Oude berichten uit de hemel, nog steeds actueel — Sabbat, 14 maart 2026

Les 11: Waakzaam om God te verheerlijken

Tekst om te onthouden

Tekst om te onthouden: “Alzo zegt de HEERE der heerscharen: Stelt uw hart op uw wegen” (Haggaï 1:7).

Haggaï 1:7

“U moet geen vertraging oplopen, maar nauwkeurig uw eigen hart onderzoeken en dagelijks het ik laten sterven.” –Testimonies for the Church, vol. 3, blz. 336.

Aanvullende studie:: –Getuigenissen voor de Gemeente 9, blz. 93-96.

Zondag — 8 maart

1. TWEE KLASSEN

A. Beschrijf de complexe gebeurtenis, die spoedig zal plaatsvinden.

Zefanja 1:14-18.

Zefanja 1:14: De grote dag des HEEREN is nabij; hij is nabij, en zeer haastende; de stem van den dag des HEEREN; de held zal aldaar bitterlijk schreeuwen. Zefanja 1:15: Die dag zal een dag der verbolgenheid zijn; een dag der benauwdheid en des angstes, een dag der woestheid en verwoesting, een dag der duisternis en der donkerheid, een dag der wolk en der dikke donkerheid; Zefanja 1:16: Een dag der bazuin en des geklanks tegen de vaste steden en tegen de hoge hoeken. Zefanja 1:17: En Ik zal de mensen bang maken, dat zij zullen gaan als de blinden; want zij hebben tegen den HEERE gezondigd; en hun bloed zal vergoten worden als stof, en hun vlees zal worden als drek. Zefanja 1:18: Noch hun zilver, noch hun goud zal hen kunnen redden ten dage der verbolgenheid des HEEREN; maar door het vuur Zijns ijvers zal dit ganse land verteerd worden; want Hij zal een voleinding maken, gewisselijk, een haastige, met al de inwoners dezes lands.

“Degenen, die in de vreze Gods werken om de gemeente van hindernissen te bevrijden en ernstige misstanden te corrigeren, opdat Gods volk de noodzaak mag inzien om zonde te verafschuwen en in reinheid te bloeien, en opdat de naam van God verheerlijkt mag worden, zullen altijd weerstand ondervinden van de ongewijden. Zefanja beschrijft aldus de ware toestand van deze groep en de verschrikkelijke oordelen, die over hen zullen komen.” –Testimonies for the Church, vol. 3, blz. 270-271.

“(Zie Zefanja 1:2-3, 8-18). Er zal een reeks van gebeurtenissen plaatsvinden, die aantoont, dat God de situatie in handen heeft. De waarheid zal in duidelijke, onmiskenbare taal verkondigd worden. Als volk moeten wij de weg voor de Heer bereiden onder de hoogste leiding, die van de Heilige Geest. Het evangelie moet in zijn zuiverheid gebracht worden. De stroom van levend water moet dieper en wijder worden in zijn loop. Uit alle beroepen, nabij en veraf, zullen mensen van achter de ploeg en uit gewone beroepen, die de gedachten zo bezighouden, weggeroepen worden, en zij zullen samen met ervaren mensen worden opgeleid. Doordat zij leren doeltreffend te werken, zullen zij de waarheid met kracht verkondigen. Door de meest wonderlijke werkingen van de goddelijke voorzienigheid zullen bergen van moeilijkheden uit de weg geruimd en in de zee geworpen worden. De boodschap, die zoveel betekent voor hen, die op aarde wonen, zal gehoord en begrepen worden. De mensen zullen weten, wat waarheid is. Voorwaarts, steeds verder voorwaarts zal het werk voortgang maken, totdat de hele aarde gewaarschuwd zal zijn, en dan zal het einde komen.“ –Getuigenissen voor de Gemeente 9, blz. 96.

Maandag — 9 maart

2. ZORG EN BESCHERMING

A. Wat is de sleutel tot Gods bescherming in de komende crisis?

Zefanja 2:1-3,

Zefanja 2:1: Doorzoek u zelf nauw, ja, doorzoek nauw, gij volk, dat met geen lust bevangen wordt! Zefanja 2:2: Eer het besluit bare (gelijk kaf gaat de dag voorbij), terwijl de hittigheid van des HEEREN toorn over ulieden nog niet komt; terwijl de dag van den toorn des HEEREN over ulieden nog niet komt. Zefanja 2:3: Zoekt den HEERE, alle gij zachtmoedigen des lands, die Zijn recht werken! Zoekt gerechtigheid, zoekt zachtmoedigheid, misschien zult gij verborgen worden in den dag van den toorn des HEEREN.

15;

2 Korinthe 7:1.

2 Korinthe 7:1: Dewijl wij dan deze beloften hebben, geliefden, laat ons onszelven reinigen van alle besmetting des vleses en des geestes, voleindigende de heiligmaking in de vreze Gods.

“God verlangt van Zijn volk, dat zij zich reinigen van alle onreinheid van vlees en geest, en de heiligheid vervolmaken in de vreze des Heren. Allen, die onverschillig zijn en zich aan dit werk onttrekken, wachtend tot de Heer voor hen doet, wat Hij van henzelf verlangt, zullen tekortschieten, wanneer de zachtmoedigen der aarde, die Zijn oordelen hebben voltrokken, verborgen worden op de dag van de toorn des Heren.” –Testimonies for the Church, vol. 1, blz. 619.

“Op de dag des Heren, vlak voor de komst van Christus, zal God in Zijn toorn bliksemschichten uit de hemel zenden, die zich zullen verenigen met vuur op de aarde. De bergen zullen branden als een oven en verschrikkelijke lavastromen uitstorten, die tuinen en velden, dorpen en steden verwoesten; en terwijl ze hun gesmolten erts, rotsen en verhitte modder in de rivieren storten, zullen ze koken als een pot, en enorme rotsen uitstoten en hun gebroken stukken met onbeschrijfelijk geweld over het land verspreiden. Hele rivieren zullen opdrogen. De aarde zal in beroering raken, en overal zullen er vreselijke uitbarstingen en aardbevingen zijn. God zal de goddeloze bewoners van de aarde teisteren, totdat ze van de aarde zijn weggevaagd. De heiligen worden bewaard op aarde te midden van deze vreselijke onrust, zoals Noach bewaard werd in de ark ten tijde van de zondvloed.” –Spiritual Gifts, vol. 3, blz. 82-83.

B. Wat kenmerkt Gods trouwe gelovigen, in tegenstelling tot degenen, die een oppervlakkige belijdenis hebben?

Zefanja 3:1-4,

Zefanja 3:1: Wee der ijselijke, en der bevlekte, der verdrukkende stad! Zefanja 3:2: Zij hoort naar de stem niet; zij neemt de tucht niet aan; zij vertrouwt niet op den HEERE; tot haar God nadert zij niet. Zefanja 3:3: Haar vorsten zijn brullende leeuwen in het midden van haar; haar rechters zijn avondwolven, die de beenderen niet breken tot aan den morgen. Zefanja 3:4: Haar profeten zijn lichtvaardig, gans trouweloze mannen; haar priesters verontreinigen het heilige, zij doen der wet geweld aan.

12-13.

C. Hoe toont Zefanja de grote hoop voor, en de missie, ten behoeve van Gods trouwe volk in alle delen van de wereld?

Zefanja 3:14-16.

Zefanja 3:14: Zing vrolijk, gij dochter Sions, juich, Israel; wees blijde, en spring op van vreugde van ganser harte, gij dochter Jeruzalems! Zefanja 3:15: De HEERE heeft uw oordelen weggenomen, Hij heeft uw vijand weggevaagd; de Koning Israels, de HEERE, is in het midden van u, gij zult geen kwaad meer zien. Zefanja 3:16: Te dien dage zal tot Jeruzalem gezegd worden: Vrees niet, o Sion! laat uw handen niet slap worden.

“De hele hemel is betrokken, niet alleen bij de landen die dichtbij zijn en onze hulp nodig hebben, maar ook bij de landen die ver weg zijn. De hemelse wezens kijken toe en wachten erop, dat menselijke instanties diep geraakt worden door de behoeften van hun medearbeiders, die in verwarring en beproeving, in verdriet en nood verkeren.” –Testimonies for the Church, vol. 6, blz. 459.

Dinsdag — 10 maart

3. TROOST VOOR DE GETROUWE WEINIGEN

A. Welke beschrijvingen onthullen de diepte van Gods liefde voor Zijn kinderen, en hoe moeten wij die weerspiegelen?

Zefanja 3:17;

Zefanja 3:17: De HEERE uw God, is in het midden van u, een Held, Die verlossen zal; Hij zal over u vrolijk zijn met blijdschap, Hij zal zwijgen in Zijn liefde, Hij zal Zich over u verheugen met gejuich.

2 Korinthe 1:3-4.

2 Korinthe 1:3: Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, de Vader der barmhartigheden, en de God aller vertroosting; 2 Korinthe 1:4: Die ons vertroost in al onze verdrukking, opdat wij zouden kunnen vertroosten degenen, die in allerlei verdrukking zijn, door de vertroosting, met welke wij zelven van God vertroost worden.

“Hij (God) zal u in Zijn feestzaal brengen, en Zijn banier boven u zal Zijn liefde zijn. (Hooglied 2:4). ‘Indien gij in Mijn wegen wandelt’, zegt de Here, ‘en de door Mij opgedragen taak waarneemt, dan zult gij zowel mijn huis richten als mijn voorhoven bewaken, en Ik zal u doen verkeren onder hen die hier staan’, de heilige engelen die Zijn troon omringen… Hemel en aarde zullen zich verenigen in het vreugdelied van de Vader: ‘Want Mijn zoon hier was dood en is weer levend geworden; hij was verloren en is gevonden’.” –Lessen uit het Leven van Alledag, blz. 122.

“De engelen van God, duizenden maal duizenden, en tienduizend maal tienduizend, zijn aangesteld om te dienen voor hen, die erfgenamen van de verlossing zullen zijn. Zij beschermen ons tegen het kwaad en dringen de machten der duisternis terug, die onze vernietiging nastreven. Hebben we geen reden om elk moment dankbaar te zijn, dankbaar zelfs wanneer er duidelijke moeilijkheden op ons pad zijn? De Heer Zelf is onze Helper. ‘Zing vrolijk, gij dochter Sions, juich, Israël; wees blijde, en spring op van vreugde van ganser harte, gij dochter Jeruzalems!’ ‘De Heere, uw God, is in het midden van u, een Held, Die verlossen zal; Hij zal over u vrolijk zijn met blijdschap; Hij zal zwijgen in Zijn liefde, Hij zal Zich over u verheugen met gejuich’ (Zefanja 3:14, 17). Dit is het getuigenis, dat de Heer van ons verlangt om uit te dragen aan de wereld. Zijn lof moet voortdurend in ons hart en op onze lippen zijn. Zo’n getuigenis zal invloed hebben op anderen. Terwijl we mensen proberen af te brengen van hun zelfzuchtige pogingen om geluk te verkrijgen, moeten we aan hen laten zien, dat we iets beters hebben dan wat zij zoeken.” –Testimonies for the Church, vol. 6, blz. 63-64.

B. Beschrijf verder Gods tedere zorg voor Zijn kinderen, die vervolgd worden vanwege hun weigering om Zijn wet van vrijheid te overtreden.

Zefanja 3:18-20;

Zefanja 3:18: De bedroefden, om der bijeenkomst wil, zal Ik verzamelen, zij zijn uit u; de schimping is een last op haar. Zefanja 3:19: Ziet, Ik zal te dien tijde al uw verdrukkers verdoen; en Ik zal de hinkenden behoeden, en de uitgestotenen verzamelen; en Ik zal ze stellen tot een lof, en tot een naam, in het ganse land, waar zij beschaamd zijn geweest. Zefanja 3:20: Te dier tijd zal Ik ulieden herwaarts brengen, ten tijde namelijk, als Ik u verzamelen zal; zekerlijk Ik zal ulieden zetten tot een naam en tot een lof, onder alle volken der aarde, als Ik uw gevangenissen voor uw ogen wenden zal, zegt de HEERE.

Ezechiël 9:3-4.

Ezechiël 9:3: En de heerlijkheid des Gods van Israel hief zich op van den cherub, waarop Hij was, tot den dorpel van het huis; en Hij riep tot den man, die met linnen bekleed was, die de schrijvers-inktkoker aan zijn lenden had. Ezechiël 9:4: En de HEERE zeide tot hem: Ga door, door het midden der stad, door het midden van Jeruzalem, en teken een teken op de voorhoofden der lieden, die zuchten en uitroepen over al deze gruwelen, die in het midden derzelve gedaan worden.

“Beschouw dit punt met aandacht: Die het zuivere merkteken der waarheid ontvangen, dat in hen gewrocht wordt door de kracht van de Heilige Geest, zijn degenen, ‘die zuchten en uitroepen over al de gruwelen, die gedaan worden’ in de gemeente. Hun liefde voor reinheid en de eer en heerlijkheid Gods is van dien aard en zij hebben zo’n helder begrip van de buitengewone zondigheid der zonde, dat ze geschilderd worden als zijnde in doodsstrijd, onder zuchten en roepen.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 1, blz. 345.

Woensdag — 11 maart

4. ONZE WEGEN OVERWEGEN

A. Wat gebeurde er, toen Haggaï als een profeet werd geroepen? En wat moeten we hiervan leren?

Haggaï 1:1-4.

Haggaï 1:1: In het tweede jaar van den koning Darius, in de zesde maand, op den eersten dag der maand, geschiedde het woord des HEEREN, door den dienst van Haggaï, den profeet, tot Zerubbabel, den zoon van Sealthiël, den vorst van Juda, en tot Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester, zeggende: Haggaï 1:2: Alzo spreekt de HEERE der heirscharen, zeggende: Dit volk zegt: De tijd is niet gekomen, de tijd, dat des HEEREN huis gebouwd worde. Haggaï 1:3: Zo is het woord des HEEREN geschied, door den dienst van den profeet Haggaï, zeggende: Haggaï 1:4: Is het voor ulieden wel de tijd, om in uw gewelfde huizen te wonen, en zal dit huis woest zijn?

“De uitdrukking ‘Dit volk zegt’ is veelzeggend. Op het tijdstip, dat zij kansen hadden, hadden de Israëlieten zich niet bereidwillig getoond. Er wordt prompte gehoorzaamheid verwacht van hen, die door de Heere worden gekozen en geleid. Verontschuldigingen voor uitstel onteren God. En toch bedenken zij, die verkiezen hun eigen weg te gaan, vaak knap uitgedachte verontschuldigingen om zich te rechtvaardigen. Zo zeiden de Israëlieten, dat zij met bouwen waren begonnen, maar dat ze met hun werk waren gestopt vanwege de belemmeringen, die door hun vijanden waren bedacht. Volgens hen waren deze belemmeringen een aanduiding, dat de juiste tijd om te bouwen nog niet was aangebroken. Zij zeiden, dat de Heere met moeilijkheden tussenbeide was gekomen om hun overhaasten te bestraffen. Daarom verwees Hij in een onderhoud met Zijn profeet naar hen niet als ‘Mijn volk’, maar als ‘dit volk’. De Israëlieten hadden geen werkelijke verontschuldiging voor het feit, dat ze het werk aan de tempel lieten liggen. De tijd, waarin de ernstige tegenwerpingen naar voren werden gebracht, was juist de tijd, waarin ze met bouwen moesten doorgaan. Zij bezaten niet het geloof, dat de zekerheid is der dingen, die men hoopt, en het bewijs der zaken, die men niet ziet. Zij aarzelden om voorwaarts te gaan met geloof in de voorzieningen, die God zou treffen, omdat zij niet het eind van het begin af konden zien. Toen er moeilijkheden ontstonden, werden ze gemakkelijk van het werk afgebracht.” –Bijbelkommentaar, blz. 283.

B. Welke oproep is gedaan aan degenen, die afgeleid worden door wereldse belangen?

Haggaï 1:5-10.

Haggaï 1:5: Nu dan, alzo zegt de HEERE der heirscharen: Stelt uw hart op uw wegen. Haggaï 1:6: Gij zaait veel, en gij brengt weinig in; gij eet, maar niet tot verzadiging; gij drinkt, maar niet tot dronken wordens toe; gij kleedt u, maar niet tot uw verwarming; en wie loon ontvangt, die ontvangt dat loon in een doorgeboorden buidel. Haggaï 1:7: Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Stelt uw hart op uw wegen. Haggaï 1:8: Klimt op het gebergte, en brengt hout aan, en bouwt dit huis, en Ik zal een welgevallen daaraan hebben, en verheerlijkt worden, zegt de HEERE. Haggaï 1:9: Gij ziet om naar veel, maar zie, gij bekomt weinig; en als gij het in huis gebracht hebt, zo blaas Ik daarin. Waarom dat? spreekt de HEERE der heirscharen; om Mijns huizes wil, hetwelk woest is, en dat gij loopt elk voor zijn eigen huis. Haggaï 1:10: Daarom onthouden zich de hemelen over u van den dauw; en de aarde onthoudt haar inkomen.

“Een treffend voorval van de gevolgen van het inhouden der vrijwillige gaven voor het werk van God, vinden we in de dagen van de profeet Haggaï… De Joden begonnen met de herbouw van de tempel des Heeren; maar toen ze tegenstand ondervonden van hun vijanden, stopten ze met het werk.” –Patriarchen en Profeten, blz. 478.

C. Hoe behaalde het overblijfsel de overwinning in hart en daad?

Haggaï 1:12- 13.

Haggaï 1:12: Toen hoorde Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, en al het overblijfsel des volks, naar de stem des HEEREN, huns Gods, en naar de woorden van den profeet Haggaï, gelijk als hem de HEERE, hun God, gezonden had; en het volk vreesde voor het aangezicht des HEEREN. Haggaï 1:13: Toen sprak Haggaï, de bode des HEEREN, in de boodschap des HEEREN, tot het volk, zeggende: Ik ben met ulieden, spreekt de HEERE.

“Ze (Het overblijfsel) durfden de herhaalde waarschuwing, dat hun voorspoed en zegen van God afhankelijk waren van strikte gehoorzaamheid aan de gegeven instructies niet te veronachtzamen. Zodra zij besloten te handelen naar de woorden des Heeren, veranderden Zijn berispingen in bemoediging. Welk een genadige God hebben wij!” –Bijbelkommentaar, blz. 284.

Donderdag — 12 maart

5. GLORIEUS OP EEN ANDERE MANIER

A. Leg Gods plan uit voor de tweede tempel, die gebouwd moest worden.

Haggaï 2:6-9.

Haggaï 2:6: Want alzo zegt de HEERE der heirscharen: Nog eens, een weinig tijds zal het zijn; en Ik zal de hemelen, en de aarde, en de zee, en het droge doen beven. Haggaï 2:7: Ja, Ik zal al de heidenen doen beven, en zij zullen komen tot den Wens aller heidenen, en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt de HEERE der heirscharen. Haggaï 2:8: Mijn is het zilver, en Mijn is het goud, spreekt de HEERE der heirscharen. Haggaï 2:9: De heerlijkheid van dit laatste huis zal groter worden, dan van het eerste, zegt de HEERE der heirscharen; en in deze plaats zal Ik vrede geven, spreekt de HEERE der heirscharen.

“Na de verwoesting van de tempel door Nebukadnezar werd hij ongeveer vijfhonderd jaar voor de geboorte van Christus herbouwd door een volk, dat uit een levenslange ballingschap was teruggekeerd naar een woest en bijna verlaten land. Er waren onder hen oude mannen, die de heerlijkheid van Salomo’s tempel hadden gezien en weenden bij de grondlegging van het nieuwe bouwwerk, omdat het zo veel minder was dan het eerste. De overheersende stemming is heel goed beschreven door de profeet: ‘Wie onder u is overgebleven, die dit huis in zijn vroegere heerlijkheid gezien heeft? Hoe ziet gij het nu? Is het niet, daarbij vergeleken, als niets in uw ogen?’ (Haggaï 2:3; Ezra 3:12). Toen werd de belofte gegeven, dat de heerlijkheid van ‘het laatste huis’ groter zou zijn dan die van het eerste. Maar de tweede tempel heeft de eerste niet geëvenaard in heerlijkheid. Hij werd ook niet gewijd door de zichtbare tekenen van Gods tegenwoordigheid, zoals de eerste tempel. Er was geen openbaring van bovennatuurlijke kracht bij zijn inwijding. Het pas opgerichte heiligdom werd niet vervuld door Gods aanwezigheid. Er daalde geen vuur uit de hemel neer om het offer op het altaar te verteren. Er was geen wolk der heerlijkheid meer tussen de cherubs in het heilige der heiligen; de ark, het verzoendeksel en de tafelen der getuigenis werden er niet meer gevonden. Geen stem klonk uit de hemel om de vragende priester Gods wil bekend te maken. Eeuwenlang hadden de Joden tevergeefs getracht aan te tonen op welke wijze Gods belofte, door Haggaï gegeven, was vervuld. Maar hoogmoed en ongeloof verblindden hun geest, zodat ze de ware betekenis van de woorden van de profeet niet begrepen. De tweede tempel werd niet geëerd met de wolk van Gods heerlijkheid, maar met de levende tegenwoordigheid van Iemand in wie de volheid van de Godheid lichamelijk woonde, Iemand, die God Zelf was, geopenbaard in het vlees. ‘De Wens aller heidenen’ was werkelijk tot Zijn tempel gekomen, toen de Man van Nazareth leerde en genas in de heilige voorhoven. De tweede tempel overtrof de eerste in heerlijkheid door de tegenwoordigheid van Christus, en daardoor alleen.” –De Grote Strijd, blz. 21-22.

Vrijdag — 13 maart

Terugblik

1. Hoe kan ik in de aanstaande crisis een kracht ten goede zijn in Gods handen?

2. Waarom is zachtmoedigheid een essentiële eigenschap, die we in deze laatste dagen moeten nastreven?

3. Wat kenmerkt allen, die verborgen zijn op de dag van de toorn van de Heer?

4. Wat zorgt ervoor, dat ik de grootste prioriteit in het leven uit het oog verlies?

5. Waarom was de eenvoudigere, nederigere tempel die in de tijd van Haggaï werd gebouwd, zo heerlijk?