Tekst om te onthouden: “Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is”
1 Johannes 3:2
“Het kwaad ontstaat niet door organisatie, maar door organisatie tot alles te maken, en vitale godsvrucht van weinig belang.” –Fundamentals of Christian Education, blz. 253.
Aanvullende studie :: : -Van Jeruzalem tot Rome, blz. 140-148.
A. Hoe moeten wij elkaar behandelen, ongeacht de gaven die wij kunnen bezitten? Noem enkele gaven, die als eerste worden genoemd.
Romeinen 12:10;
1 Korinthe 12:28-30,
1 Korintiërs 12:11.
B. Leg enkele taken van predikanten uit, en waarom is hun werk niet beperkt is tot één gemeente.
Johannes 21:15-17;
2 Korinthe 11:28;
Titus 1:5;
1 Korinthe 4:17.
“De oudere predikanten moeten oppassen, dat ze niet door voorschrift of voorbeeld jonge mensen laten begrijpen, dat het werk van arbeiders in het veld bestaat uit preken. De opleiding, waaraan jonge predikers het meest behoefte hebben, is die welke hen in staat zal stellen om op de verschillende afdelingen van de zaak te werken en degenen te verlichten, die uitgeput raken van overwerk. Er zijn ook leken in de gemeente, die bekwaamheden hebben, die in dienst kunnen worden gesteld en die verantwoordelijk moeten worden gesteld voor een deel van het werk. Laat aan hen voelen, dat er geen leeglopers zijn in de wijngaard van de Heer.” –The Review and Herald, 24 juli 1883.
C. Wie selecteert de arbeiders en wat worden ze, als ze eenmaal gekozen zijn?
2 Korinthe 8:16-19,
2 Korintiërs 8:23.
“Mensen, wier leven niet heilig is, en die niet geschikt zijn om de tegenwoordige waarheid te verkondigen, gaan de wijngaard binnen zonder door de kerk of de broeders in het algemeen erkend te worden; en verwarring en onenigheid zijn er het gevolg van.” –Eerste Geschriften, blz. 109.
A. Wat is de rol van ouderlingen en hoe moeten we hen behandelen?
Handelingen 20:28;
1 Petrus 5:1-5;
Jakobus 5:14;
Hebreeën 13:17-18.
B. Beschrijf het proces van verordinering en verklaar, wanneer het passend is.
Handelingen 6:1-3,
Handelingen 6:6;
Handelingen 14:23;
1 Timótheüs 4:14;
Titus 1:7-9.
“Wanneer verantwoordelijkheden aan een individu moeten worden toevertrouwd, wordt niet de vraag gesteld of hij welbespraakt of rijk is, maar of hij eerlijk, trouw en ijverig is; want wat zijn bekwaamheden ook moge zijn, zonder deze verdiensten is hij volkomen ongeschikt voor iedere vertrouwenspositie.” –Testimonies for the Church, vol. 4, blz. 413.
“Ik zag, dat u dacht, dat die en die geroepen waren om in het veld te werken, terwijl u er niets van af wist. U kunt het hart niet lezen. Als u de waarheid van de boodschap van de derde engel diep had gedronken, zou u niet zo vrij zijn om te zeggen, wie door God geroepen waren en wie niet. Het feit, dat iemand goed kan bidden en praten, is geen bewijs, dat God hem geroepen heeft. Iedereen heeft een invloed, en die invloed moet voor God spreken; maar de vraag of deze of gene zijn tijd moet besteden aan arbeid voor zielen, is van het grootste belang, en niemand anders dan God kan beslissen, wie zich zal bezighouden met het plechtige werk. Er waren goede mannen in de dagen van de apostelen, mannen die met kracht konden bidden en duidelijk konden praten; toch durfden de apostelen, die macht hadden over onreine geesten en zieken konden genezen, niet alleen met hun wijsheid iemand apart zetten voor het heilige werk om spreekbuis voor God te zijn. Ze wachtten op onmiskenbaar bewijs van de manifestatie van de Heilige Geest. Ik zag, dat God Zijn uitverkoren dienaren de plicht had opgelegd om te beslissen, wie geschikt was voor het heilige werk; en in eendracht met de gemeente en de manifeste tekenen van de Heilige Geest, moesten ze beslissen, wie moest gaan en wie niet geschikt was om te gaan. Ik zag in, dat als het hier en daar aan een paar individuen zou worden overgelaten om te beslissen, wie geschikt was voor dit grote werk, verwarring en afleiding overal de vrucht zou zijn.” –Testimonies for the Church, vol. 1, blz. 208-209.
“Dezelfde beginselen van vroomheid en rechtvaardigheid, waardoor de bestuurders van Gods volk zich in de tijden van Mozes en van David moesten laten leiden, moesten ook worden gevolgd door degenen, aan wie het toezicht van de nieuw georganiseerde gemeente van God in de christelijke bedeling was opgedragen. Bij het regelen van zaken in alle gemeenten en bij de inzegening van geschikte personen om als ambtdragers dienst te doen, hielden de apostelen zich aan de hoge maatstaven, die in het Oude Testament staan aangegeven.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 68.
A. Hoe moeten wij omgaan met zonde in de gemeente?
Matthéüs 18:15-20;
Jakobus 5:19-20.
Wat is de enige manier om weer toe te treden, als iemand eenmaal is gescheiden van het gemeentelidmaatschap?
Handelingen 2:38.
“U heeft uzelf verontschuldigd voor het kwaad spreken over uw broeder of zuster of naaste tegen anderen, voordat u naar hem toe gaat en de stappen onderneemt, die God absoluut bevolen heeft. U zegt: ‘Waarom, ik heb met niemand gesproken, ik was zo belast, dat ik het niet kon laten.’ Wat belastte u? Was het niet een duidelijke verwaarlozing van uw eigen plicht, van zo zegt de Heer? U stond onder de schuld van de zonde, omdat u de overtreder niet zijn fout ging vertellen tussen u en hem alleen. Als u dit niet deed, als u God ongehoorzaam was, hoe kon u dan anders zijn dan belast, tenzij uw hart verhard was, terwijl u het gebod van God met voeten trad en in uw hart uw broeder of naaste haatte? En welke manier hebt u gevonden om uzelf te ontlasten? God berispt u voor een zonde van nalatigheid door uw broeder zijn fout niet te vertellen, en u excuseert en troost uzelf door een zonde te begaan door de fouten van uw broeder aan een andere persoon te vertellen! Is dit de juiste manier om welbehagen te verwerven, door zonde te begaan?” –Testimonies for the Church, vol. 2, blz. 53.
“Pas wanneer gij gevoelt, dat ge uw eigen waarde zoudt kunnen opofferen, en zelfs uw leven zoudt kunnen afleggen om een dwalende broeder te redden, hebt u de balk uit uw eigen oog weggedaan, zodat u gereed bent om uw broeder te helpen. Dan kunt u hem benaderen en zijn hart raken. Niemand is ooit van een verkeerde houding afgebracht door veroordeling en verwijten; maar velen zijn op deze wijze van Christus weggedreven, en zijn ertoe gebracht hun harten te sluiten voor hun overtuiging. Een tedere geest, een zachtmoedig, innemend gedrag, kan de dwalende behouden, en een menigte zonden verbergen. De openbaring van Christus in ons eigen karakter zal een hervormende kracht hebben over allen, met wie u in aanraking komt.” –Gedachten van de Berg der Zaligsprekingen, blz., 112-113.
B. Moeten alle zonden
Matthéüs 18
volgen? Verklaar.
1 Timótheüs 5:20.
“(De) echtgenoot (van een bepaalde zuster) leek zich onverzoenlijk te voelen voor het feit, dat ik haar fouten voor de gemeente naar buiten bracht en verklaarde, dat als zuster White de aanwijzingen van onze Heer in Matthéüs 18:15-17 had opgevolgd, hij zich niet gekwetst had moeten voelen…
Mijn man verklaarde toen, dat hij moest begrijpen, dat deze woorden van onze Heer betrekking hadden op gevallen van persoonlijke overtreding en niet konden worden toegepast in het geval van deze zuster. Zij had geen overtreding begaan tegen zuster White. Maar dat wat in het openbaar was terechtgewezen, was publiekelijk onrecht, dat de welvaart van de gemeente en de zaak bedreigde.” –Testimonies for the Church, vol. 2, blz. 15.
A. Beslist elk gemeentelid over leerstellige kwesties?
Handelingen 15:3-6.
“Het hele lichaam van christenen werd niet opgeroepen om over de kwestie te stemmen. De apostelen en ouderlingen, mannen van invloed en oordeel, stelden het decreet op en vaardigden het uit, dat vervolgens algemeen aanvaard werd door de christelijke gemeenten.” –Sketches From the Life of Paul, blz. 70.
“Elk lid van de gemeente heeft een stem om gemeentebeambten te kiezen. De gemeenten kiezen de beambten van de Conferenties. Afgevaardigden gekozen door de Conferenties, kiezen de beambten van de Unie, en afgevaardigden, gekozen door de Unies, kiezen de beambten van de Generale Conferentie. Door dit stelsel heeft elke Conferentie, elke instelling, elke gemeente en ieder lid persoonlijk, hetzij rechtstreeks of door middel van afgevaardigden, een stem in de verkiezing van de mannen, die de grootste verantwoordelijkheden in de Generale Conferentie dragen.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 3, blz. 247.
B. Als er eenmaal een officiële beslissing is genomen, hoe moeten we die beslissing dan behandelen en welk effect heeft dat op het hele lichaam?
Handelingen 15:22-30;
Handelingen 16:4-5.
C. Wat als individuele leden of arbeiders zulke beslissingen weigeren?
Matthéüs 15:14;
Openbaring 2:1-2;
Romeinen 16:17.
“Er liggen wel duizend verborgen verleidingen klaar voor hen, die het licht van de waarheid hebben, en de enige veiligheid voor wie dan ook onder ons ligt in het niet aannemen van een nieuwe eerstelling of een nieuwe uitleg van de Schriften, zonder dit eerst aan ervaren broeders voor te leggen. Leg het hun voor met een nederige, ontvankelijke geest, onder ernstig gebed; als zij er geen licht in zien, onderwerp u dan aan hun oordeel, want, ’er is redding, als er vele raadgevers zijn’.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 238.
“God leidt een volk eruit, niet een paar afzonderlijke individuen hier en daar, de één gelooft dit, de ander dat. Engelen van God doen het werk, dat hun is toevertrouwd. De derde engel leidt een volk eruit en reinigt het, en ze moeten eensgezind met hem meegaan. Sommigen rennen voor de engelen uit, die dit volk leiden; maar ze moeten op hun schreden terugkeren en gedwee volgen, niet sneller dan de engelen leiden. Ik zag, dat de engelen van God Zijn volk niet sneller zouden leiden dan dat ze de belangrijke waarheden, die aan hen werden meegedeeld, konden ontvangen en ernaar handelen. Maar sommige rusteloze geesten doen niet meer dan de helft van hun werk. Terwijl de engel hen leidt, haasten ze zich naar iets nieuws en haasten zich verder zonder goddelijke leiding, en brengen zo verwarring en onenigheid in de gelederen.” –Testimonies for the Church, vol. 1, blz. 207.
A. Hoe kijkt God naar Zijn gemeente?
Deuteronomium 32:9-10;
Zacharia 2:8.
“Toen de Heer de Joodse natie koos en hen beval zich niet te verenigen met een ander volk, was dat opdat ze niet zouden worden verdorven, opdat het licht aan hen zou worden meegedeeld om aan de wereld te worden gegeven. Weigerde de Heer om Zijn licht op andere volken te laten schijnen? Nee; maar die afgodische volken wierpen barrières op, brachten hindernissen naar voren en keerden zich steeds verder af van het licht; ze gingen steeds dieper in de morele duisternis en werden steeds meer verblind. Eén volk moest de bewaarder van de heilige waarheid worden, zodat er tenminste één kanaal zou zijn, waardoor de lichtstralen naar de wereld konden schijnen. Dus in dit tijdperk heeft God Zijn volk de meest heilige waarheid toevertrouwd; Hij bedoelt, dat ze licht zullen hebben om uit te stralen in de duisternis, die hen omringt.” –The Ellen G. White 1888 Materials, blz. 1012.
“Als we onszelf aan de kant van God plaatsen, van Christus en de hemelse wezens, dan is het brede schild van de Almachtige over ons, de machtige God van Israël is onze helper, en we hoeven niet te vrezen. Zij, die het volk van God aanraken, raken Zijn oogappel aan.” –The Ellen G. White 1888 Materials, blz. 903.
B. Wat voor gemeente zal klaar zijn voor Jezus?
Titus 2:11-14;
1 Johannes 3:2-3.
“Door Zijn (Christus’) volmaakte gehoorzaamheid heeft Hij het voor ieder mens mogelijk gemaakt Gods geboden te gehoorzamen. Als wij ons aan Christus onderwerpen, wordt ons hart één met Zijn hart, onze wil gaat op in Zijn wil, onze geest wordt één met Zijn geest, en onze gedachten worden aan Hem onderworpen. Wij leven Zijn leven. Dit wordt bedoeld met het dragen van het kleed van Zijn gerechtigheid.” –Lessen uit het Leven van Alledag, blz. 191.
1. Wie geeft de gaven aan de gemeente en wie bepaalt, hoe zij worden gebruikt?
2. Noem enkele belangrijke beginsels om in gedachten te houden met betrekking tot de aanstelling van arbeiders.
3. Maak een onderscheid tussen de manier, waarop persoonlijke zonden en openbare zonden moeten worden aangepakt.
4. Wie moet leerstellige kwesties oplossen en hoe moeten we dergelijke beslissingen beschouwen?
5. Hoe wordt Gods zorg voor Zijn volk op aarde afgebeeld en welk karakter moeten zij hebben, als Jezus terugkomt?