Les 6 — SABBAT, 8 mei 2021
Echte onzelfzuchtigheid
Tekst om te onthouden
Tekst om te onthouden: “Een ieder zie niet op het zijne, maar een ieder zie ook op hetgeen van de anderen is”
Filippensen 2:4
“Wanneer zij, die de naam van Christus belijden, de beginselen van de gouden regel in praktijk zullen brengen, zal dezelfde kracht het evangelie ondersteunen als in de tijden der apostelen.” –Gedachten van de Berg der Zaligsprekingen, blz. 122.
Aanvullende studie :: -Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 123-130;; ;; -Van Jeruzalem tot Rome, blz. 51-55.
A. Beschrijf de oprechte liefdadigheid van de eerste christelijke gemeente.
32En de menigte van degenen, die geloofden, was een hart en een ziel; en niemand zeide, dat iets van hetgeen hij had, zijn eigen ware, maar alle dingen waren hun gemeen.
33En de apostelen gaven met grote kracht getuigenis van de opstanding van den Heere Jezus; en er was grote genade over hen allen.
34Want er was ook niemand onder hen, die gebrek had; want zovelen als er bezitters waren van landen of huizen, die verkochten zij, en brachten den prijs der verkochte goederen, en legden dien aan de voeten der apostelen.
35En aan een iegelijk werd uitgedeeld, naar dat elk van node had.
“Toen de discipelen de waarheden van het evangelie in Jeruzalem verkondigden, gaf God getuigenis aan hun woord, en een grote menigte kwam tot het geloof. Velen van deze eerste gelovigen werden door de vurige, maar verkeerd gerichte geloofsijver der Joden onmiddellijk van hun familie en vrienden gescheiden, en het bleek noodzakelijk hun onderdak en voedsel te verlenen.
Het verhaal luidt: “Want er was ook niet één behoeftig onder hen”, en er wordt verteld, hoe in de behoeften werd voorzien. Diegenen onder de gelovigen, die geld en bezittingen hadden, offerden deze blijmoedig om aan deze onvoorziene moeilijkheden tegemoet te komen…
Deze vrijgevigheid van de zijde van de gelovigen was het gevolg van de uitstorting van de Heilige Geest. De tot het evangelie bekeerden waren ‘een van hart en ziel’. Eén gemeenschappelijk belang beheerste hen, het welslagen van de hun toevertrouwde opdracht; en er was in hun leven geen plaats voor hebzucht. Hun liefde voor hun broeders en voor de zaak, waaraan zij zich hadden gewijd, was groter dan hun liefde voor geld en bezittingen. Hun werken getuigden ervan, dat zij de zielen der mensen van hogere waarde achtten dan aardse rijkdom.Zo zal het altijd zijn, wanneer de Geest van God bezit neemt van het leven.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 51.