Spring naar inhoud
Vorige les
Presentatie Print
Volgende les

Les 11SABBAT, 13 maart 2021

DE VERHEVENE VERNEDERD

Tekst om te onthouden

“De weg der trouwelozen is streng”

Spreuken 13:15

“Zij, die naar David wijzen en zo trachten de schuld van hun eigen overtredingen te verminderen, moeten uit het Bijbels verslag leren, dat de weg van de overtreder hard is.” –Patriarchen en Profeten, blz. 663.

Aanvullende studie: -Patriarchen en Profeten, blz. 654-665.

ZONDAG · 7 maart

1. Rustig op de brede weg

A. Volg de weg, die David op een dwaalspoor leidde. . Hoe worden wij voor deze zonde gewaarschuwd? .

2 Samuël 11:1-4

1En het geschiedde met de wederkomst van het jaar, ter tijde als de koningen uittrekken, dat David Joab, en zijn knechten met hem, en gans Israel henenzond, dat zij de kinderen Ammons verderven, en Rabba belegeren zouden. Doch David bleef te Jeruzalem.

2Zo geschiedde het tegen den avondtijd, dat David van zijn leger opstond, en wandelde op het dak van het koningshuis, en zag van het dak een vrouw, zich wassende; deze vrouw nu was zeer schoon van aanzien.

3En David zond henen, en ondervraagde naar deze vrouw; en men zeide: Is dat niet Bathseba, de dochter van Eliam, de huisvrouw van Uria, den Hethiet?

4Toen zond David boden henen, en liet haar halen. En als zij tot hem ingekomen was, lag hij bij haar, (zij nu had zich van haar onreinigheid gezuiverd), daarna keerde zij weder naar haar huis.

Hebreeën 13:4

4Het huwelijk is eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt; maar hoereerders en overspelers zal God oordelen.

“De geest van zelfvertrouwen en zelfverheffing leidde tot de val van David. Vleierij en de verlokkingen van macht en luxe bleven niet zonder invloed op hem… Naar de gewoonten van oosterse heersers werden misdaden, die niet onder het volk werden gedoogd, niet veroordeeld in het geval van de koning. De vorst hoefde niet dezelfde zelfbeheersing te bezitten als zijn onderdanen. Dit alles leidde ertoe, dat Davids besef van zonde verzwakte. In plaats van nederig te steunen op de macht van God, begon hij te vertrouwen op eigen macht en wijsheid…
Aan alle kanten waren de resultaten zichtbaar van Davids verstandige en bekwame heerschappij, en plukte hij de vruchten van zijn overwinningen. Nu, terwijl hij niet op zijn hoede was, greep de verleider de kans aan, zijn geest in beslag te nemen. Het feit, dat God David zo nauw met Zich verbonden had en hem zoveel gunsten had bewezen, had een sterke aansporing voor hem moeten zijn om zijn karakter onbesmet te bewaren. Maar toen David in een tijd van voorspoed en zekerheid God losliet, gaf hij zich over aan Satan en laadde een grote schuld op zich. Hij, die door de hemel was aangewezen om de leidsman te zijn van het volk en door God was gekozen Zijn wet ten uitvoer te brengen, overtrad zelf de geboden.” –Patriarchen en Profeten, blz. 654, 655.
MAANDAG · 8 maart

2. Een neergaande weg

A. Hoe verklaarde Jezus, wat iemand kwetsbaar maakt voor zonde? ;.

Johannes 15:5

5Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen.

Romeinen 8:5-6

5Want die naar het vlees zijn, bedenken, dat des vleses is; maar die naar den Geest zijn, bedenken, dat des Geestes is.

6Want het bedenken des vleses is de dood; maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede;

“Alles wat de gedachten aftrekt van God, wat leidt tot zelfverheffing of zelfvertrouwen, bereidt de weg voor op onze nederlaag…
Zodra Satan kans ziet de ziel te scheiden van God, die de enige Bron van kracht is, zal hij zondige lusten wekken in de vleselijke natuur van de mens.Het werk van de vijand is niet overhaast. Het werk wordt niet meteen duidelijk opgemerkt. Het begint met een onmerkbaar ondermijnen van de beginselen. Het begint met schijnbaar onbelangrijke dingen, het nalaten om God in alles trouw te zijn, Hem in alles te vertrouwen, de neiging de gebruiken en gewoonten van de wereld na te volgen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 654, 655.

B. Wat maakte de situatie van David ingewikkeld? . Leg uit, waarom God Davids poging om zijn zonde te bedekken niet kon slagen.

2 Samuël 11:5

5En die vrouw werd zwanger; zo zond zij henen, en liet David weten, en zeide: Ik ben zwanger geworden.

2 Samuël 11:10-13

10En zij gaven het David te kennen, zeggende: Uria is niet afgegaan in zijn huis. Toen zeide David tot Uria: Komt gij niet van de reis? Waarom zijt gij niet afgegaan in uw huis?

11En Uria zeide tot David: De ark, en Israel, en Juda blijven in de tenten; en mijn heer Joab, en de knechten mijns heren zijn gelegerd op het open veld, en zou ik in mijn huis gaan, om te eten en te drinken, en bij mijn huisvrouw te liggen? Zo waarachtig als gij leeft en uw ziel leeft, indien ik deze zaak doen zal!

12Toen zeide David tot Uria: Blijf ook heden hier, zo zal ik u morgen afzenden. Alzo bleef Uria te Jeruzalem, dien dag en den anderen dag.

13En David nodigde hem, zodat hij voor zijn aangezicht at en dronk, en hij maakte hem dronken. Daarna ging hij in den avond uit, om zich neder te leggen op zijn leger, met zijns heren knechten, maar ging niet af in zijn huis.

“Alles, wat David deed om zijn schuld te bedekken, bleek tevergeefs. Hij had zich overgeleverd in de macht van Satan; gevaren omringden hem, en een schande, erger dan de dood, wachtte hem.” –Patriarchen en Profeten, blz. 655.

C. Hoe voelde David zich, toen hij ertoe werd aangezet zonde aan zonde toe te voegen, en hoe dacht God hierover? , 26-27; .

2 Samuël 11:14-17

14Des morgens nu geschiedde het, dat David een brief schreef aan Joab; en hij zond dien door de hand van Uria.

15En hij schreef in dien brief, zeggende: Stel Uria vooraan tegenover den sterksten strijd, en keer van achter hem af, opdat hij geslagen worde en sterve.

16Zo geschiedde het, als Joab op de stad gelet had, dat hij Uria stelde aan de plaats, waarvan hij wist, dat aldaar strijdbare mannen waren.

17Als nu de mannen der stad uittogen en met Joab streden, vielen er van het volk, van Davids knechten, en Uria, de Hethiet, stierf ook.

Psalmen 32:3-4

3Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag.

4Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Sela.

“Er scheen slechts één uitweg, en in zijn wanhoop voegde hij aan zijn overspel een moord toe. Hij, die de ondergang van Saul had bewerkstelligd, trachtte nu ook David ten onder te brengen. Hoewel de verzoekingen van elkaar verschilden, hadden beide geleid tot het overtreden van Gods wet.” –Patriarchen en Profeten, blz. 655-656.
“Hij (David) had zijn eigen zondige handelwijze voor zichzelf verontschuldigd, totdat zijn wegen in zijn eigen ogen begaanbaar leken. Eén verkeerde stap had de weg gebaand voor een andere…
Toen David van God wegging en zijn deugdzame karakter door zijn misdaden bezoedelde, was hij niet langer een man naar Gods hart.” –Spiritual Gifts 4A, blz. 86-87.
DINSDAG · 9 maart

3. Een ernstige berisping

A. Welke boodschap zond God door de profeet Nathan? .

2 Samuël 12:1-9

1En de HEERE zond Nathan tot David. Als die tot hem inkwam, zeide hij tot hem: Er waren twee mannen in een stad, de een rijk en de ander arm.

2De rijke had zeer veel schapen en runderen.

3Maar de arme had gans niet dan een enig klein ooilam, dat hij gekocht had, en had het gevoed, dat het groot geworden was bij hem, en bij zijn kinderen tegelijk; het at van zijn bete, en dronk van zijn beker, en sliep in zijn schoot, en het was hem als een dochter.

4Toen nu den rijken man een wandelaar overkwam, verschoonde hij te nemen van zijn schapen en van zijn runderen, om voor den reizenden man, die tot hem gekomen was, wat te bereiden; en hij nam des armen mans ooilam, en bereidde dat voor den man, die tot hem gekomen was.

5Toen ontstak Davids toorn zeer tegen dien man; en hij zeide tot Nathan: Zo waarachtig als de HEERE leeft, de man, die dat gedaan heeft, is een kind des doods!

6En dat ooilam zal hij viervoudig wedergeven, daarom dat hij deze zaak gedaan, en omdat hij niet verschoond heeft.

7Toen zeide Nathan tot David: Gij zijt die man! Zo zegt de HEERE, de God Israels: Ik heb u ten koning gezalfd over Israel, en Ik heb u uit Sauls hand gered;

8En Ik heb u uws heren huis gegeven, daartoe uws heren vrouwen in uw schoot, ja, Ik heb u het huis van Israel en Juda gegeven; en indien het weinig is, Ik zou u alzulks en alzulks daartoe doen.

9Waarom hebt gij dan het woord des HEEREN veracht, doende wat kwaad is in Zijn ogen? Gij hebt Uria, den Hethiet, met het zwaard verslagen, en zijn huisvrouw hebt gij u ter vrouwe genomen; en hem hebt gij met het zwaard van de kinderen Ammons doodgeslagen.

“God liet in Zijn barmhartigheid David niet over aan de ondergang door de bedrieglijke vrucht der zonde.
Ter wille van Israël moest God wel ingrijpen. Met het verstrijken van de tijd werd de zonde van David met Bathseba bekend, en het vermoeden rees, dat hij de dood van Uria had veroorzaakt. De Here werd onteerd. Hij had David begunstigd en verheven, en de zonde van David stelde Gods karakter onjuist voor en wierp smet op Zijn naam. De kans bestond, dat de standaard van godsvrucht zou worden verlaagd, dat velen minder afschuw zouden koesteren voor de zonde, terwijl degenen, die God niet liefhadden en God niet vreesden, in de zonde gestijfd zouden worden.”
–Patriarchen en Profeten, blz. 657.

B. Vertel het antwoord van David en de onmiddellijke barmhartigheid van God. Wat zouden echter enkele van de bittere gevolgen van Davids zonde zijn?

2 Samuël 12:13

13Toen zeide David tot Nathan: Ik heb gezondigd tegen den HEERE! En Nathan zeide tot David: De HEERE heeft ook uw zonde weggenomen, gij zult niet sterven.

2 Samuël 12:10-12

10Nu dan, het zwaard zal van uw huis niet afwijken tot in eeuwigheid; daarom dat gij Mij veracht hebt, en de huisvrouw van Uria, den Hethiet, genomen hebt, dat zij u ter vrouwe zij.

11Zo zegt de HEERE: Zie, Ik zal kwaad over u verwekken uit uw huis, en zal uw vrouwen nemen voor uw ogen, en zal haar aan uw naaste geven; die zal bij uw vrouwen liggen, voor de ogen dezer zon.

12Want gij hebt het in het verborgen gedaan; maar Ik zal deze zaak doen voor gans Israel, en voor de zon.

2 Samuël 12:14

14Nochtans, dewijl gij door deze zaak de vijanden des HEEREN grotelijks hebt doen lasteren, zal ook de zoon, die u geboren is, den dood sterven.

“David wordt wakker als uit een droom. Hij voelt de strekking van zijn zonde. Hij probeert zijn handelwijze niet te verontschuldigen of zijn zonde te verzachten, zoals Saul deed; maar met wroeging en oprecht verdriet buigt hij zijn hoofd voor de profeet van God en erkent zijn schuld. Nathan vertelt David, dat God vanwege zijn berouw en nederige belijdenis zijn zonde zal vergeven en een deel van de dreigende ramp zal afwenden en zijn leven sparen. Toch moet hij gestraft worden, omdat hij de vijanden van de Heer een grote aanleiding had gegeven om te spotten. Deze gelegenheid is ontwikkeld door de vijanden van God, vanaf de tijd van David tot de huidige tijd. Sceptici hebben het christendom aangevallen en de Bijbel belachelijk gemaakt, omdat David hen daartoe de gelegenheid gaf…
God toont zijn ongenoegen over het feit, dat David meerdere vrouwen heeft door hem te bezoeken met oordelen en door toe te staan, dat kwaad vanuit zijn eigen huis tegen hem opstaat. De vreselijke ramp, die God toestond over David te komen, die vanwege zijn integriteit eens een man naar Gods hart werd genoemd, bewijst aan latere generaties, dat God niemand zou rechtvaardigen bij het overtreden van Zijn geboden, maar dat Hij zeker de schuldigen zal straffen, hoe rechtvaardig en begunstigd door God ze ook mochten zijn geweest, toen ze de Heer volgden in zuiverheid van hart. Wanneer de rechtvaardigen zich afkeren van hun gerechtigheid en kwaad doen, zal hun gerechtigheid uit het verleden hen niet redden van de toorn van een rechtvaardige en heilige God.” –Spiritual Gifts 4A, blz. 86-87.
WOENSDAG · 10 maart

4. Oprecht berouw is nodig

A. Beschrijf de diepte van Davids oprechte berouw. ,,. Welke openlijke oproep doet hij door middel van heilige liederen aan ons allemaal?

Psalmen 51:1-6

1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.

2Toen de profeet Nathan tot hem was gekomen, nadat hij tot Bathseba was ingegaan.

3Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden.

4Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde.

5Want ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij.

6Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in Uw richten.

Psalmen 51:9

9Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw.

Psalmen 51:12-16

12Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest.

13Verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw Heiligen Geest niet van mij.

14Geef mij weder de vreugde Uws heils; en de vrijmoedige geest ondersteune mij.

15Zo zal ik de overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren.

16Verlos mij van bloedschulden, o God, Gij, God mijns heils! zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen.

“David had berouw van zijn zonde in stof en as. Hij smeekte om de vergeving van God en verborg zijn berouw niet voor de grote mannen, en zelfs niet voor dienaren van zijn koninkrijk. Hij schreef een boetepsalm, waarin hij zijn zonde en berouw vertelde, waarvan hij wist, dat deze door latere generaties zou worden gezongen. Hij wenste, dat anderen zouden worden geïnstrueerd door de trieste geschiedenis van zijn leven.
De liederen, die David componeerde, werden door heel Israël gezongen… Hij wist, dat de belijdenis van zijn schuld zijn zonden onder de aandacht zou brengen van andere generaties. Hij presenteert zijn zaak en laat zien, in wie zijn vertrouwen en hoop op vergeving was.” –Spiritual Gifts 4A, blz. 88.
“Hij (David) stelde zich niet gerust met de gedachte, dat zonde iets was, waarmee hij niets te maken had, en dat dit hem niet betrof. Toen hij de diepten van bedrog in zijn eigen hart zag, had hij grote afkeer van zichzelf, en hij bad, dat God hem door Zijn kracht zou bewaren voor de zonde van aanmatiging en hem zou reinigen van verborgen afdwalingen.” –Bijbelkommentaar, blz. 184.

B. Wat moeten wij allemaal beseffen over zonde? ,;.

Ezechiël 33:12-13

12Gij dan, o mensenkind! zeg tot de kinderen uws volks: De gerechtigheid des rechtvaardigen zal hem niet redden ten dage zijner overtreding; en aangaande de goddeloosheid des goddelozen, hij zal om dezelve niet vallen, ten dage als hij zich van zijn goddeloosheid bekeert; en de rechtvaardige zal niet kunnen leven door dezelve zijn gerechtigheid, ten dage als hij zondigt.

13Als Ik tot den rechtvaardige zeg, dat hij zekerlijk leven zal, en hij op zijn gerechtigheid vertrouwt, en onrecht doet, zo zullen al zijn gerechtigheden niet gedacht worden, maar in zijn onrecht, dat hij doet, daarin zal hij sterven.

Ezechiël 33:18

18Als de rechtvaardige afkeert van zijn gerechtigheid, en doet onrecht, zo zal hij daarin sterven.

1 Johannes 3:4

4Een iegelijk, die de zonde doet, die doet ook de ongerechtigheid; want de zonde is de ongerechtigheid.

“Zonde blijft zonde, of deze begaan wordt door iemand op de troon, of door iemand uit het gewone leven. De dag komt, waarop allen, die gezondigd hebben, de zonde moeten belijden, zelfs al is het dan te laat om vergeving te ontvangen. God wacht lang, tot de zondaar zich zal bekeren. Hij openbaart een wondere verdraagzaamheid. Maar ten slotte moet Hij de overtreder van Zijn wet ter verantwoording roepen…
Het ware kind van God houdt terdege rekening met Zijn eisen…
Het is niet veilig voor ons om onze ogen te sluiten en ons geweten te verharden, zodat we onze zonden niet zullen zien of beseffen. We moeten de raad, die we gekregen hebben wat betreft de hatelijke aard van de zonde, steeds voor ogen houden, zodat we ons kunnen bekeren en onze zonden belijden.” –Bijbelkommentaar, blz. 184.
DONDERDAG · 11 maart

5. Voeding voor de gedachte

A. Hoe weten wij, dat God berouw aanneemt? ;,.

Psalmen 51:18-19

18Want Gij hebt geen lust tot offerande, anders zou ik ze geven; in brandofferen hebt Gij geen behagen.

19De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten. [ (Psalms 51:20) Doe wel bij Sion naar Uw welbehagen; bouw de muren van Jeruzalem op. ] [ (Psalms 51:21) Dan zult Gij lust hebben aan de offeranden der gerechtigheid, aan brandoffer en een offer, dat gans verteerd wordt; dan zullen zij varren offeren op Uw altaar. ]

Psalmen 32:1-2

1Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.

2Welgelukzalig is de mens, dien de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.

Psalmen 32:5-7

5Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den HEERE; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela.

6Hierom zal U ieder heilige aanbidden in vindenstijd; ja, in een overloop van grote wateren zullen zij hem niet aanraken.

7Gij zijt mij een Verberging; Gij behoedt mij voor benauwdheid; Gij omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding. Sela.

“David gaf zich niet wanhopig over. In Gods belofte aan berouwvolle zondaars zag hij de zekerheid van zijn vergiffenis en aanneming.” –Patriarchen en Profeten, blz. 664.

B. Hoe kan Davids berouw ons bemoedigen? ;.

Jesaja 55:7

7De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den HEERE, zo zal Hij Zich Zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk.

1 Johannes 1:9

9Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid.

“Velen hebben zich geërgerd aan, wat ze Gods onrechtvaardigheid noemen, omdat Hij David, wiens schuld zo groot was, spaarde, terwijl Saul werd verworpen voor in hun oog veel onbelangrijker zonden. Maar David verootmoedigde zich en beleed zijn schuld, terwijl Saul de bestraffing verwierp en onboetvaardig zijn hart verhardde.
Dit voorval uit Davids leven heeft veel betekenis voor de berouwvolle zondaar. Het is een van de welsprekendste voorbeelden, die ons gegeven zijn betreffende de strijd en verzoekingen van de mens, en van het oprecht berouw jegens God en het geloof in onze Here Jezus Christus. Door de eeuwen heen is het een bron van bemoediging geweest voor mensen, die in zonde zijn gevallen en die gebukt gingen onder de last van hun schuld. Duizenden kinderen Gods, die in zonde gevallen zijn en op het punt stonden de moed te verliezen, hebben gedacht aan Davids oprecht berouw en zijn schuldbekentenis, die door God zijn aanvaard, hoewel hij de straf voor zijn zonde moest ondergaan. Ze hebben moed geschept, zich bekeerd en zich ingespannen verder te gaan op de weg van Gods geboden.
Wie zich onder Gods bestraffing wil verootmoedigen en berouw wil tonen, zoals David dat deed, kan zeker zijn, dat er voor hem hoop is. Wie in geloof Gods beloften aanvaardt, zal vergiffenis ontvangen.“–Patriarchen en Profeten, blz. 664-665.
VRIJDAG · 12 maart

Terugblik

Terugblik

1. Welke omgeving zou mij meer de kans geven om in zonde te vallen?
2. Wanneer was David een man naar Gods hart en wanneer niet?
3. Wat kan ik van David leren, als iemand mij confronteert, zoals Nathan deed?
4. Waarom is diep, oprecht berouw voor ons allemaal zo belangrijk?
5. Hoe kan de tragische geschiedenis van Davids val ons hoop geven?