Spring naar inhoud
Les 7Sabbat, 15 augustus 2020

De afgodendienaar achterlaten

Tekst om te onthouden

“Ten ware de God van mijn vader, de God van Abraham, en de vreze van Izak, bij mij geweest was, gij zoudt mij nu leeg weggezonden hebben”

Genesis 31:42

“De Heer had medelijden met Jakob, en toen Laban op het punt stond hem in te halen, gaf Hij hem een droom om geen goed of slecht tegen Jakob te spreken. Dat wil zeggen, hij moet hem niet dwingen terug te keren, of hem proberen te overtuigen door vleiende aansporingen.” –The Story of Redemption, blz. 91.

Aanvullende studie:: -Patriarchen en Profeten, blz. 163-167.
A. Op welke manier voelde Jacob zich gedwongen om Padan-Aram te verlaten, en wat was Labans reactie?
auto_storiesGenesis 31:20-23open_in_new
20En Jakob ontstal zich aan het hart van Laban, den Syrier, overmits hij hem niet te kennen gaf, dat hij vlood.
21En hij vlood, en al wat het zijne was, en hij maakte zich op, en voer over de rivier, en hij zette zijn aangezicht naar het gebergte Gilead.
22En ten derden dage werd aan Laban geboodschapt, dat Jakob gevloden was.
23Toen nam hij zijn broeders met zich, en jaagde hem achterna, een weg van zeven dagen, en hij kreeg hem op het gebergte van Gilead.
“De kudden werden haastig bijeengebracht en vooruitgestuurd, en samen met zijn vrouwen, kinderen en slaven stak Jakob de Eufraat over, op weg naar Gilead, aan de grenzen van Kanaän. Na drie dagen hoorde Laban van zijn vlucht en zette de achtervolging in, zodat hij op de zevende dag het gezelschap achterhaalde. Hij was woedend en vast besloten hen te dwingen terug te keren, wat hij zonder twijfel had kunnen doen, daar hij veel sterker was.” –Patriarchen en Profeten, blz. 164.
B. Wat weerhield Laban ervan Jakob kwaad te doen, maar wat was zijn kracht als afgodendienaar, toen zij elkaar ontmoetten?
auto_storiesGenesis 31:24-30open_in_new
24Doch God kwam tot Laban, den Syrier, in een droom des nachts, en Hij zeide tot hem: Wacht u, dat gij met Jakob spreekt, noch goed, noch kwaad.
25En Laban achterhaalde Jakob; Jakob nu had zijn tent geslagen op dat gebergte; ook sloeg Laban met zijn broederen de zijne op het gebergte van Gilead.
26Toen zeide Laban tot Jakob: Wat hebt gij gedaan, dat gij u aan mijn hart ontstolen hebt, en mijn dochteren ontvoerd hebt, als gevangenen met het zwaard?
27Waarom zijt gij heimelijk gevloden, en hebt u aan mij ontstolen? en hebt het mij niet aangezegd, dat ik u geleid had met vreugde, en met gezangen, met trommel en met harp?
28Ook hebt gij mij niet toegelaten mijn zonen en mijn dochteren te kussen; nu, gij hebt dwaselijk gehandeld, zo doende.
29Het ware in de macht mijner hand aan ulieden kwaad te doen; maar de God van ulieder vader heeft tot mij gisteren nacht gesproken, zeggende: Wacht u, van met Jakob te spreken, of goed, of kwaad.
30En nu, gij hebt immers willen vertrekken, omdat gij zo zeer begerig waart naar uws vaders huis; waarom hebt gij mijn goden gestolen?
“Dat hij (Laban) zijn vijandige plannen niet volvoerde, was te danken aan het feit, dat de Here Zelf tussenbeide kwam om Zijn knecht te beschermen…
Laban … had Jakob altijd sluw en hardvochtig behandeld. Maar met kenmerkende huichelarij verweet hij Jakob nu, dat deze in het geheim vertrokken was.” –Patriarchen en Profeten, blz. 164.