Tekst om te onthouden: “Een ieder zie niet op het zijne, maar een ieder zie ook op hetgeen van de anderen is”
Filippensen 2:4
“Wanneer zij, die de naam van Christus belijden, de beginselen van de gouden regel in praktijk zullen brengen, zal dezelfde kracht het evangelie ondersteunen als in de tijden der apostelen.” –Gedachten van de Berg der Zaligsprekingen, blz. 122.
Aanvullende studie :: -Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 123-130;; ;; -Van Jeruzalem tot Rome, blz. 51-55.
A. Beschrijf de oprechte liefdadigheid van de eerste christelijke gemeente.
Handelingen 4:32-35.
“Toen de discipelen de waarheden van het evangelie in Jeruzalem verkondigden, gaf God getuigenis aan hun woord, en een grote menigte kwam tot het geloof. Velen van deze eerste gelovigen werden door de vurige, maar verkeerd gerichte geloofsijver der Joden onmiddellijk van hun familie en vrienden gescheiden, en het bleek noodzakelijk hun onderdak en voedsel te verlenen.
Het verhaal luidt: “Want er was ook niet één behoeftig onder hen”, en er wordt verteld, hoe in de behoeften werd voorzien. Diegenen onder de gelovigen, die geld en bezittingen hadden, offerden deze blijmoedig om aan deze onvoorziene moeilijkheden tegemoet te komen…
Deze vrijgevigheid van de zijde van de gelovigen was het gevolg van de uitstorting van de Heilige Geest. De tot het evangelie bekeerden waren ‘een van hart en ziel’. Eén gemeenschappelijk belang beheerste hen, het welslagen van de hun toevertrouwde opdracht; en er was in hun leven geen plaats voor hebzucht. Hun liefde voor hun broeders en voor de zaak, waaraan zij zich hadden gewijd, was groter dan hun liefde voor geld en bezittingen. Hun werken getuigden ervan, dat zij de zielen der mensen van hogere waarde achtten dan aardse rijkdom.Zo zal het altijd zijn, wanneer de Geest van God bezit neemt van het leven.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 51.
A. Waarom kunnen wij geïnspireerd worden door de blijmoedige bereidheid van de eerste discipelen om met hun medegelovigen te delen?
1 Johannes 3:11,
1 Johannes 3:16;
Filippensen 2:3-4.
“Degenen, wier harten met de liefde van Christus vervuld zijn, zullen het voorbeeld volgen van Hem, die om onzentwil arm werd, opdat wij door Zijn armoede rijk zouden worden. Geld, tijd, invloed, alle uit Gods hand ontvangen gaven zullen zij slechts op prijs stellen als middelen ter bevordering van het evangeliewerk. Zo was het in de eerste gemeente. En wanneer in de gemeente van vandaag wordt gezien, dat de leden, door de kracht des Geestes, hun liefde tot de dingen dezer wereld hebben opgegeven, en dat zij bereid zijn zich opofferingen te getroosten om hun medemensen het evangelie te doen horen, zullen de waarheden, die zij verkondigden, een machtige invloed op de toehoorders uitoefenen.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 51-52.
“Doorzoek hemel en aarde, en geen waarheid wordt met meer kracht geopenbaard, dan die openbaar gemaakt wordt in de werken der barmhartigheid aan hen, die medeleven en hulp nodig hebben. Dit is de waarheid, die in Jezus is.” –Gedachten van de Berg der Zaligsprekingen, blz. 121-122.
B. Noem een echt voorbeeld van deze daadwerkelijke vorm van liefdadigheid, in tegenstelling tot een ander voorbeeld, waarvan eerst God alleen wist, dat het uiteindelijk vals was.
Handelingen 4:36-37; 5:1.
“In scherpe tegenstelling tot het voorbeeld van vrijgevigheid, door de gelovigen betoond, stond het gedrag van Ananias en Saffira. Hun wedervaren, door de pen der inspiratie opgetekend, heeft een donkere vlek op de geschiedenis der eerste gemeente achtergelaten. Deze belijdende discipelen hadden met anderen het voorrecht gehad het evangelie door de apostelen te horen prediken. Zij waren met andere gelovigen tegenwoordig geweest, toen, nadat de apostelen hadden gebeden, ’de plaats, waar zij vergaderd waren, bewogen werd, en zij allen vervuld werden met de Heilige Geest’ (Handelingen 4:31). Alle aanwezigen waren diep onder de indruk gekomen, en onder de directe invloed van Gods Geest hadden Ananias en Saffira de gelofte afgelegd om de Here de opbrengst van de verkoop van een bepaald stuk land te geven.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 52.
A. Wat deden Ananías en Saffira met de opbrengst van het eigendom, dat zij hadden beloofd aan de gemeente te schenken, en waarom?
Handelingen 5:2.
“Naderhand bedroefden Ananias en Saffira de Heilige Geest door toe te geven aan gevoelens van hebzucht. Zij kregen berouw over de gedane belofte en verloren spoedig de weldadige invloed van de zegen, die hun harten had verwarmd met een verlangen om grote dingen te doen ten behoeve van de zaak van Christus. Zij dachten, dat zij overijld hadden gehandeld en dat ze hun besluit nog eens moesten overwegen. Zij bespraken de zaak nog eens en besloten hun gelofte niet na te komen. Zij zagen evenwel, dat degenen, die afstand deden van hun bezittingen om daarmede de noden van hun arme broeders te leningen, in de kring der gelovigen zeer gewaardeerd werden; en zich uiteindelijk schamend om hun broeders te laten weten, dat hun zelfzuchtige harten zich datgenen niet wilden ontzeggen, wat ze God plechtig hadden toegezegd, besloten ze weloverwogen hun bezittingen te verkopen en te doen, alsof ze de hele opbrengst in het algemene fonds stortten, doch in werkelijkheid een groot deel voor zichzelf te houden. Op deze wijze wilden ze zich een levensonderhoud uit de gemeenschappelijke voorraad verzekeren en tegelijkertijd de hoge achting van hun broeders verwerven.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 52.
B. Voor welke oppervlakkige beweegreden moeten wij allemaal oppassen?
Johannes 12:43.
“Het is niet Gods bedoeling, dat u uw licht zó laat schijnen, dat uw goede woorden of daden de lof van mensen voor uzelf opleveren; maar dat de Gever van al het goede zal worden verhoogd en verheerlijkt. Jezus gaf tijdens Zijn leven aan de mensen een voorbeeld van karakter. Wat had de wereld maar weinig macht over Hem, om Hem naar haar eigen maatstaven om te vormen! Al haar invloed wierp Hij af. Hij sprak: ‘Mijn spijze is de wil te doen van degene, die Mij gezonden heeft, en zijn werk te volbrengen’. Als wij deze toewijding voor het werk van God hadden, met uitsluitend oog voor Zijn eer, dan zouden we samen met Christus kunnen zeggen: ‘Ik zoek niet mijn eigen eer’. Zijn leven was vol goede werken, en het is onze plicht te leven, zoals ons grote Voorbeeld leefde. Ons leven moet met Christus verborgen zijn in God, en dan zal het licht van Jezus naar ons weerspiegeld worden, en wij zullen het weerspiegelen naar de mensen om ons heen, niet slechts in woord en belijden, maar in goede werken, en door het karakter van Christus te tonen.” –Christus Weerspiegelen, blz. 40.
A. Wat moeten wij beseffen en begrijpen over het probleem van Ananías en Saffira?
2 Korinthe 9:7;
Handelingen 5:3-4.
“Er was op Ananias geen onrechtmatige invloed uitgeoefend om hem te dwingen zijn bezittingen aan het algemeen belang op te offeren. Hij had naar eigen verkiezing gehandeld. Maar toen hij de discipelen trachtte te misleiden, had hij de Almachtige belogen.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 53.
“Satan bracht Ananías en Saffira ertoe tegen de Heilige Geest te liegen. Zij, die niet volledig de Heer zijn toegewijd, kunnen ertoe worden gebracht om voor Satan te werken, terwijl zij zich vleien met de gedachte, dat zij in dienst van Christus staan.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 88.
“Maar de harten van de mensen worden door zelfzucht verhard, en gelijk Ananias en Saffira worden zij verleid een gedeelte van de prijs achter te houden, terwijl ze voorgeven aan Gods eisen te voldoen. Velen geven met kwistige hand geld uit voor eigen genoegens. Mannen en vrouwen streven naar genot en bevredigen hun smaak, terwijl ze God met tegenzin een karig toegemeten offer brengen. Zij vergeten, dat God eenmaal afrekening zal eisen van de wijze, waarop Zijn goederen zijn gebruikt, en dat Hij evenmin de karige gave, die zij in de schatkist werpen, aanneemt als het offer van Ananias en Saffira.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 54.
B. Leg uit op welke drastische wijze de Heer Zijn eerste gemeente moest beschermen tegen de wegen van dit schijnheilige paar, en waarom.
Handelingen 5:5-10;
Matthéüs 6:24.
“De Alwijze zag, dat deze duidelijke manifestatie van Zijn toorn nodig was om de jonge gemeente voor verdorvenheid te behoeden. De gemeente breidde zich snel uit. En ze zou in groot gevaar zijn gekomen als, door de snelle aanwas der bekeerden, mannen en vrouwen werden opgenomen, die voorgaven God te dienen, doch die in werkelijkheid de mammom aanbaden. Dit oordeel laat zien, dat men God niet kan bedriegen, dat Hij de verborgen zonden van het hart ontdekt, en dat Hij Zich niet laat bespotten. Het was bedoeld als een waarschuwing voor de gemeenteleden, om hen ertoe te brengen schijnvertoon en huichelarij te mijden en hen ervoor te bewaren God te beroven.” – Van Jeruzalem tot Rome, blz. 53.
A. Welk minimum eist God van ons nu met betrekking tot onze financiën en beloftes?
Prediker 5:4-6;
Maleáchi 3:8-12.
“De mensen moeten worden doordrongen van de heiligheid van hun eden en geloften aan het werk van God. Zulke geloften worden over het algemeen niet even bindend gezien als de promesse van man tot man. Maar is een gelofte minder heilig en bindend, omdat deze aan God is gedaan? Zal een christen de verplichting, waaraan hij zijn woord heeft gegeven, veronachtzamen, omdat er bepaalde technische termen aan ontbreken en zoiets niet door een wet kan worden bekrachtigd? Geen enkele wettige aantekening of verplichting is meer bindend dan een gelofte, gedaan aan Gods werk.” –Bijbelkommentaar, blz. 437.
“Het Nieuwe Testament stelt niet weer de wet van de tienden in, ook niet die van de Sabbat; want de geldigheid van beide is aangenomen, en hun diepe geestelijke betekenis uitgelegd.” ¬–Counsels on Stewardship, blz. 66.
“De harten van de mensen worden verhard door zelfzucht en, zoals Ananías en Saffira, komen zij in de verleiding om een deel van de prijs achter te houden, terwijl zij het doen voorkomen, dat zij aan de verplichting van de tienden voldoen.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 125.
“In het geval van Ananias en Saffira werd de zonde van bedrog jegens God snel gestraft. Deze zelfde zonde werd in de latere geschiedenis van de gemeente nog dikwijls herhaald en wordt ook in onze tijd door velen bedreven. Maar ofschoon ze niet met de zichtbare openbaring van God misnoegen gepaard gaat, is ze in Zijn oog niet minder afschuwelijk dan ten tijde der apostelen. De waarschuwing is gegeven. God heeft duidelijk Zijn afkeer van deze zonde getoond. En allen, die zich aan huichelarij en gierigheid overgeven, kunnen ervan verzekerd zijn, dat zij hun eigen zielen te gronde richten.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 55.
1. Hoe kan ik de houding, die in Handelingen 4:32-35 getoond wordt, ontwikkelen en verbeteren?
2. Leg het verschil uit tussen de gift van Joses Barnabas en van Ananías.
3. Welke beweegredenen veroorzaakten, dat Ananías en zijn vrouw tegen de Heilige Geest logen?
4. Waarom doodde de Levengever het schuldige paar, en waarom doet Hij het nu niet?
5. Wat moet ik beseffen over mijn geloften / beloften, tienden en offergaven?