Tekst om te onthouden: “Het heeft u bedorven, o Israël, want in Mij is uw hulp” (Hoséa 13:9).
Hoséa 13:9
“Iedere lichtstraal, die wordt verworpen, iedere waarschuwing die wordt afgewezen of niet in acht wordt genomen, iedere hartstocht waaraan men toegeeft, iedere overtreding van Gods wet, is een zaad, dat gezaaid wordt en dat zeker zijn oogst zal opleveren.” –De Grote Strijd, blz. 33.
Aanvullende studie:: –Testimonies for the Church, vol. 4, blz. 186–213.
A. Welke waarschuwing klinkt door tot aan het einde van de onderzoektijd?
Hoséa 9:7.
“Het hart van A is niet toegewijd geweest aan God. Hij heeft capaciteiten en talenten, waarvoor hij verantwoording moet afleggen aan de grote Gever van alles. Zijn hart is ongewijd en zijn leven onwaardig aan zijn beroep; toch is hij al meer dan vele jaren nauw verbonden met het heilige werk van God. Wat een licht heeft hij gehad, wat een voorrechten! Hij heeft de zeldzaamste kansen genoten om een sterk christelijk karakter te ontwikkelen. De woorden van Christus, toen Hij weende over Jeruzalem, zijn op hem van toepassing: ‘Och, of gij ook bekendet, ook nog in deze uw dag, wat tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen’. A, de vergelding van God hangt boven u, ‘omdat gij de tijd van uw bezoeking niet hebt gekend’. B heeft dezelfde geestesgesteldheid, maar is niet zo door en door egoïstisch. Beiden zijn liefhebbers van genot meer dan liefhebbers van God. Hun gedrag is volkomen onverenigbaar met het christelijk leven. Ze missen stabiliteit, matigheid en toewijding aan God. Bij B is het werk van genade veel te oppervlakkig. Hij verlangt ernaar een christen te zijn, maar streeft er niet naar de overwinning over zichzelf te behouden en schept op over zijn overtuigingen van goed en kwaad. Daden, geen ijdele woorden en lege bedoelingen, zijn aanvaardbaar voor God. A, u hebt het woord van God gehoord in vermaningen, in raadgevingen, in waarschuwingen, en ook in de smeekbeden van liefde. Maar horen is niet genoeg. ‘Wees daders van het woord en niet alleen hoorders, anders bedriegt u uzelf.’ Het is gemakkelijk om je door de stroom te laten meevoeren en met de menigte Hosanna te roepen; maar in de rust van het dagelijks leven, wanneer er geen bijzondere opwinding of verheffing is, komt de toets van het ware christendom.” –Testimonies for the Church, vol. 4, blz. 187-188.
A. Hoe leidt de vijand gelovigen vaak tot de ondergang?
Hoséa 9:8-9,
17.
“Hij (Satan) grijpt mannen en vrouwen, die zelfzuchtig en onheilig zijn, en stelt hen als wachters bij de trouwe dienstknechten Gods om hun woorden, hun daden en hun motieven in twijfel te trekken, kritiek uit te oefenen en te morren, wanneer ze berispt en gewaarschuwd worden. Door hen verwekt hij achterdocht en naijver, en probeert de moed van de gelovigen te verzwakken, de onheiligen te behagen en de verrichtingen van Gods dienstknechten teniet te doen. Satan heeft grote macht uitgeoefend over de geest der ouders door hun tuchteloze kinderen. De zonde van ouderlijk verzuim staat op het debet van de vele Sabbatvierende ouders. De geest van kletsen en overbrieven is een van Satans speciale hulpmiddelen om onenigheid en twist te zaaien, om vrienden te scheiden en het geloof in de vastheid van ons standpunt bij velen te ondermijnen. Broeders en zusters staan maar al te gauw klaar om te praten over fouten en dwalingen, die anderen volgens hun mening hebben, en dat zijn dan volgens hen vooral diegenen, die onversaagd de boodschappen van vermaning en waarschuwing hebben doorgegeven, die ze van God hebben ontvangen. De kinderen van die klagers luisteren met open oor en ontvangen het gif van alle ontevredenheid. In hun verbinding sluiten de ouders de toegangen, waardoor de harten van hun kinderen bereikt hadden kunnen worden. Hoeveel gezinnen kruiden hun dagelijkse maaltijden met twijfel en verdachtmakingen? Zij ontleden het karakter van hun bekenden en dienen dat op als een heerlijk dessert.“ –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 1, blz. 507-508.
B. Wat was de grondoorzaak van Israëls geestelijke mislukking?
Hoséa 10:1;
Deuteronomium 8: 11-14.
“Maar het volk van Israël verloor zijn verheven voorrechten als Gods vertegenwoordigers uit het oog. Zij vergaten God en slaagden er niet in hun heilige opdracht te volbrengen. De zegeningen, die zij ontvingen, brachten geen zegen aan de wereld. Alle voorrechten eigenden zij zich toe tot verheerlijking van zichzelf. Zij sloten zich van de wereld af om zo aan verzoekingen te ontkomen. De beperkingen, die God hen in hun omgang met afgodendienaars had opgelegd als middel om hen te behoeden tegen deelname aan de praktijken der heidenen, gebruikten zij om een scheidsmuur op te richten tussen zichzelf en alle andere volken. Zij beroofden God van de dienst, die Hij van hen verlangde, en zij beroofden hun medemensen van een godsdienstig richtsnoer en een heilig voorbeeld. Priesters en oversten waren vastgelopen in een sleur van vormelijkheid. Zij vergenoegden zich met een wettische godsdienst en waren niet meer in staat aan anderen de levende, hemelse waarheden te brengen.“ –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 12.
A. Welke oproep doet God aan Zijn volk, dat geestelijk ongevoelig is geworden?
Hoséa 10:12;
Jakobus 4:8.
“Onze gemeenten moeten samenwerken aan het werk van geestelijke bewerking, met de hoop om spoedig te oogsten. Er is veel verdorvenheid te overwinnen, veel dwarsbomen van heilige plannen en toegewijde inspanning, vanwege het boze hart van ongeloof. Maar het werk moet gedaan worden. De grond is hardnekkig, maar de braakliggende grond moet worden omgeploegd, de zaden van gerechtigheid moeten worden gezaaid. Wacht niet, door God geliefde leraren, alsof u twijfelt of u een werk moet voortzetten, dat zal groeien naarmate het wordt uitgevoerd. Laat het niet afweten, en wees niet ontmoedigd. Zij, die in tranen zaaien, zullen met vreugde oogsten… Bedenk dat u niet op uzelf kunt vertrouwen.“ –Testimonies for the Church, vol. 6, blz. 420.
B. Hoe openbaart God Zijn tedere liefde voor Zijn volk, door Zijn hand naar ons uit te strekken, zelfs in onze eigenzinnigheid?
Hoséa 11:1-4.
“Hoewel Hij nu is opgevaren tot in de tegenwoordigheid van God, en de troon van het heelal deelt, heeft Jezus Zijn ontfermende geest geenszins verloren. Op het ogenblik staat hetzelfde tedere, medelijdende hart open voor alle smarten der mensheid. Heden wordt die hand, die doorstoken werd, uitgestoken om Zijn kinderen, die in de wereld zijn, nog overvloediger te zegenen. ‘Zij zullen voorzeker niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit Mijn hand roven’. De ziel, die zichzelf aan Christus heeft gegeven, is kostbaarder in Zijn ogen dan de gehele wereld. De Heiland zou door het lijden van Golgotha zijn gegaan om één mens te redden voor Zijn koninkrijk. Hij zal nooit één mens, voor wie Hij gestorven is, verlaten. Tenzij Zijn volgelingen verkiezen Hem te verlaten, zal Hij hen vasthouden. In al onze beproevingen hebben wij een nimmer falende Helper. Hij laat ons niet alleen, om te worstelen met verzoeking, om strijd te voeren met het boze, en ten slotte verpletterd te worden onder lasten en smart. Hoewel Hij nu is onttrokken aan sterfelijke ogen, kan het oor des geloofs Zijn stem horen, die zegt: Vrees niet; Ik ben met u… ‘Ik ben … Ik heb uw smarten gedragen, uw worstelingen ervaren, uw verzoekingen het hoofd geboden. Ik ken uw tranen; Ik heb ook geweend. De smarten, die te diep zijn om in welk mensenoor ook te fluisteren, ken Ik. Denk niet, dat gij alleen en verlaten zijt. Hoewel uw pijn geen enkele snaar in enig hart op aarde doet trillen, zie op Mij en leef.” –De Wens der Eeuwen, blz. 419.
A. Wat illustreert de diepte van Gods genade?
Hoséa 11:7-9;
Lukas 13:6-9.
“Moet (God) het volk voor wie zo’n voorziening is getroffen, zelfs Zijn eniggeboren Zoon, het uitdrukkelijke evenbeeld van Hemzelf, overgeven? God staat toe, dat Zijn Zoon wordt overgeleverd voor onze overtredingen. Hij neemt Zelf het karakter van een rechter aan ten opzichte van de Zondedrager, waarbij Hij afstand doet van de innemende kwaliteiten van een vader. Hierin beveelt Zijn liefde zich aan op de meest wonderbaarlijke wijze aan het opstandige geslacht. Wat een gezicht voor engelen om te aanschouwen!“ – Testimonies to Ministers, blz. 246.
B. Waarom gebruikt God profeten, en hoe zijn ze beslissend voor geestelijk herstel?
Hoséa 12:10,
13;
Amos 3:7.
“Deze duidelijke uitspraken van de profeten en van de Meester Zelf zouden als Gods stem tot iedere ziel door ons moeten aanvaard worden.” –Profeten en Koningen, blz. 202.
C. Wat laat zien, dat God rechtvaardig is, zelfs in het tragische einde van Israël?
Hoséa 13:4-9;
14:1.
“Hun ellende wordt vaak voorgesteld als een straf, die hen trof door een bevel, dat rechtstreeks van God kwam. Zo probeert de aartsbedrieger zijn eigen werk te verdoezelen. Door hun hardnekkige verwerping van Gods liefde en barmhartigheid waren de Joden er zelf de oorzaak van, dat God Zijn beschermende hand van hen wegtrok, waardoor Satan naar willekeur over hen kon heersen. De afschuwelijke wreedheden, die werden bedreven bij de verwoesting van Jeruzalem, zijn een bewijs van Satans wrekende macht over hen, die zich door hem laten beheersen. Wij kunnen niet beseffen, hoeveel wij Christus verschuldigd zijn voor de vrede en bescherming, die we genieten. Dank zij Gods beschermende hand komt de mensheid niet helemaal onder Satans heerschappij. De ongehoorzamen en ondankbaren hebben alle redenen tot dankbaarheid voor Gods genade en lankmoedigheid bij het beteugelen van de wrede, kwaadaardige macht van de Boze. Maar wanneer de mens de grens van Gods geduld overschrijdt, laat God de teugels los. God staat niet tegenover de zondaar als de uitvoerder van het vonnis op de overtreding; maar Hij laat degenen, die Zijn genade verwerpen, aan hun eigen lot over om te oogsten, wat ze gezaaid hebben.” –De Grote Strijd, blz. 33.
A. Hoe illustreerde Jezus het lot van Zijn volk als een natie?
Matthéüs 21:19- 20.
“Jezus was hongerig naar de vijgenboom gekomen om voedsel te vinden. Zo was Hij ook naar Israël gekomen, hongerend om bij hen vruchten der gerechtigheid te vinden. Hij had hun rijkelijk Zijn gaven gegeven, opdat zij vrucht zouden dragen tot zegen voor de wereld. Iedere kans en voorrecht was hun gegeven, en daarvoor verlangde Hij hun medeleven en medewerking bij Zijn werk der genade. Hij verlangde in hen zelfopoffering en mededogen te zien, ijver voor God en een innig zielsverlangen naar het behoud van hun medemensen. Indien zij de wet van God hadden onderhouden, dan zouden ze hetzelfde onzelfzuchtige werk hebben gedaan, dat Christus deed. Maar liefde voor God en de mensen werd door trots en zelfgenoegzaamheid onmogelijk gemaakt. Zij brachten de ondergang over zich door te weigeren anderen te dienen. De schatten der waarheid, die God hun had toevertrouwd, gaven zij niet door aan de wereld. In de onvruchtbare boom konden zij zowel hun zonde als de straf daarvoor lezen. Verdord onder de vloek van de Heiland, verschrompeld en dor oprijzend, uitgedroogd bij de wortels, liet de vijgenboom zien, wat er van het Joodse volk zou worden, wanneer de genade Gods van hen zou worden weggenomen. Daar zij weigerden de zegen door te geven, zouden ze deze niet langer ontvangen.” –De Wens der Eeuwen, blz. 506.
B. Hoe eindigt het boek Hoséa met de nadruk op Gods hoop, genezing en een oproep tot wijsheid?
Hoséa 14:4-5,
8-9.
“De plant groeit, doordat zij ontvangt, wat God heeft verschaft om haar leven in stand te houden. Zo wordt de geestelijke groei verkregen door samenwerking met goddelijke hulpmiddelen. Zoals de plant wortel schiet in de grond, zo moeten wij wortel schieten in Christus. Zoals de plant de zonneschijn, de dauw en de regen ontvangt, zo moeten wij de Heilige Geest ontvangen. Wanneer wij ons hart gezet hebben op Christus, zal Hij tot ons komen ‘als de regen, als de late die het land besproeit’. Als de Zon der Gerechtigheid zal Hij over ons opgaan ‘met genezing onder Zijn vleugelen’. Wij zullen ‘bloeien als de lelie’. Wij zullen ‘bloeien als de wijnstok’. (Hoséa 6:3; Maleáchi 4:2; Hoséa 14:6, 8.” –Karaktervorming, blz. 105-106.
1. Wat verlangt God van ons op de dag van Zijn bezoeking?
2. Waarom was God niet tevreden met de louter uiterlijke godsdienst van Israël?
3. Wat doet het voor ons, als we de braakliggende grond van het hart omspitten?
4. Waarop moet ik mij concentreren in deze resterende momenten van het onderzoek?
5. Hoe kan ik er zeker van zijn, dat ik door God gezegend word en niet afgesneden?