Oude berichten uit de hemel, nog steeds actueel — Sabbat, 7 maart 2026

Les 10: Eerbied voor de Alwetende

Tekst om te onthouden

Tekst om te onthouden: “Maar de Heer is in Zijn heilige tempel. Zwijg voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde!” (Habakuk 2:20).

Habakuk 2:20

“Het is maar al te waar, dat eerbied voor het huis van God bijna verdwenen is… Wij hebben reden te over om een vurige, toegewijde geest in de aanbidding van God te handhaven. Wij hebben zelfs reden om nog attenter en eerbiediger in onze aanbidding te zijn dan de Joden.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 405.

Aanvullende studie:: –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 401-409.

Zondag — 1 maart

1. EEN GROTE VRAAG

A. Wat zei de profeet Habakuk in zijn openingsgebed tot God?

Habakuk 1:1-4.

Habakuk 1:1: De last, welken Habakuk, de profeet, gezien heeft. Habakuk 1:2: HEERE! hoe lang schreeuw ik, en Gij hoort niet, hoe lang roep ik geweld, tot U, en Gij verlost niet! Habakuk 1:3: Waarom laat Gij mij ongerechtigheid zien, en aanschouwt de kwelling? Want verwoesting en geweld is tegen mij over, en er is twist, en men neemt gekijf op. Habakuk 1:4: Daarom wordt de wet onderlaten, en het recht komt nimmermeer voort; want de goddeloze omringt den rechtvaardige; daarom komt het recht verdraaid voor.

“Van menselijk standpunt bezien was het vrijwel onmogelijk, dat Gods plan met het uitverkoren volk zijn doel zou bereiken. De afval uit vroegere eeuwen was met het verstrijken der jaren toegenomen, tien van de stammen waren verstrooid onder de heidenen; alleen de stammen van Juda en Benjamin waren overgebleven, en zelfs deze schenen aan de rand te staan van zedelijke en nationale ondergang. De profeten waren begonnen met de voorspelling van de totale verwoesting van hun prachtige stad, waar de tempel stond, die door Salomo was gebouwd, en waar zich het middelpunt bevond van al hun aardse hoop op nationale grootheid. Was het mogelijk, dat God op het punt stond Zijn erkend plan om verlossing te brengen aan hen, die hun vertrouwen in Hem stelden, te laten varen? Konden degenen, die aan God trouw gebleven waren, met het oog op de vervolging van de rechtvaardigen en de schijnbare voorspoed van de goddelozen, hopen op betere tijden? Deze bezorgde vragen werden onder woorden gebracht door de profeet Habakuk.“ –Profeten en Koningen, blz. 235.

B. Hoe reageerde de Heer?

Habakuk 1:6-11.

Habakuk 1:6: Want ziet, Ik verwek de Chaldeen, een bitter en snel volk, trekkende door de breedten der aarde, om erfelijk te bezitten woningen, die de zijne niet zijn. Habakuk 1:7: Schrikkelijk en vreselijk is hetzelve; zijn recht en zijn hoogheid gaat van hemzelven uit. Habakuk 1:8: Want zijn paarden zijn lichter dan de luipaarden, en zij zijn scherper dan de avondwolven, en zijn ruiters verspreiden zich; ja, zijn ruiters zullen van verre komen, zij zullen vliegen als een arend, zich spoedende om te eten. Habakuk 1:9: Het zal geheellijk tot geweld komen, wat zij inslorpen zullen met hun aangezichten, zullen zij brengen naar het oosten; en het zal de gevangenen verzamelen als zand. Habakuk 1:10: En hij zal de koningen beschimpen, en de prinsen zullen hem een belaching zijn; hij zal alle vesting belachen; want hij zal stof vergaderen, en hij zal ze innemen. Habakuk 1:11: Dan zal hij den geest veranderen, en hij zal doortrekken, en zich schuldig maken, houdende deze zijn kracht voor zijn God.

Maandag — 2 maart

2. GEDULD IN HET TALMEN

A. Waarom was Habakuk bereid Gods plan aan te nemen?

Habakuk 1:12-13.

Habakuk 1:12: Zijt Gij niet van ouds af de HEERE, mijn God, mijn Heilige? Wij zullen niet sterven; o HEERE! tot een oordeel hebt Gij hem gesteld, en o Rots! om te straffen, hebt Gij hem gegrondvest. Habakuk 1:13: Gij zijt te rein van ogen, dan dat Gij het kwade zoudt zien, en de kwelling kunt Gij niet aanschouwen; waarom zoudt Gij aanschouwen die trouwelooslijk handelen? Waarom zoudt Gij zwijgen, als de goddeloze dien verslindt, die rechtvaardiger is dan hij?

“God beantwoordde het hulproep van Zijn trouwe kinderen. Door het mondstuk, dat Hij verkoren had, openbaarde Hij Zijn vastbeslotenheid om het volk, dat zich van Hem had afgewend om de goden der heidenen te dienen, te kastijden. Binnen de levensspan van sommigen, die in die tijd vragen stelden aangaande de toekomst, zou Hij op wonderlijke wijze de gang van zaken der heersende volken op aarde leiden, en de Babyloniërs doen opkomen. Deze Chaldeeën, ‘verschrikkelijk en vreselijk’, zouden plotseling het land van Juda binnenvallen als een door God aangewezen gesel.” –Profeten en Koningen, blz. 235.

B. Welke les, gegeven aan de profeet, was zeer van toepassing in de ervaring van de vroege Advent pioniers?

Habakuk 2:1-4.

Habakuk 2:1: Ik stond op mijn wacht, en ik stelde mij op de sterkte, en ik hield wacht om te zien, wat Hij in mij spreken zou, en wat ik antwoorden zou op mijn bestraffing. Habakuk 2:2: Toen antwoordde mij de HEERE, en zeide: Schrijf het gezicht, en stel het duidelijk op tafelen, opdat daarin leze die voorbijloopt. Habakuk 2:3: Want het gezicht zal nog tot een bestemden tijd zijn, dan zal Hij het op het einde voortbrengen, en niet liegen; zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven. Habakuk 2:4: Ziet, zijn ziel verheft zich, zij is niet recht in hem; maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven.

“De gelovigen dachten eerst, dat Christus in de lente van 1844 zou terugkeren. Toen het vastgestelde tijdstip was verstreken, verkeerden zij, die in geloof naar Zijn verschijning hadden uitgezien, enige tijd in twijfel en onzekerheid. Terwijl de wereld hen beschouwde als groep mensen, die een verpletterende nederlaag hadden geleden en ook hadden bewezen, dat ze een waandenkbeeld hadden gekoesterd, was het Woord van God nog altijd de bron, waar zij troost uit putten. Velen zetten het onderzoek van de Schrift voort. Ze onderzochten nogmaals de grondslagen van hun geloof en bestudeerden de profetieën nauwkeurig om meer licht te ontvangen… In de profetieën, die volgens hen betrekking hadden op de tijd van de wederkomst, lagen lessen besloten, die speciaal bestemd waren voor hun toestand van onzekerheid en spanning, en hen aanmoedigden om geduldig te wachten in de overtuiging, dat wat nu onbegrijpelijk was, later wel duidelijk zou worden. Eén van die profetieën was Habakuk 2:1-4… Al in 1842 had de opdracht ‘Schrijf het gezicht op en zet het duidelijk op tafelen, opdat men het in het voorbijlopen zal kunnen lezen’, Charles Fitch op de gedachte gebracht een profetische kaart te tekenen, waarop de gezichten van Daniël en de Openbaring in beeld worden gebracht. De publicatie van deze kaart werd beschouwd als een vervulling van het bevel door Habakuk gegeven. Maar niemand had toen gemerkt, dat ook de schijnbare vertraging in de vervulling van het gezicht, ‘als het vertoeft’, in dezelfde profetie was aangeduid.” –De Grote Strijd, blz. 367-368.

Dinsdag — 3 maart

3. LEVEN IN GODS TEGENWOORDIGHEID

A. Hoe heeft

Habakuk 2:4

Habakuk 2:4: Ziet, zijn ziel verheft zich, zij is niet recht in hem; maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven.

gelovigen in elke generatie versterkt?

Romeinen 1:16-17.

Romeinen 1:16: Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk, die gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek. Romeinen 1:17: Want de rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven.

“Het geloof, dat Habakuk en alle heiligen en rechtvaardigen in die dagen vol beproeving sterkte, was hetzelfde geloof dat nu Gods volk kracht geeft. De christelijke gelovige kan in de donkerste uren, onder de moeilijkste omstandigheden zijn hart richten op de bron van alle licht en kracht. Van dag tot dag kan zijn hoop en moed door geloof in God, vernieuwd worden. ‘De rechtvaardige zal door zijn geloof leven’. In het dienen van God behoeft geen vertwijfeling, geen aarzeling, geen vrees te bestaan… Wij moeten het geloof, waarvan de profeten en apostelen hebben getuigd, het geloof dat beslag legt op Gods beloften, en uitziet naar verlossing op de door Hem bepaalde manier en tijd, koesteren en ontwikkelen.” –Profeten en Koningen, blz. 236.

B. Wat moeten we altijd in gedachten houden, als we in de verleiding komen om te twijfelen of aanmatigend te zijn?

Klaagliederen 3:25-26;

Klaagliederen 3:25: Teth. De HEERE is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziele, die Hem zoekt. Klaagliederen 3:26: Teth. Het is goed, dat men hope, en stille zij op het heil des HEEREN.

Habakuk 2:20.

Habakuk 2:20: Maar de HEERE is in Zijn heiligen tempel. Zwijg voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde!

“De tijd van wachten kan wel lang schijnen, de ziel kan door ontmoedigende gebeurtenissen onder druk leven, velen in wie men vertrouwd heeft, kunnen onderweg afvallen; maar laten wij met de profeet, die trachtte Juda te bemoedigen in een tijd van afval, zoals nooit eerder was gekend, vol vertrouwen uitroepen: ‘De Heere is in zijn heilige tempel. Zwijg voor Hem gij ganse aarde’.” –Profeten en Koningen, blz. 237.

“Waarachtige eerbied voor God wordt ingegeven door een gevoel voor Zijn oneindige grootheid en een besef van Zijn tegenwoordigheid.” –Karaktervorming, blz. 244.

“‘Heilig en eerbiedwaardig is Zijn Naam’ (Palm 111:9). Engelen sluieren hun aangezicht, als zij die uitspreken. Met hoeveel eerbied moeten wij, die zo gevallen en zondig zijn, die naam op onze lippen nemen! Wij moeten aan Gods Woord eerbied betonen. Voor het gedrukte boek moeten wij eerbied tonen, het nooit toepassen voor gewoon gebruik of het zorgeloos hanteren.“ –Hoe Leid Ik Mijn Kind, blz. 636-637.

“Ouders, weest voorzichtig omtrent het voorbeeld en de ideeën, die u uw kinderen geeft. Hun geest is kneedbaar en indrukken zijn gemakkelijk gemaakt. Wat betreft de dienst van het heiligdom, als de spreker een fout gemaakt heeft, past op het te noemen. Spreekt slechts over de goede dingen, die hij doet, van de goede ideeën die hij presenteert, waarvoor u zich in acht moest nemen als komend van Gods vertegenwoordiger. Het is gemakkelijk te zien, waarom kinderen zo weinig onder de indruk komen van de dienst van het Woord, en waarom zij zo weinig eerbied hebben voor het huis van God. Hun opvoeding is in dit opzicht in gebreke gebleven.” –Hoe Leid Ik Mijn Kind, blz. 645.

Woensdag — 4 maart

4. ALS BEPROEVINGEN INGEWIKKELD WORDEN...

A. Welk vurig gebed van Habakuk moeten we nu laten weerklinken?

Habakuk 3:2.

Habakuk 3:2: HEERE! als ik Uw rede gehoord heb, heb ik gevreesd; Uw werk, o HEERE! behoud dat in het leven in het midden der jaren, maak het bekend in het midden der jaren; in den toorn gedenk des ontfermens.

“In onze dagen is er evenzeer behoefte aan de herleving van godsdienst des harten, als dat het geval was in het oude Israël. Bekering is de eerste stap, die gedaan moet worden door een ieder, die tot God wil terugkeren. Niemand kan dit voor een ander doen. We moeten onszelf voor God vernederen en onze afgoden wegdoen. Als wij gedaan hebben, wat we kunnen, zal de Heere ons Zijn heil openbaren.” – Patriarchen en Profeten, blz. 542.

B. Wat moet ons geloof, zelfs onder ernstige tegenslagen en moeilijkheden, consequent kenmerken, en waarom?

Habakuk 3:17-19;

Habakuk 3:17: Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal, en geen vrucht aan den wijnstok zijn zal, dat het werk des olijfbooms liegen zal, en de velden geen spijze voortbrengen; dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal, en dat er geen rund in de stallingen wezen zal; Habakuk 3:18: Zo zal ik nochtans in den HEERE van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in den God mijns heils. Habakuk 3:19: De Heere HEERE is mijn Sterkte; en Hij zal mijn voeten maken als der hinden, en Hij zal mij doen treden op mijn hoogten. Voor den opperzangmeester op mijn Neginoth.

Filippensen 2:14- 15.

“Laat degene, die het zwaar te verduren heeft, zeggen: ‘Al doodt Hij mij, toch blijf ik op Hem vertrouwen’.” –Counsels to Parents, Teachers, and Students, blz. 317.

“Het verzoenend bloed van Christus beschermde de zondaar tegen de volle maat van zijn straf, maar bij het eindoordeel wordt de gramschap ongemengd uitgestort… Gods volk zal ook moeten lijden; maar hoewel ze worden vervolgd en verdrukt, ontbering en honger lijden, zal God hen niet laten omkomen. De God, die voor Elia zorgde, zal geen van Zijn offervaardige kinderen in de steek laten. Hij, die de haren op hun hoofd telt, zal voor hen zorgen, en ze zullen ondanks de hongersnood genoeg te eten hebben. Terwijl de ongelovigen van honger omkomen en door epidemieën sterven, zullen engelen de rechtvaardigen beschermen en ook in hun behoeften voorzien.” –De Grote Strijd, blz. 581.

C. Welke andere profeet werd in dezelfde periode opgewekt om boodschappen te brengen die ook relevant voor onze tijd zijn?

Zefanja 1:1.

Zefanja 1:1: Het woord des HEEREN, hetwelk geschied is tot Zefanja, den zoon van Cuschi, den zoon van Gedalja, den zoon van Amarja, den zoon van Hizkia; in de dagen van Josia, den zoon van Amon, den koning van Juda.

“Habakuk was niet de enige, die een boodschap kreeg van hoop en van toekomstige overwinning, zowel als van een komend oordeel. Tijdens de regering van Josia kwam het woord des Heeren tot Zefanja, waarin duidelijk de resultaten van voortdurende afval werden beschreven, terwijl de aandacht van de ware gemeente werd gevestigd op het heerlijk vooruitzicht, dat daarachter lag. Zijn profetieën van een komend oordeel over Juda hebben dezelfde kracht betreffende de oordelen, waardoor een onboetvaardige wereld ten tijde van Jezus’ wederkomst getroffen zal worden. “ –Profeten en Koningen, blz. 237.

Donderdag — 5 maart

5. EEN TRAGISCHE, NAUWELIJKS MERKBARE STRIK

A. Welke ontnuchterende boodschap onthult de realiteit van Gods toorn tegen valse aanbidding en degenen die deze bevorderen?

Zefanja 1:2-6.

Zefanja 1:2: Ik zal ganselijk alles wegrapen uit dit land, spreekt de HEERE. Zefanja 1:3: Ik zal wegrapen mensen en beesten; Ik zal wegrapen de vogelen des hemels, en de vissen der zee, en de ergernissen met de goddelozen; ja, Ik zal de mensen uit dit land uitroeien, spreekt de HEERE. Zefanja 1:4: En Ik zal Mijn hand uitstrekken tegen Juda, en tegen alle inwoners van Jeruzalem; en Ik zal uit deze plaats uitroeien het overblijfsel van Baal, en den naam der Chemarim met de priesters; Zefanja 1:5: En die zich nederbuigen op de daken voor het heir des hemels, en die zich nederbuigende zweren bij den HEERE, en zweren bij Malcham; Zefanja 1:6: En die terugkeren van achter den HEERE; en die den HEERE niet zoeken, en vragen naar Hem niet.

B. Hoewel men mag aannemen, dat men God volgt, welke houdingen onthullen ernstige rebellie, verborgen in het hart?

Zefanja 1:12-13;

Zefanja 1:12: En het zal geschieden te dien tijde, Ik zal Jeruzalem met lantaarnen doorzoeken; en Ik zal bezoeking doen over de mannen, die stijf geworden zijn op hun droesem, die in hun hart zeggen: De HEERE doet geen goed, en Hij doet geen kwaad. Zefanja 1:13: Daarom zal hun vermogen ten roof worden, en hun huizen tot verwoesting; zij bouwen wel huizen, maar zij zullen ze niet bewonen; en zij planten wijngaarden, maar zij zullen derzelver wijn niet drinken.

Matthéüs 24:48-51.

Mattheüs 24:48: Maar zo die kwade dienstknecht in zijn hart zou zeggen: Mijn heer vertoeft te komen; Mattheüs 24:49: En zou beginnen zijn mededienstknechten te slaan, en te eten en te drinken met de dronkaards; Mattheüs 24:50: Zo zal de heer van dezen dienstknecht komen ten dage, in welken hij hem niet verwacht, en ter ure, die hij niet weet; Mattheüs 24:51: En zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de geveinsden; daar zal wening zijn en knersing der tanden.

“De mensen aan wie God de heilige, ernstige en beproevende waarheden voor deze tijd heeft toevertrouwd, slapen op hun post. Door hun daden zeggen zij: Wij hebben de waarheid; wij zijn ‘rijk en hebben ons verrijkt, en hebben aan niets gebrek’; terwijl de Waarachtige Getuige verklaart: ‘Gij weet niet, dat gij zijt de ellendige, en jammerlijke, en arme, en blinde en naakte’. Hoe getrouw schilderen deze woorden de huidige conditie van de kerk: ‘Gij weet niet, dat gij zijt de ellendige, en jammerlijke, en arme, en blinde en naakte’. Waarschuwende boodschappen, die door de Heilige Geest zijn ingegeven, worden door de dienstknechten van God uitgedragen, en degenen die dwalen worden hun karakterfouten voorgehouden. Zij zeggen echter: ‘Dit heeft geen betrekking op mij. Ik neem de boodschap, die u brengt, niet aan. Ik doe mijn uiterste best. Ik geloof de waarheid.’ De slechte dienstknecht, die in zijn hart zei: ‘Mijn Heer blijft uit’, beleed daarmee, dat hij op de komst van Christus wachtte. Hij was een dienstknecht, die uiterlijk gewijd was aan de dienst van God, terwijl hij zich in zijn hart aan Satan had overgegeven. Hij ontkent niet openlijk de waarheid, zoals de spotter dat deed, maar laat in zijn leven tot uiting komen, wat in zijn hart leeft, dat de komst van de Heer vertraagd is. Aanmatiging maakt hem onverschillig voor eeuwige belangen. Hij accepteert de regels, die in de wereld gelden en voegt zich naar die gewoonten en gebruiken. Zelfzucht, wereldse trots en ambities overheersen. Omdat hij vreest, dat zijn geloofsgenoten hoger staan dan hij, begint hij hun inzet te kleineren en hun motieven te bestrijden. Zo slaat hij zijn mededienstknechten.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 86-87.

Vrijdag — 6 maart

Terugblik

1. Wat kan ik leren van Habakuks gebeden, als ik pieker over Gods wegen?

2. Wie ken ik, die een tijdlijn van de profetieën zou waarderen?

3. Welke aspecten van mijn gedrag in het huis van God moet ik verbeteren?

4. Waarom is het zo belangrijk, dat ik de verleiding om te mopperen en te klagen kan weerstaan?

5. Waarom is het voor mij zo belangrijk om diepgaand zelfonderzoek te doen, als ik word berispt?