leer.

“De oudere predikanten moeten oppassen, dat ze niet door voorschrift of voorbeeld jonge mensen laten begrijpen, dat het werk van arbeiders in het veld bestaat uit preken. De opleiding, waaraan jonge predikers het meest behoefte hebben, is die welke hen in staat zal stellen om op de verschillende afdelingen van de zaak te werken en degenen te verlichten, die uitgeput raken van overwerk. Er zijn ook leken in de gemeente, die bekwaamheden hebben, die in dienst kunnen worden gesteld en die verantwoordelijk moeten worden gesteld voor een deel van het werk. Laat aan hen voelen, dat er geen leeglopers zijn in de wijngaard van de Heer.” –The Review and Herald, 24 juli 1883.

C. Wie selecteert de arbeiders en wat worden ze, als ze eenmaal gekozen zijn?

2 Korinthe 8:16-19,

2 Korinthe 8:16: Doch Gode zij dank, Die dezelfde naarstigheid voor u in het hart van Titus gegeven heeft; 2 Korinthe 8:17: Dat hij de vermaning heeft aangenomen, en zeer naarstig zijnde, gewillig tot u gereisd is. 2 Korinthe 8:18: En wij hebben ook met hem gezonden den broeder, die lof heeft in het Evangelie door al de Gemeenten; 2 Korinthe 8:19: En dat niet alleen, maar hij is ook van de Gemeenten verkoren, om met ons te reizen met deze gave, die van ons bediend wordt tot de heerlijkheid des Heeren Zelven, en de volvaardigheid uws gemoeds;

2 Korintiërs 8:23.

2 Korinthe 8:23: Hetzij dan Titus, hij is mijn metgezel en medearbeider bij u; hetzij onze broeders, zij zijn afgezanten der Gemeenten, en een eer van Christus.

“Mensen, wier leven niet heilig is, en die niet geschikt zijn om de tegenwoordige waarheid te verkondigen, gaan de wijngaard binnen zonder door de kerk of de broeders in het algemeen erkend te worden; en verwarring en onenigheid zijn er het gevolg van.” –Eerste Geschriften, blz. 109.

MAANDAG — 16 oktober

2. Verordinering

A. Wat is de rol van ouderlingen en hoe moeten we hen behandelen?

Handelingen 20:28;

Handelingen 20:28: Zo hebt dan acht op uzelven en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed.

1 Petrus 5:1-5;

1 Petrus 5:1: De ouderlingen, die onder u zijn, vermaan ik, die een medeouderling, en getuige des lijdens van Christus ben, en deelachtig der heerlijkheid, die geopenbaard zal worden: 1 Petrus 5:2: Weidt de kudde Gods, die onder u is, hebbende opzicht daarover, niet uit bedwang, maar gewilliglijk; noch om vuil gewin, maar met een volvaardig gemoed; 1 Petrus 5:3: Noch als heerschappij voerende over het erfdeel des Heeren maar als voorbeelden der kudde geworden zijnde. 1 Petrus 5:4: En als de overste Herder verschenen zal zijn, zo zult gij de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid behalen. 1 Petrus 5:5: Desgelijks gij jongen, zijt den ouden onderdanig; en zijt allen elkander onderdanig; zijt met de ootmoedigheid bekleed; want God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade.

Jakobus 5:14;

Jakobus 5:14: Is iemand krank onder u? Dat hij tot zich roepe de ouderlingen der Gemeente, en dat zij over hem bidden, hem zalvende met olie in den Naam des Heeren.

Hebreeën 13:17-18.

Hebreeën 13:17: Zijt uw voorgangeren gehoorzaam, en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uw zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig. Hebreeën 13:18: Bidt voor ons; want wij vertrouwen, dat wij een goed geweten hebben, als die in alles willen eerlijk wandelen.

B. Beschrijf het proces van verordinering en verklaar, wanneer het passend is.

Handelingen 6:1-3,

Handelingen 6:1: En in dezelfde dagen, als de discipelen vermenigvuldigden, ontstond een murmurering der Grieksen tegen de Hebreen, omdat hun weduwen in de dagelijkse bediening verzuimd werden. Handelingen 6:2: En de twaalven riepen de menigte der discipelen tot zich, en zeiden: Het is niet behoorlijk, dat wij het Woord Gods nalaten, en de tafelen dienen. Handelingen 6:3: Ziet dan om, broeders, naar zeven mannen uit u, die goede getuigenis hebben, vol des Heiligen Geestes en der wijsheid, welke wij mogen stellen over deze nodige zaak.

Handelingen 6:6;

Handelingen 6:6: Welken zij voor de apostelen stelden; en dezen, als zij gebeden hadden, legden hun de handen op.

Handelingen 14:23;

Handelingen 14:23: En als zij in elke Gemeente, met opsteken der handen, ouderlingen verkoren hadden, gebeden hebbende met vasten, bevalen zij hen den Heere, in Welken zij geloofd hadden.

1 Timótheüs 4:14;

1 Timotheüs 4:14: Verzuim de gave niet, die in u is, die u gegeven is door de profetie, met oplegging der handen des ouderlingschaps.

Titus 1:7-9.

Titus 1:7: Want een opziener moet onberispelijk zijn, als een huisverzorger Gods, niet eigenzinnig, niet genegen tot toornigheid, niet genegen tot den wijn, geen smijter, geen vuil-gewinzoeker; Titus 1:8: Maar die gaarne herbergt, die de goeden liefheeft, matig, rechtvaardig, heilig, kuis; Titus 1:9: Die vasthoudt aan het getrouwe woord, dat naar de leer is, opdat hij machtig zij, beide om te vermanen door de gezonde leer, en om de tegensprekers te wederleggen.

“Wanneer verantwoordelijkheden aan een individu moeten worden toevertrouwd, wordt niet de vraag gesteld of hij welbespraakt of rijk is, maar of hij eerlijk, trouw en ijverig is; want wat zijn bekwaamheden ook moge zijn, zonder deze verdiensten is hij volkomen ongeschikt voor iedere vertrouwenspositie.” –Testimonies for the Church, vol. 4, blz. 413.

“Ik zag, dat u dacht, dat die en die geroepen waren om in het veld te werken, terwijl u er niets van af wist. U kunt het hart niet lezen. Als u de waarheid van de boodschap van de derde engel diep had gedronken, zou u niet zo vrij zijn om te zeggen, wie door God geroepen waren en wie niet. Het feit, dat iemand goed kan bidden en praten, is geen bewijs, dat God hem geroepen heeft. Iedereen heeft een invloed, en die invloed moet voor God spreken; maar de vraag of deze of gene zijn tijd moet besteden aan arbeid voor zielen, is van het grootste belang, en niemand anders dan God kan beslissen, wie zich zal bezighouden met het plechtige werk. Er waren goede mannen in de dagen van de apostelen, mannen die met kracht konden bidden en duidelijk konden praten; toch durfden de apostelen, die macht hadden over onreine geesten en zieken konden genezen, niet alleen met hun wijsheid iemand apart zetten voor het heilige werk om spreekbuis voor God te zijn. Ze wachtten op onmiskenbaar bewijs van de manifestatie van de Heilige Geest. Ik zag, dat God Zijn uitverkoren dienaren de plicht had opgelegd om te beslissen, wie geschikt was voor het heilige werk; en in eendracht met de gemeente en de manifeste tekenen van de Heilige Geest, moesten ze beslissen, wie moest gaan en wie niet geschikt was om te gaan. Ik zag in, dat als het hier en daar aan een paar individuen zou worden overgelaten om te beslissen, wie geschikt was voor dit grote werk, verwarring en afleiding overal de vrucht zou zijn.” –Testimonies for the Church, vol. 1, blz. 208-209.

“Dezelfde beginselen van vroomheid en rechtvaardigheid, waardoor de bestuurders van Gods volk zich in de tijden van Mozes en van David moesten laten leiden, moesten ook worden gevolgd door degenen, aan wie het toezicht van de nieuw georganiseerde gemeente van God in de christelijke bedeling was opgedragen. Bij het regelen van zaken in alle gemeenten en bij de inzegening van geschikte personen om als ambtdragers dienst te doen, hielden de apostelen zich aan de hoge maatstaven, die in het Oude Testament staan aangegeven.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 68.

DINSDAG — 17 oktober

3. Openlijke zonde

A. Hoe moeten wij omgaan met zonde in de gemeente?

Matthéüs 18:15-20;

Mattheüs 18:15: Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; indien hij u hoort, zo hebt gij uw broeder gewonnen. Mattheüs 18:16: Maar indien hij u niet hoort, zo neem nog een of twee met u; opdat in de mond van twee of drie getuigen alle woord besta. Mattheüs 18:17: En indien hij denzelven geen gehoor geeft; zo zeg het der gemeente; en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar. Mattheüs 18:18: Voorwaar zeg Ik u: Al wat gij op de aarde binden zult, zal in de hemel gebonden wezen; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen. Mattheüs 18:19: Wederom zeg Ik u: Indien er twee van u samenstemmen op de aarde, over enige zaak, die zij zouden mogen begeren, dat die hun zal geschieden van Mijn Vader, Die in de hemelen is. Mattheüs 18:20: Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen.

Jakobus 5:19-20.

Jakobus 5:19: Broeders, indien iemand onder u van de waarheid is afgedwaald, en hem iemand bekeert, Jakobus 5:20: Die wete, dat degene, die een zondaar van de dwaling zijns wegs bekeert, een ziel van den dood zal behouden, en menigte der zonden zal bedekken.

Wat is de enige manier om weer toe te treden, als iemand eenmaal is gescheiden van het gemeentelidmaatschap?

Handelingen 2:38.

Handelingen 2:38: En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen.

“U heeft uzelf verontschuldigd voor het kwaad spreken over uw broeder of zuster of naaste tegen anderen, voordat u naar hem toe gaat en de stappen onderneemt, die God absoluut bevolen heeft. U zegt: ‘Waarom, ik heb met niemand gesproken, ik was zo belast, dat ik het niet kon laten.’ Wat belastte u? Was het niet een duidelijke verwaarlozing van uw eigen plicht, van zo zegt de Heer? U stond onder de schuld van de zonde, omdat u de overtreder niet zijn fout ging vertellen tussen u en hem alleen. Als u dit niet deed, als u God ongehoorzaam was, hoe kon u dan anders zijn dan belast, tenzij uw hart verhard was, terwijl u het gebod van God met voeten trad en in uw hart uw broeder of naaste haatte? En welke manier hebt u gevonden om uzelf te ontlasten? God berispt u voor een zonde van nalatigheid door uw broeder zijn fout niet te vertellen, en u excuseert en troost uzelf door een zonde te begaan door de fouten van uw broeder aan een andere persoon te vertellen! Is dit de juiste manier om welbehagen te verwerven, door zonde te begaan?” –Testimonies for the Church, vol. 2, blz. 53.

“Pas wanneer gij gevoelt, dat ge uw eigen waarde zoudt kunnen opofferen, en zelfs uw leven zoudt kunnen afleggen om een dwalende broeder te redden, hebt u de balk uit uw eigen oog weggedaan, zodat u gereed bent om uw broeder te helpen. Dan kunt u hem benaderen en zijn hart raken. Niemand is ooit van een verkeerde houding afgebracht door veroordeling en verwijten; maar velen zijn op deze wijze van Christus weggedreven, en zijn ertoe gebracht hun harten te sluiten voor hun overtuiging. Een tedere geest, een zachtmoedig, innemend gedrag, kan de dwalende behouden, en een menigte zonden verbergen. De openbaring van Christus in ons eigen karakter zal een hervormende kracht hebben over allen, met wie u in aanraking komt.” –Gedachten van de Berg der Zaligsprekingen, blz., 112-113.

B. Moeten alle zonden

Matthéüs 18

[Matt.18]

volgen? Verklaar.

1 Timótheüs 5:20.

1 Timotheüs 5:20: Bestraf die zondigen in tegenwoordigheid van allen, opdat ook de anderen vreze mogen hebben.

“(De) echtgenoot (van een bepaalde zuster) leek zich onverzoenlijk te voelen voor het feit, dat ik haar fouten voor de gemeente naar buiten bracht en verklaarde, dat als zuster White de aanwijzingen van onze Heer in Matthéüs 18:15-17 had opgevolgd, hij zich niet gekwetst had moeten voelen…

Mijn man verklaarde toen, dat hij moest begrijpen, dat deze woorden van onze Heer betrekking hadden op gevallen van persoonlijke overtreding en niet konden worden toegepast in het geval van deze zuster. Zij had geen overtreding begaan tegen zuster White. Maar dat wat in het openbaar was terechtgewezen, was publiekelijk onrecht, dat de welvaart van de gemeente en de zaak bedreigde.” –Testimonies for the Church, vol. 2, blz. 15.

WOENSDAG — 18 oktober

4. Vastleggen van leerstellingen

A. Beslist elk gemeentelid over leerstellige kwesties?

Handelingen 15:3-6.

Handelingen 15:3: Zij dan, van de Gemeente uitgeleid zijnde, reisden door Fenicie en Samarie, verhalende de bekering der heidenen; en deden al den broederen grote blijdschap aan. Handelingen 15:4: En te Jeruzalem gekomen zijnde, werden zij ontvangen van de Gemeente, en de apostelen, en de ouderlingen; en zij verkondigden, wat grote dingen God met hen gedaan had. Handelingen 15:5: Maar, zeiden zij, er zijn sommigen opgestaan van die van de sekte der Farizeen, die gelovig zijn geworden, zeggende, dat men hen moet besnijden, en gebieden de wet van Mozes te onderhouden. Handelingen 15:6: En de apostelen en de ouderlingen vergaderden te zamen, om op deze zaak te letten.

“Het hele lichaam van christenen werd niet opgeroepen om over de kwestie te stemmen. De apostelen en ouderlingen, mannen van invloed en oordeel, stelden het decreet op en vaardigden het uit, dat vervolgens algemeen aanvaard werd door de christelijke gemeenten.” –Sketches From the Life of Paul, blz. 70.

“Elk lid van de gemeente heeft een stem om gemeentebeambten te kiezen. De gemeenten kiezen de beambten van de Conferenties. Afgevaardigden gekozen door de Conferenties, kiezen de beambten van de Unie, en afgevaardigden, gekozen door de Unies, kiezen de beambten van de Generale Conferentie. Door dit stelsel heeft elke Conferentie, elke instelling, elke gemeente en ieder lid persoonlijk, hetzij rechtstreeks of door middel van afgevaardigden, een stem in de verkiezing van de mannen, die de grootste verantwoordelijkheden in de Generale Conferentie dragen.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 3, blz. 247.

B. Als er eenmaal een officiële beslissing is genomen, hoe moeten we die beslissing dan behandelen en welk effect heeft dat op het hele lichaam?

Handelingen 15:22-30;

Handelingen 15:22: Toen heeft het den apostelen en den ouderlingen, met de gehele Gemeente, goed gedacht, enige mannen uit zich te verkiezen, en met Paulus en Barnabas te zenden naar Antiochie: namelijk Judas, die toegenaamd wordt Barsabas, en Silas, mannen, die voorgangers waren onder de broeders. Handelingen 15:23: En zij schreven door hen dit navolgende: De apostelen, en de ouderlingen, en de broeders wensen den broederen uit de heidenen, die in Antiochie, en Syrie, en Cilicie zijn, zaligheid. Handelingen 15:24: Nademaal wij gehoord hebben, dat sommigen, die van ons uitgegaan zijn, u met woorden ontroerd hebben en uw zielen wankelende gemaakt, zeggende, dat gij moet besneden worden, en de wet onderhouden; welken wij dat niet bevolen hadden; Handelingen 15:25: Zo heeft het ons eendrachtelijk te zamen zijnde, goed gedacht, enige mannen te verkiezen, en tot u te zenden, met onze geliefden, Barnabas en Paulus. Handelingen 15:26: Mensen, die hun zielen overgegeven hebben voor den Naam van onzen Heere Jezus Christus. Handelingen 15:27: Wij hebben dan Judas en Silas gezonden, die ook met den mond hetzelfde zullen verkondigen. Handelingen 15:28: Want het heeft den Heiligen Geest en ons goed gedacht, ulieden geen meerderen last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen: Handelingen 15:29: Namelijk, dat gij u onthoudt van hetgeen den afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte, en van hoererij; van welke dingen, indien gij uzelven wacht, zo zult gij weldoen. Vaart wel. Handelingen 15:30: Dezen dan, hun afscheid ontvangen hebbende, kwamen te Antiochie; en de menigte vergaderd hebbende, gaven zij den brief over.

Handelingen 16:4-5.

Handelingen 16:4: En alzo zij de steden doorreisden, gaven zij hun de verordeningen over, die van de apostelen en de ouderlingen te Jeruzalem goed gevonden waren, om die te onderhouden. Handelingen 16:5: De Gemeenten dan werden bevestigd in het geloof, en werden dagelijks overvloediger in getal.

C. Wat als individuele leden of arbeiders zulke beslissingen weigeren?

Matthéüs 15:14;

Mattheüs 15:14: Laat hen varen; zij zijn blinde leidslieden der blinden. Indien nu de blinde den blinde leidt, zo zullen zij beiden in de gracht vallen.

Openbaring 2:1-2;

Openbaring 2:1: Schrijf aan den engel der Gemeente van Efeze: Dit zegt Hij, Die de zeven sterren in Zijn rechter hand houdt, Die in het midden der zeven gouden kandelaren wandelt: Openbaring 2:2: Ik weet uw werken, en uw arbeid, en uw lijdzaamheid, en dat gij de kwaden niet kunt dragen; en dat gij beproefd hebt degenen, die uitgeven, dat zij apostelen zijn, en zij zijn het niet; en hebt ze leugenaars bevonden;

Romeinen 16:17.

Romeinen 16:17: En ik bid u, broeders, neemt acht op degenen, die tweedracht en ergernissen aanrichten tegen de leer, die gij van ons geleerd hebt; en wijkt af van dezelve.

“Er liggen wel duizend verborgen verleidingen klaar voor hen, die het licht van de waarheid hebben, en de enige veiligheid voor wie dan ook onder ons ligt in het niet aannemen van een nieuwe eerstelling of een nieuwe uitleg van de Schriften, zonder dit eerst aan ervaren broeders voor te leggen. Leg het hun voor met een nederige, ontvankelijke geest, onder ernstig gebed; als zij er geen licht in zien, onderwerp u dan aan hun oordeel, want, ’er is redding, als er vele raadgevers zijn’.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 238.

“God leidt een volk eruit, niet een paar afzonderlijke individuen hier en daar, de één gelooft dit, de ander dat. Engelen van God doen het werk, dat hun is toevertrouwd. De derde engel leidt een volk eruit en reinigt het, en ze moeten eensgezind met hem meegaan. Sommigen rennen voor de engelen uit, die dit volk leiden; maar ze moeten op hun schreden terugkeren en gedwee volgen, niet sneller dan de engelen leiden. Ik zag, dat de engelen van God Zijn volk niet sneller zouden leiden dan dat ze de belangrijke waarheden, die aan hen werden meegedeeld, konden ontvangen en ernaar handelen. Maar sommige rusteloze geesten doen niet meer dan de helft van hun werk. Terwijl de engel hen leidt, haasten ze zich naar iets nieuws en haasten zich verder zonder goddelijke leiding, en brengen zo verwarring en onenigheid in de gelederen.” –Testimonies for the Church, vol. 1, blz. 207.

DONDERDAG — 19 oktober

5. Gods zorg

A. Hoe kijkt God naar Zijn gemeente?

Deuteronomium 32:9-10;

Deuteronomium 32:9: Want des HEEREN deel is Zijn volk, Jakob is het snoer Zijner erve. Deuteronomium 32:10: Hij vond hem in een land der woestijn, en in een woeste huilende wildernis; Hij voerde hem rondom, Hij onderwees hem, Hij bewaarde hem als Zijn oogappel.

Zacharia 2:8.

Zacharia 2:8: Want zo zegt de HEERE der heirscharen: Naar de heerlijkheid over u, heeft Hij mij gezonden tot die heidenen, die ulieden beroofd hebben; want die ulieden aanraakt, die raakt Zijn oogappel aan.

“Toen de Heer de Joodse natie koos en hen beval zich niet te verenigen met een ander volk, was dat opdat ze niet zouden worden verdorven, opdat het licht aan hen zou worden meegedeeld om aan de wereld te worden gegeven. Weigerde de Heer om Zijn licht op andere volken te laten schijnen? Nee; maar die afgodische volken wierpen barrières op, brachten hindernissen naar voren en keerden zich steeds verder af van het licht; ze gingen steeds dieper in de morele duisternis en werden steeds meer verblind. Eén volk moest de bewaarder van de heilige waarheid worden, zodat er tenminste één kanaal zou zijn, waardoor de lichtstralen naar de wereld konden schijnen. Dus in dit tijdperk heeft God Zijn volk de meest heilige waarheid toevertrouwd; Hij bedoelt, dat ze licht zullen hebben om uit te stralen in de duisternis, die hen omringt.” –The Ellen G. White 1888 Materials, blz. 1012.

“Als we onszelf aan de kant van God plaatsen, van Christus en de hemelse wezens, dan is het brede schild van de Almachtige over ons, de machtige God van Israël is onze helper, en we hoeven niet te vrezen. Zij, die het volk van God aanraken, raken Zijn oogappel aan.” –The Ellen G. White 1888 Materials, blz. 903.

B. Wat voor gemeente zal klaar zijn voor Jezus?

Titus 2:11-14;

Titus 2:11: Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen. Titus 2:12: En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig, en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld; Titus 2:13: Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van den groten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus; Titus 2:14: Die Zichzelven voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken.

1 Johannes 3:2-3.

1 Johannes 3:2: Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. 1 Johannes 3:3: En een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is.

“Door Zijn (Christus’) volmaakte gehoorzaamheid heeft Hij het voor ieder mens mogelijk gemaakt Gods geboden te gehoorzamen. Als wij ons aan Christus onderwerpen, wordt ons hart één met Zijn hart, onze wil gaat op in Zijn wil, onze geest wordt één met Zijn geest, en onze gedachten worden aan Hem onderworpen. Wij leven Zijn leven. Dit wordt bedoeld met het dragen van het kleed van Zijn gerechtigheid.” –Lessen uit het Leven van Alledag, blz. 191.

VRIJDAG — 20 oktober

Terugblik

1. Wie geeft de gaven aan de gemeente en wie bepaalt, hoe zij worden gebruikt?

2. Noem enkele belangrijke beginsels om in gedachten te houden met betrekking tot de aanstelling van arbeiders.

3. Maak een onderscheid tussen de manier, waarop persoonlijke zonden en openbare zonden moeten worden aangepakt.

4. Wie moet leerstellige kwesties oplossen en hoe moeten we dergelijke beslissingen beschouwen?

5. Hoe wordt Gods zorg voor Zijn volk op aarde afgebeeld en welk karakter moeten zij hebben, als Jezus terugkomt?