Les 12 — SABBAT, 20 maart 2021
HARTVERSCHEURENDE GEVOLGEN
“Verblijd u niet over mij, mijn vijandin! Wanneer ik gevallen ben, zal ik weer opstaan; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal de Heere mij een licht zijn”
Micha 7:8
“Hij (God) strafte David, maar verdelgde hem niet; de oven is om te zuiveren, niet om te verteren.” –Patriarchen en Profeten, blz. 676.
Aanvullende studie: -Patriarchen en Profeten, blz. 666-676.
1. Bittere gevolgen van zonde
A. Leg de veranderingen uit, die plaats vonden na de zonde van David. .
32Maar die met een vrouw overspel doet, is verstandeloos; hij verderft zijn ziel, die dat doet;
33Plage en schande zal hij vinden, en zijn smaad zal niet uitgewist worden.
“Hoewel David berouw had over zijn zonde en werd vergeven en aanvaard door de Heer, plukte hij toch de vrucht van het zaad, dat hij zelf had gezaaid. De oordelen over hem en zijn huis laten zien, dat God zijn zonde verafschuwt…
Maar de zonde van David had deze verhouding tot God gewijzigd. Onder geen enkele voorwaarde kon de Here de zonde goedkeuren. Hij kon Zijn macht niet gebruiken om David te bewaren voor de gevolgen van zijn zonde, zoals Hij hem beschermd had voor de vijandschap van Saul.
In Davids leven had zich een grote verandering voltrokken. Zijn geest was gebroken door het bewustzijn van zijn zonde en de vèrstrekkende gevolgen daarvan. Hij voelde zich in het oog van zijn onderdanen vernederd. Zijn invloed was verzwakt. Tot dusver was zijn voorspoed toegeschreven aan zijn nauwlettende gehoorzaamheid aan Gods geboden. Nu echter zouden zijn onderdanen, die van zijn zonde op de hoogte waren, eerder tot zonde vervallen. Zijn invloed in zijn eigen gezin, zijn recht op respect en gehoorzaamheid van zijn zonen was verzwakt. Een gevoel van schuld deed hem zwijgen, als hij de zonde moest veroordelen; zijn arm was verzwakt in het handhaven van het recht in zijn gezin. Zijn verkeerde voorbeeld oefende zijn invloed uit op zijn zonen. God zou niets doen om de gevolgen daarvan weg te nemen. Hij zou alles zijn natuurlijke gang laten gaan. Op deze wijze werd David zwaar gestraft.” –Patriarchen en Profeten, blz. 662-663.
2. Slechtheid in de zonen
A. Wat is er geschreven over Amnon, Davids eerstgeboren zoon? ,. Waarom verzuimde David zijn overtuiging ten aanzien van Amnons gewelddadige daad uit te voeren? .
1En het geschiedde daarna, alzo Absalom, Davids zoon, een schone zuster had, welker naam was Thamar, dat Amnon, Davids zoon, haar lief kreeg.
2En Amnon was benauwd tot krank wordens toe, om zijner zuster Thamars wil; want zij was een maagd, zodat het in Amnons ogen zwaar was, haar iets te doen.
10Toen zeide Amnon tot Thamar: Breng de spijze in de kamer, dat ik van uw hand ete; zo nam Thamar de koekjes, die zij gemaakt had, en bracht ze haar broeder Amnon in de kamer.
11Als zij ze nu tot hem nabij bracht, dat hij ate, zo greep hij haar, en zeide tot haar: Kom, lig bij mij, mijn zuster!
12Maar zij zeide tot hem: Niet, mijn broeder, verkracht mij niet, want alzo doet men niet in Israel; doe deze dwaasheid niet.
13Want ik, waarhenen zou ik mijn schande brengen? En gij, gij zoudt zijn als een der dwazen in Israel; zo spreek toch nu tot den koning, want hij zal mij van u niet onthouden.
14Doch hij wilde naar haar stem niet horen; maar sterker zijnde dan zij, zo verkrachtte hij haar, en lag bij haar.
15Daarna haatte haar Amnon met een zeer groten haat; want de haat, waarmede hij haar haatte, was groter dan de liefde, waarmede hij haar had liefgehad; en Amnon zeide tot haar: Maak u op, ga weg.
16Toen zeide zij tot hem: Er zijn geen oorzaken om mij uit te drijven; dit kwaad zou groter zijn dan het andere, dat gij bij mij gedaan hebt; maar hij wilde naar haar niet horen.
1Daarom zijt gij niet te verontschuldigen, o mens, wie gij zijt, die anderen oordeelt; want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelven; want gij, die anderen oordeelt, doet dezelfde dingen.
“De schandelijke misdaad van Amnon, de oudste zoon, werd door David niet bestraft. De wet veroordeelde de overspeler ter dood en de tegennatuurlijke misdaad van Amnon maakte hem dubbel schuldig. Maar David, die zich door zijn eigen zonde veroordeeld voelde, bracht de overtreder niet voor het gericht.” –Patriarchen en Profeten, blz. 666.
B. Wat moeten wij beseffen over de manier, waarop Amnon tot gerechtigheid moest worden gebracht? ,;.
28Absalom nu gebood zijn jongens, zeggende: Let er nu op, als Amnons hart vrolijk is van den wijn, en ik tot ulieden zal zeggen: Slaat Amnon, dan zult gij hem doden; vreest niet; is het niet, omdat ik het u geboden heb? Zijt sterk en weest dapper.
29En Absaloms jongens deden aan Amnon, gelijk als Absalom geboden had. Toen stonden alle zonen des konings op, en reden een iegelijk op zijn muildier, en vloden.
32Maar Jonadab, de zoon van Simea, Davids broeder, antwoordde en zeide: Mijn heer zegge niet, dat zij al de jongelingen, des konings zonen, gedood hebben; maar Amnon alleen is dood; want bij Absalom is er op toegelegd, van den dag af, dat hij zijn zuster Thamar verkracht heeft.
15De roede, en de bestraffing geeft wijsheid; maar een kind, dat aan zichzelf gelaten is, beschaamt zijn moeder.
“Evenals de andere zonen van David had Amnon niet geleerd zich te beheersen. Hij had aan elke begeerte van zijn hart toegegeven, zonder rekening te houden met Gods geboden. Ondanks zijn grote zonde had God lang geduld met hem gehad. Gedurende twee jaar had hij gelegenheid gehad zich te bekeren. Maar hij bleef volharden in het kwaad, en werd, beladen met zijn zonde, ter dood gebracht, om eenmaal voor de ontzagwekkende vierschaar te worden gedaagd…
Als ouders of overheden nalaten het onrecht te bestraffen, zal God zelf de zaak in handen nemen. Tot op zekere hoogte zal Zijn weerhoudende macht worden weggenomen, zodat door een reeks van gebeurtenissen de zonde door andere zonden wordt gestraft.” –Patriarchen en Profeten, blz. 666-667.
C. Hoe ging David om met Absaloms misdaad? ;,.
38Alzo vluchtte Absalom, en toog naar Gesur; en hij was aldaar drie jaren.
39Toen verlangde de ziel van den koning David zeer om naar Absalom uit te trekken; want hij had zich getroost over Amnon, dat hij dood was.
21Toen zeide de koning tot Joab: Zie nu, ik heb deze zaak gedaan; zo ga henen, haal den jongeling Absalom weder.
22Toen viel Joab op zijn aangezicht ter aarde, en boog zich, en dankte den koning; en Joab zeide: Heden heeft uw knecht gemerkt, dat ik genade gevonden heb in uw ogen, mijn heer koning! Omdat de koning het woord van zijn knecht gedaan heeft.
23Alzo maakte zich Joab op, en toog naar Gesur; en hij bracht Absalom te Jeruzalem.
24En de koning zeide: Dat hij in zijn huis kere, en mijn aangezicht niet zie. Alzo keerde Absalom in zijn huis, en zag des konings aangezicht niet.
28Alzo bleef Absalom twee volle jaren te Jeruzalem, dat hij des konings aangezicht niet zag.
“David weigerde, in het besef dat de misdaad van zijn zoon gestraft moest worden, toestemming om terug te keren…
Hoewel hij zijn aantrekkelijke en begaafde zoon lief had, vond hij (David) het noodzakelijk als een les, zowel voor Absalom als voor het volk, dat afschuw moest blijken voor zulk een misdaad. Twee jaar lang woonde Absalom in zijn eigen huis, verbannen van het hof.” –Patriarchen en Profeten, blz. 667-668.
3. Persoonlijke uitstraling, bekoorlijke eigenschap … en verraad
A. Welke factoren maakten Absalom aantrekkelijk voor de mensen, en hoe gebruikte hij deze sluw in zijn voordeel, toen de nietsvermoedende koning hem stap voor stap verwelkomde? ;.
25Nu was er in gans Israel geen man zo schoon als Absalom, zeer te prijzen; van zijn voetzool af tot zijn hoofdschedel toe was er geen gebrek in hem.
26En als hij zijn hoofd beschoor, (nu geschiedde het ten einde van elk jaar, dat hij het beschoor, omdat het hem te zwaar was, zo beschoor hij het), zo woog het haar zijns hoofds tweehonderd sikkelen, naar des konings gewicht.
1En het geschiedde daarna, dat Absalom zich liet bereiden wagenen en paarden, en vijftig mannen, lopende voor zijn aangezicht henen.
2Ook maakte zich Absalom des morgens vroeg op, en stond aan de zijde van den weg der poort. En het geschiedde, dat Absalom allen man, die een geschil had, om tot den koning ten gerichte te komen, tot zich riep, en zeide: Uit welke stad zijt gij? Als hij dan zeide: Uw knecht is uit een der stammen Israels;
3Zo zeide Absalom tot hem: Zie, uw zaken zijn goed en recht; maar gij hebt geen verhoorder van des konings wege.
4Voorts zeide Absalom: Och, dat men mij ten rechter stelde in het land! Dat alle man tot mij kwame, die een geschil of rechtzaak heeft, dat ik hem recht sprake.
5Het geschiedde ook, als iemand naderde, om zich voor hem te buigen, zo reikte hij zijn hand uit, en greep hem, en kuste hem.
6En naar die wijze deed Absalom aan gans Israel, die tot den koning ten gerichte kwamen. Alzo stal Absalom het hart der mannen van Israel.
“Zijn (Absaloms) zuster woonde bij hem, en door haar tegenwoordigheid kon hij niet vergeten, welk een onherstelbaar kwaad haar was aangedaan. Maar in de ogen van het volk was de prins eerder een held dan een misdadiger. Het was niet verstandig, dat de koning een man met de aard van Absalom, eerzuchtig, impulsief en hartstochtelijk, twee jaar lang liet broeden over vermeende grieven. En de beslissing van David om hem naar Jeruzalem te laten terugkeren zonder, dat hij hem wilde zien, bracht de sympathie van het volk aan Absaloms zijde.
Met de onuitwisbare herinnering aan zijn eigen zonde in het overtreden van Gods wet scheen David moreel verlamd. Hij was zwak en besluiteloos, terwijl hij vóór zijn zonde moedig en vastbesloten was geweest. Zijn invloed bij het volk was getaand…
Door invloed van Joab kreeg Absalom toestemming weer bij zijn vader te verschijnen; maar hoewel er voor het oog een verzoening had plaatsgevonden, ging hij door met zijn eerzuchtige plannen. Nu voerde hij een bijna koninklijke staat met paarden en wagens en vijftig mannen, die voor hem uitgingen. Terwijl de koning zich steeds meer terugtrok, legde Absalom het erop toe de gunst van het volk te verwerven.
De invloed van Davids lusteloosheid en onzekerheid werkte zijn plannen in de hand; onachtzaamheid en uitstel kenmerkten zijn bestuur. Handig maakte Absalom gebruik van elke oorzaak tot ontevredenheid. Dagelijks zag men deze man met zijn aantrekkelijk voorkomen in de stadspoort, waar een menigte smekelingen wachtte om hun beden aan de koning voor te leggen. Absalom begaf zich in hun midden en luisterde naar hun grieven, terwijl hij sympathie toonde voor hun lijden en hun grieven over de onbekwaamheid van het bestuur… (Zie 2 Samuël 15:3, 5).
Aangevuurd door de sluwe insinuaties van de prins, verbreidde de ontevredenheid over het bestuur zich snel. Absaloms lof was op aller lippen. Algemeen zag men hem als opvolger op de troon. Het volk zag trots op hem als iemand, die deze hoge positie waardig was, en de wens werd gehoord om hem koning te maken… (Zie 2 Samuël 15:6). Toch vermoedde de koning, die verblind was door liefde voor zijn zoon, niets van dit alles. De vorstelijke staat, die Absalom voerde, zag David als een eerbetoon aan zijn hof.” –Patriarchen en Profeten, blz. 668-669.
4. Naar de crisis
A. Verklaar het schijnheilige complot van Absalom. ;.
7Ten einde nu van veertig jaren is het geschied, dat Absalom tot den koning zeide: Laat mij toch heengaan, en mijn gelofte, die ik den HEERE beloofd heb, te Hebron betalen.
8Want uw knecht heeft een gelofte beloofd, als ik te Gesur in Syrie woonde, zeggende: Indien de HEERE mij zekerlijk weder te Jeruzalem zal brengen, zo zal ik den HEERE dienen.
9Toen zeide de koning tot hem: Ga in vrede. Alzo maakte hij zich op, en ging naar Hebron.
10Absalom nu had verspieders uitgezonden in alle stammen van Israel, om te zeggen: Als gij het geluid der bazuin zult horen, zo zult gij zeggen: Absalom is koning te Hebron.
11En er gingen met Absalom van Jeruzalem tweehonderd mannen, genodigd zijnde, doch gaande in hun eenvoudigheid, want zij wisten van geen zaak.
12Absalom zond ook om Achitofel, den Giloniet, Davids raad, uit zijn stad, uit Gilo te halen, als hij offeranden offerde. En de verbintenis werd sterk, en het volk kwam toe en vermeerderde bij Absalom.
22Zijn mond is gladder dan boter, maar zijn hart is krijg; zijn woorden zijn zachter dan olie, maar dezelve zijn blote zwaarden.
“De daad, waarmee Absalom zijn huichelarij bekroonde, was niet alleen bedoeld om de koning een rad voor de ogen te draaien, maar ook om het vertrouwen van het volk te winnen en hen zo in opstand te brengen tegen de koning, die God verkoren had.” –Patriarchen en Profeten, blz. 669.
B. Vertel het alarmerende nieuws, dat aan David werd gebracht, en de strategische stappen die hij nam. . Wat was zijn nobele doel bij het ondernemen van deze actie?
13Toen kwam er een boodschapper tot David, zeggende: Het hart van een iegelijk in Israel volgt Absalom na.
14Zo zeide David tot al zijn knechten, die met hem te Jeruzalem waren: Maakt u op, en laat ons vlieden, want er zou voor ons geen ontkomen zijn voor Absaloms aangezicht; haast u, om weg te gaan, opdat hij niet misschien haaste, en ons achterhale, en een kwaad over ons drijve, en deze stad sla met de scherpte des zwaards.
15Toen zeiden de knechten des konings tot den koning: Naar alles, wat mijn heer de koning verkiezen zal, ziet, hier zijn uw knechten.
16En de koning ging uit met zijn ganse huis te voet; doch de koning liet tien bijwijven, om het huis te bewaren.
17Als nu de koning met al het volk te voet was uitgegaan, zo bleven zij staan in een verre plaats.
“In deze tijd van gevaar schudde David de neerslachtigheid, waaronder hij zolang gebukt was geweest, van zich, en trof met de moed van eertijds voorbereidselen om aan deze vreselijke ramp het hoofd te bieden. Absalom monsterde zijn troepen te Hebron, op slechts dertig kilometer afstand. Spoedig zouden de opstandelingen voor de poorten van Jeruzalem staan.
Vanuit zijn paleis zag David op zijn hoofdstad, schoon door haar verhevenheid, ‘een vreugde voor de ganse aarde, … de stad van de grote Koning’ (Psalm 48:3). Hij huiverde bij de gedachte, dat de stad blootgesteld zou worden aan plundering en verwoesting. Zou hij zijn onderdanen, die hem trouw gebleven waren, vragen hem te helpen de stad te verdedigen? Zou hij toelaten, dat Jeruzalem vervuld zou worden met bloed? Zijn besluit was genomen. De verschrikkingen van de oorlog zouden de uitverkoren stad niet treffen. Hij zou Jeruzalem verlaten en de trouw van het volk op de proef stellen, door hen in de gelegenheid te stellen zich achter hem te scharen. In deze tijd van crisis was hij aan God en aan zijn volk verplicht het gezag, dat God hem gegeven had, te handhaven. De uitkomst van de strijd zou hij aan God overlaten.” –Patriarchen en Profeten, blz. 671.
C. Hoe werd David op dit tragische uur getroost, vooral door het geloof van mannen als Ithai de Gethiet? .
18En al zijn knechten gingen aan zijn zijde heen, ook al de Krethi en al de Plethi, en al de Gethieten, zeshonderd man, die van Gath te voet gekomen waren, gingen voor des konings aangezicht heen.
19Zo zeide de koning tot Ithai, den Gethiet: Waarom zoudt gij ook met ons gaan? Keer weder, en blijf bij den koning; want gij zijt vreemd, en ook zult gij weder vertrekken naar uw plaats.
20Gisteren zijt gij gekomen, en heden zou ik u met ons omvoeren om te gaan? Zo ik toch gaan moet, waarheen ik gaan kan, keer weder; en breng uw broederen wederom; weldadigheid en trouw zij met u.
21Maar Ithai antwoordde den koning, en zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft, en mijn heer de koning leeft, in de plaats, waar mijn heer de koning zal zijn, hetzij ten dode, hetzij ten leven, daar zal uw knecht voorzeker ook zijn!
22Toen zeide David tot Ithai: Zo kom, en ga over. Alzo ging Ithai, de Gethiet, over, en al zijn mannen, en al de kinderen die met hem waren.
23En het ganse land weende met luider stem, als al het volk overging; ook ging de koning over de beek Kidron, en al het volk ging over, recht naar den weg der woestijn.
8Verblijd u niet over mij, o mijn vijandin! wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal de HEERE mij een licht zijn.
“David was het er in zijn karakteristieke onzelfzuchtigheid echter niet mee eens, dat deze vreemdelingen, die zijn bescherming hadden gezocht, in dit ongeluk betrokken zouden raken… Deze mannen waren van het heidendom bekeerd tot de eredienst van Jehova, en nu betoonden ze op waardige wijze hun trouw aan hun God en aan hun koning. Dankbaar aanvaardde David hun toewijding aan zijn schijnbaar verloren zaak.” –Patriarchen en Profeten, blz. 671-672.
5. Edelmoedigheid in lijden
A. Welke onzelfzuchtige beslissing nam David, hoewel hij heel erg verlangde Gods heilige ark bij hem te houden? .
24En ziet, Zadok was ook daar, en al de Levieten met hem, dragende de ark des verbonds van God, en zij zetten de ark Gods neder; en Abjathar klom op, totdat al het volk uit de stad geeindigd had over te gaan.
25Toen zeide de koning tot Zadok: Breng de ark Gods weder in de stad; indien ik genade zal vinden in des HEEREN ogen, zo zal Hij mij wederhalen, en zal ze mij laten zien, mitsgaders Zijn woning.
26Maar indien Hij alzo zal zeggen: Ik heb geen lust tot u; zie, hier ben ik, Hij doe mij, zo als het in Zijn ogen goed is.
27Voorts zeide de koning tot den priester Zadok: Zijt gij niet een ziener? Keer weder in de stad met vrede; ook ulieder beide zonen, Ahimaaz, uw zoon, en Jonathan, Abjathars zoon, met u.
28Zie, ik zal vertoeven in de vlakke velden der woestijn, totdat er een woord van ulieden kome, dat men mij aanzegge.
29Alzo bracht Zadok, en Abjathar, de ark Gods weder te Jeruzalem, en zij bleven aldaar.
“Als aangewezen leider van Gods erfdeel droeg hij ernstige verplichtingen... Zonder Gods toestemming had koning noch priester het recht het symbool van Zijn tegenwoordigheid daar weg te nemen. En David wist, dat zijn hart en leven in overeenstemming met Gods bevelen moesten zijn, anders zou de ark een oorzaak van tegenslag in plaats van succes betekenen. Zijn zonde was nog altijd voor hem. Hij zag in deze samenzwering Gods rechtvaardige oordeel.” –Patriarchen en Profeten, blz. 672.
B. Hoe kan elke zondaar worden getroost door de hoop, die David in dit donkere uur uitsprak? .
30En David ging op door den opgang der olijven, opgaande en wenende, en het hoofd was hem bewonden; en hij zelf ging barrevoets; ook had al het volk, dat met hem was, een iegelijk zijn hoofd bedekt, en zij gingen op, opgaande en wenende.
5Als nu de koning David tot aan Bahurim kwam, ziet, toen kwam van daar een man uit, van het geslacht van het huis van Saul, wiens naam was Simei, de zoon van Gera; hij ging steeds voort, en vloekte.
6En hij wierp David met stenen, mitsgaders alle knechten van den koning David, hoewel al het volk en al de helden aan zijn rechter- en aan zijn linkerhand waren.
7Aldus nu zeide Simei in zijn vloeken: Ga uit, ga uit, gij, man des bloeds, en gij, Belials man!
8De HEERE heeft op u doen wederkomen al het bloed van Sauls huis, in wiens plaats gij geregeerd hebt; nu heeft de HEERE het koninkrijk gegeven in de hand van Absalom, uw zoon; zie nu, gij zijt in uw ongeluk, omdat gij een man des bloeds zijt.
9Toen zeide Abisai, de zoon van Zeruja, tot den koning: Waarom zou deze dode hond mijn heer den koning vloeken? Laat mij toch overgaan en zijn kop wegnemen.
10Maar de koning zeide: Wat heb ik met u te doen, gij zonen van Zeruja? Ja, laat hem vloeken; want de HEERE toch heeft tot hem gezegd: Vloek David; wie zou dan zeggen: Waarom hebt gij alzo gedaan?
11Voorts zeide David tot Abisai en tot al zijn knechten: Ziet, mijn zoon, die van mijn lijf is voortgekomen, zoekt mijn ziel; hoeveel te meer dan nu deze zoon van Jemini? Laat hem geworden, dat hij vloeke, want de HEERE heeft het hem gezegd.
12Misschien zal de HEERE mijn ellende aanzien; en de HEERE zal mij goed vergelden voor zijn vloek, te dezen dage.
1Een psalm van David, als hij vlood voor het aangezicht van zijn zoon Absalom.
2O HEERE! hoe zijn mijn tegenpartijders vermenigvuldigd; velen staan tegen mij op.
3Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
4Doch Gij, HEERE! zijt een Schild voor mij, mijn eer, en Die mijn hoofd opheft.
“David uit geen klacht. De meest welsprekende Psalm, die hij ooit zong (Psalm 3) was, toen hij de Olijfberg beklom.” –Conflict and Courage, blz. 181.
“Toen David de Olijfberg besteeg, … zag de Heere vol ontferming op hem neer. David was in zakken gekleed, en zijn geweten plaagde hem. De uiterlijke tekenen van vernedering getuigden van zijn berouw. Onder tranen, met gebroken hart, legde hij alles aan God voor, en de Heere verliet Zijn dienstknecht niet. Nooit was David dierbaarder voor het hart van Oneindige Liefde dan toen hij, geplaagd door zijn geweten, voor zijn leven vluchtte voor zijn vijanden, die tot opstand waren aangezet door zijn eigen zoon.” –Gedachten van de Berg der Zaligsprekingen, blz. 15.