Tekst om te onthouden: “O Mijn volk, wat heb Ik u gedaan; en waarmee heb Ik u vermoeid? Betuig tegen Mij. Immers heb Ik u uit Egypteland opgevoerd, en u uit het diensthuis verlost” (Micha 6:3-4, eerste deel).
Micha 6:3-4
“Geen aardse ouder heeft ooit zo ernstig gepleit voor een dwalend kind als Hij, die ons geschapen heeft, pleit voor de overtreder.” –Testimonies for the Church, vol. 8, blz. 275.
Aanvullende studie:: –De Grote Strijd, blz. 240-251.
A. Wat voor dingen gebeurde er in Juda, toen Achaz de troon besteeg?
2 Koningen 16:2-4.
“De troonsbestijging van Achaz bracht Jesaja en zijn medeprofeten oog in oog met toestanden, die meer verbijsterden dan ooit eerder in het rijk van Juda het geval was geweest. Velen, die voorheen aan de verleidende invloed van afgodische gebruiken weerstand hadden geboden, werden nu overgehaald om deel te nemen aan de aanbidding van heidense goden. De vorsten in Israël bleken ontrouw aan het vertrouwen, dat in hen was gesteld; valse profeten kwamen met boodschappen om te verleiden, zelfs enkele priesters onderwezen voor geld. Toch hielden de leiders van de afval vast aan een vorm van aanbidding van God en beweerden, dat ze gerekend werden tot Gods volk.” –Profeten en Koningen, blz. 199.
B. Hoe reageerde God op deze gruwelen?
Jeremia 7:30-34.
“Door een misvormde voorstelling van goddelijke eigenschappen werden heidense volken ertoe gebracht te geloven, dat mensenoffers noodzakelijk waren om de gunst der goden te verkrijgen; en de ergste wreedheden zijn begaan onder de verschillende vormen van afgoderij. Een van deze gebruiken was, dat de kinderen ten aanschouwen van de afgoden door het vuur moesten gaan… In tijden van afval bestond dit gebruik ook in Israël.” –Patriarchen en Profeten, blz. 302-303.
A. Wie riep God, naast Jesaja en Jeremia, nog meer om tot Juda te profeteren, en waarom?
Micha 1:1-5;
2:1-2, 7.
B. Hoe moest Micha tijdens de regering van Hizkia, de zoon van Achaz, de valse profeten aanpakken? En waarom is dit vandaag de dag ook nodig?
Micha 3:5-8;
2 Timótheüs 4:3-4.
“Wanneer God de mensen boodschappen zendt, die zó belangrijk zijn, dat ze worden verkondigd door heilige engelen, die in het midden des hemels vliegen, verwacht Hij van iedereen met gezond verstand, dat hij ook aandacht zal schenken aan die boodschap. De vreselijke oordelen, die zijn uitgesproken over de aanbidding van het beest en zijn beeld (Openbaring 14:9-11), zouden de mensen moeten aansporen tot een grondig onderzoek van de profetieën om te weten te komen, wat het merkteken van het beest is en hoe ze aan het ontvangen van dat merkteken kunnen ontkomen. Maar de grote massa wil de waarheid niet horen en luistert liever naar fabels. De apostel Paulus heeft over de eindtijd gezegd: Want er komt een tijd, dat ze (de mensen) de gezonde leer niet (meer) zullen verdragen’ (2 Timótheüs 4:3). Die tijd is nu aangebroken. De meeste mensen zijn niet gesteld op de waarheid van de Bijbel, omdat ze indruist tegen het zondige, wereldse hart. Satan zorgt dan wel voor de misleidingen, waar ze zó van houden. Toch zal God een volk op aarde hebben, dat de Bijbel, en de Bijbel alléén, zal hooghouden als de maatstaf voor alle leerstellingen en de grondslag voor alle hervormingen. De meningen van geleerden, de gevolgtrekkingen van de wetenschap, de geloofsbelijdenissen of beslissingen van kerkvergaderingen, die even talrijk en tegenstrijdig zijn als de kerken, die ze vertegenwoordigen, de stem van de meerderheid, niets van dit alles mag worden beschouwd als het bewijs vóór of tegen één of ander geloofspunt. Voordat men leerstellingen of geboden aanneemt, moet men het bewijs hebben, dat ze door een duidelijk ‘Zo spreekt de Heere’ worden gestaafd.” –De Grote Strijd, blz. 549.
C. Beschrijf het gevaar van een karakter vol eigendunk.
Micha 3:9-12.
“(Zie Micha 3:9-11). Deze woorden geven een nauwkeurige beschrijving van de verdorven en eigengerechtige inwoners van Jeruzalem. Terwijl ze beweerden de geboden van Gods wet stipt na te leven, overtraden ze al haar beginselen… Hun eigengerechtigheid was zó groot dat, toen ze hun Messias ter dood brachten, omdat Hij hun zonden afkeurde, ze zichzelf toch bleven beschouwen als Gods uitverkoren volk en verwachtten, dat God hen van hun vijanden zou verlossen.” –De Grote Strijd, blz. 25.
A. Wat vertraagde het door Micha voorzegde oordeel, en hoe weerspiegelt dit Gods genade?
Jeremia 26:18-19.
B. Welke belofte geeft God aan degenen, die overwinnen, en hoe wijst dit op het herstel van Eden?
Micha 4:1-2,
6-8.
“Omdat Satan erin geslaagd was de mens af te brengen van het pad van gehoorzaamheid, werd hij ‘de god van deze wereld’. (2 Korinthe 4:4). De heerschappij, die Adam had gekregen, was overgegaan naar de overweldiger. Maar Gods Zoon had voorgesteld naar deze aarde te komen om de straf voor de zonde te betalen, en op deze wijze niet alleen de mens te verlossen, maar ook het verloren rijksgebied te herwinnen. Van dit herstel profeteerde Micha: ‘En gij, Migdal-Eder,Ofel der dochter Sions, tot U zal genaken en komen de heerschappij van voorheen’ (Micha 4:8).” Profeten en Koningen, blz. 419.
“De grootste belangstelling, die de mensen kunnen tonen voor de vonnissen van aardse rechtbanken, is maar een zwakke afschaduwing van de belangstelling in de hemelse rechtbanken, wanneer de namen, die in het boek des levens geschreven staan, worden beoordeeld door de Rechter der gehele aarde. De goddelijke Advocaat pleit dat allen, die de overwinning door het geloof in Zijn bloed hebben behaald, vergiffenis zouden krijgen voor hun overtredingen, weer een plaats in Eden zouden krijgen en gekroond zouden worden als mede-erfgenamen met Hem om ‘de heerschappij van voorheen’ weer uit te oefenen. (Micha 4:8). Satan heeft met zijn pogingen om de mensheid te bedriegen en te verleiden Gods plan met de schepping van de mens willen verijdelen, maar Christus vraagt nu, dat dit plan wordt uitgevoerd, alsof de mens nooit was gevallen. Hij vraagt niet alleen volledige vergeving en volkomen rechtvaardigmaking voor Zijn volgelingen, maar ook een deel van Zijn heerlijkheid en een plaats op Zijn troon.” –De Grote Strijd, blz. 446-447.
C. Hoe profeteerden Micha en anderen over deze uiteindelijke overwinning?
Micha 4:10-12.
“De profeten, aan wie deze verheven tonelen werden geopenbaard, verlangden de betekenis daarvan te kennen… Van welke diepe betekenis, van welk een groot belang zijn voor die aan de vooravond van hun vervulling staan, deze schilderingen van de komende dingen, gebeurtenissen, waarop onze stamouders het Paradijs moesten verlaten, Gods kinderen onder waken en bidden hebben gewacht, en waarnaar zij steeds hebben verlangd!” –Karaktervorming, blz. 184-185.
A. Hoe werd in een overvloedige uitstorting van Gods genade de profetie uit
Micha 5:1-2
vervuld, die de eeuwige goddelijke natuur van Christus onthulde, en hoe werd toch de schoonheid ervan over het hoofd gezien?
Matthéüs 2:3-6.
“Zo sprak God zowel door patriarchen en profeten, als door zinnebeelden en symbolen tot de wereld over de komst van een Verlosser van zonde. Een lange reeks profetieën wees naar de komst van de ‘Wens aller volken’ (Haggaï 2:7). Zelfs de plaats van Zijn geboorte en de tijd van Zijn komst waren nauwkeurig aangegeven. Davids Zoon moest geboren worden in de stad van David.” –Profeten en Koningen, blz. 427.
“Bij Christus’ eerste komst hadden de priesters en Schriftgeleerden van de Heilige Stad, die de bewaarders van Gods uitspraken waren, de tekenen des tijds kunnen onderscheiden en de komst van de beloofde Messias kunnen verkondigen. Micha had Zijn geboorteplaats voorzegd en Daniël had de tijd van Zijn komst gegeven. (Micha 5:2; Daniël 9:25). God had deze profetieën aan de Joodse leiders toevertrouwd. Ze konden geen enkele verontschuldiging inroepen, als ze dat niet wisten en de mensen niet vertelden, dat de komst van de Messias nabij was. Hun onwetendheid was het gevolg van misdadige nalatigheid. De Joden richtten monumenten op voor de vermoorde profeten van God, terwijl ze door hun ontzag voor de groten van deze wereld eer bewezen aan de medewerkers van Satan. Zij waren in beslag genomen door hun eerzuchtig streven naar een hoge plaats en macht, dat ze geen oog hadden voor de goddelijke eer, die hun door de Koning des hemels werd aangeboden.” –De Grote Strijd, blz. 293-294.
B. Wat werd onthuld als Gods plan voor het overblijfsel van Israël?
Micha 5:7.
“Hij, die vrede heeft met God en zijn medemensen, kan niet ongelukkig gemaakt worden. In zijn hart zal geen naijver zijn; boze vermoedens zullen daar geen plaats vinden; haat kan er niet bestaan. Het hart, dat in harmonie is met God, heeft deel \`aan de vrede des hemels, en zal de gezegende invloed ervan overal om zich heen verspreiden. De geest van vrede zal als dauw rusten op harten, die vermoeid en belast zijn door strijd in de wereld. De volgelingen van Christus worden de wereld ingezonden met de boodschap van vrede. Een ieder, die door de rustige, onbewuste invloed van een heilig leven, de liefde van Christus zal openbaren; een ieder die, door woord of daad, een ander ertoe zal brengen de zonde te laten varen en zijn hart aan God over te geven, is een vredestichter… De zoete reuk van Christus omgeeft hen. De geur des levens, de lieflijkheid van karakter openbaren aan de wereld het feit, dat zij kinderen Gods zijn.“ –Gedachten van de Berg der Zaligsprekingen, blz. 30-31.
A. Welke prachtige oproep deed Micha tijdens de regering van Achaz, waarbij hij het dwalende Israël uitnodigde om terug te keren naar hun trouw aan God?
Micha 6:2-5.
“God heeft een strijdpunt met allen, die ook maar de minste onrechtvaardigheid bedrijven; want door dat te doen verwerpen zij Gods gezag en brengen zij hun belang in de verzoening, de verlossing die Christus voor elke zoon en dochter van Adam op zich heeft genomen, in gevaar. Zal het lonen om een handelwijze te volgen die God afschuwelijk vindt? Zal het lonen om vreemd vuur op uw wierookvaten te leggen en voor God te offeren, en te zeggen dat het geen verschil maakt?” –Testimonies to Ministers, blz. 373.
B. Op welke hart-verlangende smeekbede van veel mensen wil God graag beantwoorden?
Micha 6:6-7;
Jeremia 8:22;
Johannes 1:29.
“Het is voor ons onmogelijk om in eigen kracht te ontsnappen uit het moeras van de zonde, waarin we verzonken zijn. Onze harten zijn slecht en wij zullen ze nooit kunnen veranderen… Het is niet genoeg om het geduld en de liefde van God te zien, om Zijn vrijgevigheid, Zijn vaderlijke zorg en Zijn karakter te aanschouwen. Het is niet genoeg om de wijsheid en de rechtvaardigheid van Zijn wet te onderscheiden en om te beseffen, dat deze gebaseerd is op het eeuwige principe van liefde. De apostel Paulus besefte dit allemaal, toen hij uitriep: ‘Ik stem toe, dat de wet goed is.’ ‘Zo is dan de wet heilig, en ook het gebod is heilig, en rechtvaardig en goed.’ Maar hij voegde er in bitterheid over zijn innerlijke nood en wanhoop aan toe: ‘… ik echter ben vlees, verkocht onder de zonde.’ (Romeinen 7:16, 12, 14). Hij verlangde naar de zuiverheid, de gerechtigheid, die hij uit zichzelf niet kon bereiken, en riep uit: ‘Ik ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit dit lichaam dezes doods?’ (Romeinen 7:24). Dat is de kreet, die in alle landen en in alle tijden is opgestegen uit bezwaarde harten. En op dit alles is er maar één antwoord: ‘Zie, het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt’ (Johannes 1:29).” –Schreden naar Christus, blz. 20-23.
1. Met welke geschiedenis moeten wij rekening houden bij het plannen van onze eredienst?
2. Wat zijn de kenmerken van de leerstellingen van Gods gemeente in de laatste dagen?
3. Waarom werd Micha vervuld met hoop voor de toekomst?
4. Leg het contrast uit tussen de Joden in de tijd van Christus en het laatste overblijfsel.
5. Wat maakt het mogelijk voor God om het hart van Zijn dwalende kinderen te bereiken?