Les 9 — SABBAT, 26 november 2022
Dankoffers en zorg voor de armen
Tekst om te onthouden
Tekst om te onthouden: “Wat zal ik de Heere vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen?”
Psalm 116:12
“Onze zelfverloochenende liefdadigheid, onze vrijwillige offers, moeten bewijzen, dat de waarheid haar werk in ons hart heeft gedaan.” –The Review and Herald, 14 juli 1904.
Aanvullende studie :: -Testimonies for the Church, vol. 3, blz. 390-399;; -Testimonies for the Church, vol. 4, blz. 462-476.
A. Waaraan worden wij herinnerd, als wij het eigenaarschap van de wereld beschouwen?
3Want de HEERE is een groot God; ja, een groot Koning boven alle goden;
4In Wiens hand de diepste plaatsen der aarde zijn, en de hoogten der bergen zijn Zijne;
5Wiens ook de zee is, want Hij heeft ze gemaakt; en Zijn handen hebben het droge geformeerd.
Bijbeltekst niet gevonden: 1Cor.6.19.b
Bijbeltekst niet gevonden: 1Cor.6
“God heeft Zijn hand gelegd op alle dingen, zowel op de mens als op zijn bezittingen; want alles behoort aan Hem toe. Hij zegt: Ik ben de eigenaar van de wereld; het universum is van Mij, en Ik eis van u, dat u de eerstelingen van alles, wat Ik, door Mijn zegen, in uw handen heb doen komen, aan Mijn dienst wijdt.” –Counsels on Stewardship, blz. 72.
“Ons geld is niet ons geld. Huizen en landeriijen, schilderijen en meubels, kleding en luxe artikelen: het behoort ons niet toe. We zijn pelgrims, vreemdelingen. We ontvangen alleen de dingen, die voor ons leven en onze gezondheid enoodzakelijk zijn. Tijdelijke zegeningen zijn ons als pand toevertrouwd, om te zien, of wij eeuwige rijkdommen waard zijn. Als we deze toets van God doorstaan, ontvangen we een eeuwig eigendom, dat helemaal van ons zal zijn, heerlijkheid, eer en onsterfelijkheid.Als ons volk zijn geld maar voor Gods zaak wilde geven, geld, dat ze te leen hebben; geld dat ze aan zelfzuchtig genot en afgoderij uitgeven, dan zouden zij een schat in de hemel opsparen. Ze doen dan precies, wat God van hen vraagt. Maar zij leven in weelde als de rijke man uit de gelijkenis. Ze geven geld, dat hen in vertrouwen geleend is om tot eer van Zijn naam te gebruiken, met handenvol tegelijk uit. Ze staan niet even stil bij hun verantwoordelijkheid tegenover God. Ze staan er niet stil bij de dag van afrekening,die niet ver weg meer is. Dan moeten ze rekenschap afleggen van hun taak als rentmeester.” –Het Bijbels Gezin, blz. 302.