Tekst om te onthouden: “Wat zal ik de Heere vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen?”
Psalm 116:12
“Onze zelfverloochenende liefdadigheid, onze vrijwillige offers, moeten bewijzen, dat de waarheid haar werk in ons hart heeft gedaan.” –The Review and Herald, 14 juli 1904.
Aanvullende studie :: -Testimonies for the Church, vol. 3, blz. 390-399;; -Testimonies for the Church, vol. 4, blz. 462-476.
A. Waaraan worden wij herinnerd, als wij het eigenaarschap van de wereld beschouwen?
Psalm 95:3-5;
Spreuken 3:9;
1 Korinthe 6:19 (laatste deel)
1 Korintiërs 6:-20.
“God heeft Zijn hand gelegd op alle dingen, zowel op de mens als op zijn bezittingen; want alles behoort aan Hem toe. Hij zegt: Ik ben de eigenaar van de wereld; het universum is van Mij, en Ik eis van u, dat u de eerstelingen van alles, wat Ik, door Mijn zegen, in uw handen heb doen komen, aan Mijn dienst wijdt.” –Counsels on Stewardship, blz. 72.
“Ons geld is niet ons geld. Huizen en landeriijen, schilderijen en meubels, kleding en luxe artikelen: het behoort ons niet toe. We zijn pelgrims, vreemdelingen. We ontvangen alleen de dingen, die voor ons leven en onze gezondheid enoodzakelijk zijn. Tijdelijke zegeningen zijn ons als pand toevertrouwd, om te zien, of wij eeuwige rijkdommen waard zijn. Als we deze toets van God doorstaan, ontvangen we een eeuwig eigendom, dat helemaal van ons zal zijn, heerlijkheid, eer en onsterfelijkheid.Als ons volk zijn geld maar voor Gods zaak wilde geven, geld, dat ze te leen hebben; geld dat ze aan zelfzuchtig genot en afgoderij uitgeven, dan zouden zij een schat in de hemel opsparen. Ze doen dan precies, wat God van hen vraagt. Maar zij leven in weelde als de rijke man uit de gelijkenis. Ze geven geld, dat hen in vertrouwen geleend is om tot eer van Zijn naam te gebruiken, met handenvol tegelijk uit. Ze staan niet even stil bij hun verantwoordelijkheid tegenover God. Ze staan er niet stil bij de dag van afrekening,die niet ver weg meer is. Dan moeten ze rekenschap afleggen van hun taak als rentmeester.” –Het Bijbels Gezin, blz. 302.
A. Wat leert de Bijbel ons over geven?
Psalm 50:14;
Psalmen 116:12.
“Jakob besefte, dat God aanspraken op hem had, die hij moest erkennen, en dat de bijzondere bewijzen van goddelijke gunst, die hem bewezen werden, inhielden dat hij zou terugkeren. Zo moet elke zegening, die we ontvangen, ons ertoe brengen de Gever van alle gaven onze dank te tonen…
Onze tijd, onze talenten, ons bezit zouden vol eerbied gewijd moeten worden aan Hem, die ons al deze zegeningen heeft toevertrouwd. Wanneer wij op een bijzondere wijze uit moeilijkheden zijn gered, wanneer nieuwe of onverwachte gunstbewijzen ons deel geworden zijn, moeten we Gods goedheid erkennen door niet alleen in woorden onze dank tot uitdrukking te brengen, maar, evenals Jakob dat deed, onze gaven te wijden aan Zijn werk. Zoals we gedurig deel hebben aan de zegeningen van God, wordt ook verwacht, dat we gedurig zullen geven.” –Patriarchen en Profeten, blz. 157-158.
B. Waarom zag Hizkia de noodzaak van reformatie in Juda?
2 Kronieken 29:1-7,
2 Kronieken 29:27-33.
Welke reformatie hebben wij vandaag ook nodig?
“Er is een groot plichtsverzuim geweest. Velen hebben middelen achtergehouden, die God als de Zijne opeist, en door dat te doen hebben zij een roof op God gepleegd. Hun zelfzuchtige harten hebben niet het tiende van al hun inkomen gegeven, wat God vraagt. Evenmin zijn zij naar de jaarlijkse bijeenkomsten gekomen met hun vrijwillige offers, hun dankoffers en hun zondoffers. Velen zijn met lege handen voor de Heer gekomen. ‘Zal een mens God beroven? Maar gij berooft Mij, en zegt: Waarin beroven wij U? In de tienden en het hefoffer’ (Maleáchi 3:8).” –Testimonies for the Church, vol. 3, blz. 510.
“Breng uw zondoffers, uw dankoffers en uw vriijwillige offers; verootmoedig uw hart voor de Heer, en Hij zal altijd klaar gevonden worden om te ontvangen en te vergeven.” –The Review and Herald, 8 juli 1880.
“Zijn boodschappers (van de Heer), die het Woord des levens brengen, moeten in hun werk niet belemmerd worden. Wanneer zij de waarheid verkondigen, moeten ze ook de middelen hebben ter bevordering van het werk, dat gedaan moet worden ter rechter tijd, opdat ten opzichte van de zaligheid het beste resultaat wordt verkregen. Werken der barmhartigheid moeten gedaan worden; de armen en lijdenden moeten geholpen worden. Giften en gaven moeten voor dit doel worden gebruikt. Vooral in nieuwe velden, waar de banier der waarheid nog nooit opgeheven is, moet dit werk gedaan worden.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 3, blz. 33-34.
A. Hoe heeft God plicht en zegen gecombineerd?
Spreuken 11:24-25.
“De Levietische bedeling kenmerkte zich op een bijzondere wijze door de heiliging van het bezit. Wanneer wij spreken van de tiende als de maatstaf van de Joodse contributies ten bate van godsdienstige doeleinden, dan spreken we niet oordeelkundig. De Here deed Zijn rechten gebiedend gelden, en in bijna elk artikel werden zij herinnerd aan de Gever door de eis om Hem gedeelten terug te betalen...
Enkelen, die het zeer nauw namen, betaalden aan God terug ongeveer één derde van hun inkomsten ten bate van godsdienstige belangen en van de armen. Deze vorderingen waren niet gesteld aan een bepaalde klasse mensen, maar aan allen, waar immers het geëiste in verhouding stond tot het bezit.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 1, blz. 566.
“Wanneer, in welke periode der wereld ook, Gods volk blijmoedig en gewillig heeft beantwoord aan Zijn weldadigheidsplan en in het brengen van gaven en offers, hebben ze de duurzame belofte in vervulling zien gaan, dat voorspoed op hun arbeid rust naar de mate gehoorzaamd hebben aan Zijn eisen.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 1, blz. 387.
B. Wat moeten wij nooit vergeten bij het doen van geldelijke beloften en eden?
Prediker 5:4-5;
Psalm 66:13-14.
“Het is Gods wil, dat de leden van Zijn gemeente hun verplichtingen tegenover Hem even bindend beschouwen als hun schulden tegenover hun wereldse schuldeisers. Laat een ieder zijn leven in het verleden eens nagaan of er nog onbetaalde, niet nagekomen geloften te vereffenen vallen om zich dan in te spannen te betalen ‘tot de laatste cent’, want wij moeten allen in het eindgericht voor een rechtbank verschijnen, waar enkel en alleen onkreukbaarheid en getrouwheid de toets kunnen doorstaan.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 1, blz. 574.
“God heeft een absoluut voorbehoud gemaakt van een bepaald deel van onze tijd en onze middelen. Het negeren van deze eisen is het beroven van God. Christenen gaan er prat op, dat hun voorrechten veel groter zijn dan die van het Joodse tijdperk. Zullen wij dan tevreden zijn om minder aan de zaak van God te geven dan Zijn oude volk deed? De tienden waren slechts een deel van hun vrijgevigheid. Tal van andere gaven waren vereist naast de vrijwillige gaven, of dankoffers, welke, toen zowel als nu, een eeuwigdurende verplichting waren.” –The Review and Herald, 16 mei 1882.
A. Wat was in de Hebreeuwse economie het tweede tiende, en wat was het doel ervan?
Deuteronomium 14:22-23,
Deuteronomium 14:27-29;
Deuteronomium 26:12-13.
“Om de bijeenkomsten van het volk voor godsdienstige vergaderingen te bevorderen, en ook om voor de armen te zorgen, werd een tweede tiende van alle inkomsten gevraagd. Voor de eerste tiende had de Here gezegd: ‘Ik geef hun’ (de Levieten) ‘alle tienden in Israël als erfdeel’ (Numeri 18:21). Maar van de tweede tiende had Hij gezegd: ‘Gij zult voor het aangezicht van de Here, uw God, in de plaats die Hij verkiezen zal om Zijn naam daar te doen wonen, eten de tiende van uw koren, uw most en uw olie, en de eerstelingen van uw runderen en van uw kleinvee, opdat gij de Here, uw God, uw leven lang leert vrezen’ (Deuteronomium 14:23, 29; 16:11-14). Deze tiende, ofwel een gelijkwaardig bedrag in geld, moesten ze twee jaar achtereen brengen naar de plaats, waar het heiligdom zich bevond. Nadat ze God een dankoffer hadden gebracht, en aan de priester een deel hadden afgedragen, moesten de offeraars de rest besteden aan een godsdienstige feestmaaltijd, waaraan de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe moest deelnemen. Zo werden de dankoffers en de feestmaaltijden bij de jaarlijkse feesten geregeld, en kwamen de mensen in aanraking met de priesters en Levieten, om onderricht en bemoediging in het dienen van God te ontvangen.
Elk derde jaar echter werd deze tweede tiende thuis besteed aan het onderhoud van de Leviet en van de arme, zoals Mozes had gezegd: … (Zie Deuteronomium 26:12). Deze tiende verschafte een fonds voor liefdadige doeleinden.” –Patriarchen en Profeten, blz. 481.
B. Hoe kwam het tweede tiende de gever in geestelijke zin ten goede, en op welke manieren kan het in deze tijd een zegen zijn?
Spreuken 19:17.
“Het wijden aan God van een tiende van alle inkomsten, hetzij van de boomgaard en de akker, de schapen en het vee, of van de arbeid van hoofd en hand, de wijding van een tweede tiende voor de ondersteuning der armen en andere weldadigheid, hadden de bedoeling de mensen steeds de waarheid voor te houden, dat God de eigenaar is van alles, alsook van hun kans om de kanalen van Zijn zegeningen te zijn. Het was een opleiding, die alle bekrompen zelfzucht zou doden en het karakter grootheid en zielenadel zou verlenen.” –Karaktervorming, blz. 44.
“Er zal een overvloed aan plaatsen zijn om het tweede tiende te gebruiken om serieus zendingswerk te doen op nieuwe plaatsen.” –Manuscript Releases, vol. 7, blz. 139.
A. Wat moeten wij beseffen, als wij aan Gods zaak geven?
Markus 12:41-44.
Hoe kunnen wij de hoeveelheid eerstelingsgaven en andere offers bepalen?
Deuteronomium 16:17.
“’Hoeveel zijt gij mijn heer schuldig?’ (Lukas 16:5). Dat is onmogelijk te zeggen. Alles, wat wij hebben, is van God. Hij legt Zijn hand op onze bezittingen en zegt: “Ik ben eigenaar van het hele heelal; dit zijn mijn bezittingen. Heilig voor Mij de tienden en gaven. Wanneer u deze met name genoemde bezittingen brengt als teken van uw trouw en uw onderwerping aan Mijn heerschappij, zal uw inkomen door Mijn zegen vermeerderd worden en zult u overvloed hebben”.” –Getuigenissen voor de Gemeente 9, blz. 237.
“De Hebreeën moesten ruim een vierde deel van hun inkomsten geven voor godsdienstige en liefdadige doeleinden. Men zou verwachten, dat zulk een zware belasting op het bezit van het volk hen tot de bedelstaf brengen zou; maar de getrouwe waarneming van deze geboden was juist een van de voorwaarden voor hun welvaart.” –Patriarchen en Profeten, blz. 477.
B. Welke houding zou de Heer ieder van ons willen laten vertonen, wanneer hij geeft?
2 Korinthe 9:6-7;
Matthéüs 6:1-4.
“De Heer heeft onze offers niet nodig. Wij kunnen Hem niet verrijken door onze gaven. De psalmist zegt: ‘Want het is alles van U, en wij geven het U uit Uw hand’ (1 Kronieken 29:14). Toch staat God ons toe om onze waardering voor Zijn barmhartigheden te tonen door zelfopofferende inspanningen om hetzelfde aan anderen te verlenen. Dit is de enige manier, waarop het voor ons mogelijk is om onze dankbaarheid en liefde voor God te tonen. Hij heeft in geen ander voorzien.” –Counsels on Stewardship, blz. 18-19.
1. Waarom eist de Heer van ons, dat wij onze eerstelingsgave aan Hem geven?
2. Welke soorten offers specificeert de Heer vandaag de dag nog steeds voor ons?
3. Wat kunnen wij leren van het voorbeeld van de Hebreeën bij het geven?
4. Voor welke doeleinden zou het tweede tiende in onze tijd gebruikt kunnen worden?
5. Hoe wordt de waarde van een gave gemeten in Gods ogen?