“Ten ware de God van mijn vader, de God van Abraham, en de vreze van Izak, bij mij geweest was, gij zoudt mij nu leeg weggezonden hebben”
Genesis 31:42
“De Heer had medelijden met Jakob, en toen Laban op het punt stond hem in te halen, gaf Hij hem een droom om geen goed of slecht tegen Jakob te spreken. Dat wil zeggen, hij moet hem niet dwingen terug te keren, of hem proberen te overtuigen door vleiende aansporingen.” –The Story of Redemption, blz. 91.
Aanvullende studie:: -Patriarchen en Profeten, blz. 163-167.
A. Op welke manier voelde Jacob zich gedwongen om Padan-Aram te verlaten, en wat was Labans reactie?
Genesis 31:20-23.
“De kudden werden haastig bijeengebracht en vooruitgestuurd, en samen met zijn vrouwen, kinderen en slaven stak Jakob de Eufraat over, op weg naar Gilead, aan de grenzen van Kanaän. Na drie dagen hoorde Laban van zijn vlucht en zette de achtervolging in, zodat hij op de zevende dag het gezelschap achterhaalde. Hij was woedend en vast besloten hen te dwingen terug te keren, wat hij zonder twijfel had kunnen doen, daar hij veel sterker was.” –Patriarchen en Profeten, blz. 164.
B. Wat weerhield Laban ervan Jakob kwaad te doen, maar wat was zijn kracht als afgodendienaar, toen zij elkaar ontmoetten?
Genesis 31:24-30.
“Dat hij (Laban) zijn vijandige plannen niet volvoerde, was te danken aan het feit, dat de Here Zelf tussenbeide kwam om Zijn knecht te beschermen…
Laban … had Jakob altijd sluw en hardvochtig behandeld. Maar met kenmerkende huichelarij verweet hij Jakob nu, dat deze in het geheim vertrokken was.” –Patriarchen en Profeten, blz. 164.
A. Waarom kunnen wij aangemoedigd worden door Jakobs haat tegen afgoderij, en gewaarschuwd worden door Rachels verborgen zonde, die zeker het gezin beïnvloedde?
Genesis 31:31-35;
Spreuken 15:3.
“Dezelfde geest van heidense afgoderij is tegenwoordig wijdverbreid, ofschoon ze onder invloed van wetenschap en scholing een meer verfijnde en aantrekkelijke vorm heeft aangenomen. Elke dag voegt zorgelijk bewijs toe aan het feit, dat geloof in het waarachtig profetisch woord snel afneemt, en dat in plaats daarvan bijgeloof en satanische tovenarij het verstand van de mensen in beslag neemt. Allen, die de Schriften niet oprecht onderzoeken en niet iedere wens en elk doel in het leven onderwerpen aan deze onfeilbare toets, allen, die God niet zoeken in gebed om Zijn wil te leren kennen, zullen zeker afdwalen van het juiste pad en aan het bedrog van Satan ten prooi vallen.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 158-159.
“Doe niets voor vreemden, wat u niet in het bijzijn van uw vader en moeder zou doen, of waar u zich voor zou schamen voor Christus en de heilige engelen…
Wees op uw hoede, want u kunt niets doen, dat niet open en bloot ligt voor de ogen van engelen en van God. U kunt niet iets verkeerds doen en denken, dat het anderen niet raakt. Terwijl uw gedrag laat zien, waarmee uw eigen karakter wordt opgebouwd, heeft dit tevens een sterke invloed op anderen.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 325-326.
B. Hoe vatte Jakob zijn leven met de zelfzuchtige Laban samen, en wat was het enige antwoord, dat Laban kon geven?
Genesis 31:36-42,
Genesis 31:44,
Genesis 31:48-50.
“Laban kon de feiten, die Jakob aanvoerde, niet weerleggen; hij stelde nu voor om een verbond des vredes te sluiten.” –Patriarchen en Profeten, blz. 164.
“Laban begreep het verkeerde van polygamie, hoewel het alleen door zijn listigheid was, dat Jakob twee vrouwen had genomen. Hij wist heel goed, dat het de jaloezie van Lea en Rachel was, die hen leidde om hun dienstmeisjes aan Jakob te geven, wat het gezinsleven verwarde en het niet gelukkig zijn van zijn dochters deed toenemen. En nu zijn dochters op grote afstand van hem reizen, en hun belang volkomen is gescheiden van het zijne, zou hij hun geluk zo ver als mogelijk bewaken. Laban wilde niet, dat Jakob zichzelf en Lea en Rachel nog meer ongelukkig zou maken door andere vrouwen te nemen.” –Spiritual Gifts 3, blz. 126.
A. Hoe sloot Jakob zijn ervaring in Paddan-Aram af?
Genesis 31:51-55.
“Om het verbond te bezegelen hielden de verwanten een feestmaal. De nacht werd in vriendschappelijk samenzijn doorgebracht, en bij het aanbreken van de dag vertrokken Laban en zijn metgezellen. Met deze scheiding kwam een eind aan alle contact tussen de kinderen van Abraham en de bewoners van Mesopotamië.” –Patriarchen en Profeten, blz. 165.
B. Wat is bemoedigend aan de welkome zegen, die Jakob ontving, toen hij aan de reis naar zijn vaderland begon?
Genesis 32:1-2.
“Hoewel Jakob Paddan-Aram had verlaten, omdat God hem dit had gezegd, was hij niet volkomen gerust, toen hij de weg weer insloeg, die hij twintig jaar geleden als vluchteling had gevolgd. Altijd nog stond zijn zonde, toen hij zijn vader bedrogen had, hem voor ogen. Hij wist, dat zijn langdurige ballingschap het directe gevolg was van deze zonde, en onophoudelijk dacht hij over deze dingen na, zodat hij zijn zelfverwijt deze reis tot een verdrietige reis maakte…
Terwijl hij het einde van zijn reis naderde, veroorzaakte de gedachte aan Esau een dreigend voorgevoel. Na de vlucht van Jakob had Esau zich beschouwd als de enige erfgenaam van de bezittingen van zijn vader. De tijding van Jakobs terugkeer zou de vrees wekken, dat deze kwam om de erfenis op te eisen. Nu was Esau in staat zijn broer groot nadeel toe te brengen, als hij dat wilde. Het was mogelijk, dat hij geweld zou gebruiken, niet alleen uit wraak, maar ook om er zeker van te zijn dat de rijkdom, die hij reeds zo lang als de zijne had beschouwd, in zijn bezit zou blijven.
Opnieuw schonk de Here aan Jakob een bewijs van Zijn zorg. Terwijl hij zuidwaarts reisde vanaf het gebergte Gilead, schenen twee hemelse legers hem van voren en van achteren te omgeven, alsof ze hem beschermden. Jakob dacht aan het visioen in Betel, zo lang geleden, en zijn bezwaard hart werd lichter bij het zien van de hemelse boodschappers, die hem hoop en moed hadden gebracht, toen hij uit Kanaän moest vluchten en die nu op zijn terugtocht zijn beschermers waren. En hij zei: ‘Dit is een leger Gods’. Daarom noemde hij die plaats ‘Machanaïm’, twee legers of legerkampen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 166.
A. Welke wijze voorzorgsmaatregel nam Jakob voor zijn veiligheid?
Genesis 32:3-5.
“Toch meende Jakob, dat hij iets moest doen om zijn eigen veiligheid te verzekeren. Daarom zond hij boden met een verzoenende groet aan zijn broer. Hij vertelde hun nauwkeurig welke woorden ze tot Esau moesten spreken. Vóór de geboorte van de beide broers was voorzegd, dat de meerdere de mindere zou dienen. Om de herinnering aan deze woorden geen oorzaak van bitterheid bij Esau te maken zei Jakob, dat de knechten moesten vertellen aan ‘mijn heer Esau’, dat ‘uw knecht Jakob’ hen gezonden had; en om de vrees weg te nemen dat hij, een van alles verstoken reiziger, nu het vaderlijk erfdeel kwam opeisen, maakte Jakob melding in zijn boodschap: ‘Ik heb runderen, ezels en kleinvee, slaven en slavinnen verworven, en ik laat dit mijn heer meedelen om uw genegenheid te winnen’ (Genesis 32:5).” –Patriarchen en Profeten, blz. 166-167.
“Jakob eiste niet de voorrang voor zichzelf, maar richtte zich beleefd tot zijn broer als een meerdere, hopende zo de woede te kalmeren, die zijn vroegere weg had opgewekt.” –The Signs of the Times, 20 november 1879.
B. Hoe reageerden de boodschappers, ondanks Jakobs tact?
Genesis 32:6.
“Maar de knechten keerden terug met het bericht, dat Esau onderweg was met vierhonderd mannen, en dat hij niets geantwoord had op de vriendelijke boodschap.” –Patriarchen en Profeten, blz. 167.
C. Beschrijf de situatie van Jakob op dit punt.
Genesis 32:7-8.
“Hij (Jakob) kon niet teruggaan en hij vreesde verder te trekken. Zijn leger, dat ongewapend was en niet in staat zich te verdedigen, was volkomen onvoorbereid op een vijandelijke ontmoeting. Dus deelde hij zijn gezelschap in twee groepen, zodat een groep gelegenheid zou hebben te ontkomen als de andere mocht worden aangevallen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 167.
A. Wat voor ervaring onderging Jakob nu, net als Job?
Job 7:6,
Job 7:20.
“Het was een eenzame, bergachtige streek, waar wilde dieren vertoefden en waar rovers en moordenaars zich schuilhielden. Eenzaam en onbeschermd boog Jakob zich in diepe ootmoed ter aarde. Het was middernacht. Al degenen, van wie hij hield, waren van hem verwijderd, blootgesteld aan dood en verderf. Het moeilijkst te verwerken was de gedachte, dat zijn eigen zonde al deze gevaren over deze onschuldigen had gebracht.” –Patriarchen en Profeten, blz. 167-168.
B. Beschrijf de natuurlijke toestand van een ieder van ons, en verklaar onze enige hoop.
Jesaja 1:5-6,
Jesaja 1:18-20.
“Van nature zijn we van God vervreemd. De Heilige Geest beschrijft onze toestand als volgt: ‘Dood in overtredingen en zonden’; ‘Het gehele hoofd is ziek, het gehele hart vol krankheid’; ‘Er is niets gaaf’. We worden vastgehouden in de strik van Satan, ‘die hen
gevangen hield’. (Efeze 2:1; Jesaja 1:5-6; 2 Timótheüs 2:26).
God wil ons genezen, ons bevrijden. Maar omdat dit een totale verandering vergt, een vernieuwing van ons gehele wezen, moeten we onszelf helemaal aan Hem overgeven.
De strijd tegen ons eigen ik is de zwaarste strijd, die te strijden valt. Het ondergeschikt maken van het eigen ik, het volledig onderwerpen van onze wil aan God, vraagt strijd. Maar men moet zich innerlijk aan God overgeven, voordat men de heilige vernieuwing kan ondergaan.” –Schreden naar Christus, blz. 51.
1. Waarom was Laban boos, ongeacht zijn woorden, door het vertrek van Jakob?
2. Welke slechte gewoonten had Rachel kennelijk van haar vader geleerd?
3. Hoe troostte de Heer Jakob in zijn stressvolle vertrekuur?
4. Welke verandering van houding besefte Jakob, dat hij nodig had om Ezau te benaderen?
5. Waar alleen kunnen wij hulp zoeken, als wroeging onze problemen vergezelt?