Het Evangelie volgens Johannes (DEEL VIER) — SABBAT, 29 november 2025

Les 9: Veranderingen in karakter

Tekst om te onthouden

Tekst om te onthouden: “Wees niet ongelovig, maar gelovig”

Johannes 20:27

“Onze Verlosser heeft geen woorden van lof voor hen, die traag van hart zijn om in deze laatste dagen te geloven, net zo min als Hij die had voor de twijfelende Thomas.” –Testimonies for the Church, vol. 2, blz. 696.

Aanvullende studie:: Testimonies for the Church, vol. 1, blz. 328-338;; Testimonies for the Church, vol. 4, blz. 231-233.

zo, — 23 nov

1. HET ONGELOOF VAN THOMAS

A. Hoe reageerde Thomas op het nieuws van Christus’ opstanding, en waarom wordt ons gevraagd die houding te overwinnen?

Johannes 20:24-25;

Johannes 20:24: En Thomas, een van de twaalven, gezegd Didymus, was met hen niet, toen Jezus daar kwam. Johannes 20:25: De andere discipelen dan zeiden tot hem: Wij hebben den Heere gezien. Doch hij zeide tot hen: Indien ik in Zijn handen niet zie het teken der nagelen, en mijn vinger steke in het teken der nagelen, en steke mijn hand in Zijn zijde, ik zal geenszins geloven.

2 Timótheüs 2:8.

2 Timotheüs 2:8: Houd in gedachtenis, dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt, Welke is uit den zade Davids, naar mijn Evangelie;

“Toen Jezus voor de eerste maal aan de discipelen in de opperzaal verscheen, was Thomas niet bij hen. Hij hoorde de berichten van de anderen, en ontving overvloedige bewijzen, dat Jezus was opgestaan; maar somberheid en ongeloof vervulden zijn hart. Toen hij de discipelen over de heerlijke verschijningen van de verrezen Heiland hoorde spreken, dompelde dit hem in nog diepere wanhoop. Indien Jezus werkelijk uit de dood was verrezen, konden zij verder niet hopen op een letterlijk aards koninkrijk. En het wondde zijn ijdelheid te denken, dat de Meester Zich zou openbaren aan alle discipelen behalve aan hem. Hij was vastbesloten niet te geloven, en een week lang tobde hij over zijn rampzalige toestand, die nog donkerder scheen door de tegenstelling met de hoop en het geloof van de broeders…

Hij wilde niet zien door de ogen van zijn broeders, of een geloof koesteren, dat berustte op hun getuigenis. Hij had zijn Heere vurig lief, maar hij had toegestaan, dat naijver en ongeloof bezit namen van zijn geest en hart.” –

“Satan staat klaar om allerlei twijfels te suggereren, maar als u uw ogen in geloof zult openen, zult u voldoende bewijs voor geloof vinden. Maar God zal nooit alle oorzaken van twijfel van een mens wegnemen… Jezus prees nooit ongeloof; Hij prees nooit twijfels.” –Testimonies for the Church, vol. 4, blz. 232-233.

ma, — 24 nov

2. OMGAAN MET TWIJFELENDE ZIELEN

A. Wat kunnen we leren van de manier, waarop Jezus liefdevol het geloof van Zijn twijfelende discipel versterkte?

Johannes 20:26–28.

Johannes 20:26: En na acht dagen waren Zijn discipelen wederom binnen, en Thomas met hen; en Jezus kwam, als de deuren gesloten waren, en stond in het midden, en zeide: Vrede zij ulieden! Johannes 20:27: Daarna zeide Hij tot Thomas: Breng uw vinger hier, en zie Mijn handen, en breng uw hand, en steek ze in Mijn zijde; en zijt niet ongelovig, maar gelovig. Johannes 20:28: En Thomas antwoordde en zeide tot Hem: Mijn Heere en mijn God!

“Een aantal discipelen maakten nu de vertrouwde opperzaal tot hun tijdelijk tehuis, en ‘s avonds kwamen allen, behalve Thomas, daar samen. Op een avond besloot Thomas de anderen op te zoeken. Ondanks zijn ongeloof had hij een flauwe hoop, dat het goede nieuws waar was. Terwijl de discipelen hun avondmaaltijd gebruikten, spraken zij over de bewijzen, die Christus hun in de profetieën had gegeven. “Jezus kwam, ‘terwijl de deuren gesloten waren, en Hij stond in hun midden en zeide: Vrede zij u!“

Hij wendde Zich tot Thomas en zeide: “Breng uw vinger hier en zie Mijn handen en breng uw hand en steek die in Mijn zijde, en wees niet ongelovig, maar gelovig”. Deze woorden toonden aan, dat Hij op de hoogte was van de gedachten en woorden van Thomas. De twijfelende discipel wist, dat gedurende een week niet één van zijn metgezellen Jezus had gezien. Zij hadden de Meester niet over zijn ongeloof kunnen vertellen. Hij herkende Hem, Die voor hem stond, als zijn Here. Hij verlangde geen verder bewijs. Zijn hart sprong op van vreugde, en hij wierp zich aan de voeten van Jezus, terwijl hij uitriep: “Mijn Here en Mijn God!” –

B. Hoe moeten we nu omgaan met twijfelaars aan de tegenwoordige waarheid, ook met betrekking tot de Geest der Profetie?

2 Timótheüs 3:10.

2 Timotheüs 3:10: Maar gij hebt achtervolgd mijn leer, wijze van doen, voornemen, geloof, lankmoedigheid, liefde, lijdzaamheid.

“Sommigen, zo werd mij getoond, konden de gepubliceerde visioenen ontvangen, door de boom te beoordelen aan de hand van zijn vruchten. Anderen zijn als de twijfelende Thomas; zij kunnen de gepubliceerde Getuigenissen niet geloven, noch bewijs ontvangen door het getuigenis van anderen; maar moeten het zien en zelf het bewijs hebben. Zulke mensen mogen niet terzijde worden geschoven, maar moeten heel geduldig en met broederlijke liefde worden behandeld, totdat zij hun positie hebben gevonden en worden bevestigd voor of tegen. Als zij zich verzetten tegen de visioenen, waarvan zij geen kennis hebben; als zij hun verzet zo ver doorvoeren, dat zij zich verzetten tegen datgene, waarmee zij geen ervaring hebben, en zich ergeren, wanneer degenen, die geloven dat de visioenen van God zijn, erover spreken tijdens bijeenkomsten, en zich troosten met de instructie, die door middel van visioenen wordt gegeven, kan de gemeente weten, dat zij niet gelijk hebben. Gods volk moet niet ineenkrimpen en toegeven, en hun vrijheid niet opgeven aan zulke ontevredenen.” –Testimonies for the Church, vol. 1, blz. 328.

di, — 25 nov

3. HET GELOOF VAN TWIJFELAARS OPBOUWEN

A. Welke vriendelijke berisping gaf Jezus aan Thomas?

Johannes 20:29.

Johannes 20:29: Jezus zeide tot hem: Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt gij geloofd; zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben.

Welke les leren we uit de manier, waarop Jezus de twijfelende apostel behandelde?

“Het geloof van Thomas zou voor Christus welgevalliger zijn geweest, indien hij gewillig was geweest te geloven op het getuigenis van zijn broeders. Indien de wereld nu het voorbeeld van Thomas zou volgen, dan zou niemand geloven en behouden worden; want allen, die Christus aannemen, moeten dat doen door het getuigenis van anderen.

Velen, die in twijfel zijn, verontschuldigen zichzelf door te zeggen, dat, indien zij de bewijzen zouden hebben, die Thomas van zijn metgezellen ontving, zij zouden geloven. Ze beseffen niet, dat ze niet alleen dat bewijs hebben, maar veel meer. Velen die, evenals Thomas deed, wachten tot alle reden tot twijfel is weggenomen, zullen nooit hun verlangen verwezenlijkt zien. Ze raken langzamerhand vast in hun ongeloof. Zij, die zichzelf eraan gewennen naar de sombere zijde te kijken, en te mopperen en te klagen, weten niet wat ze doen. Ze zaaien het zaad der twijfel, en ze zullen een oogst van twijfel binnenhalen. In een tijd, waarin geloof en vertrouwen uiterst belangrijk zijn, zullen velen op deze wijze bemerken, dat ze niet de macht hebben om te hopen en te geloven.

Door Zijn optreden tegenover Thomas gaf Jezus een les aan Zijn volgelingen. Zijn voorbeeld toont aan, hoe wij mensen moeten behandelen wier geloof zwak is en die hun twijfel tot iets belangrijks maken. Jezus overstelpte Thomas niet met verwijten en Hij ging ook niet met hem redetwisten. Hij openbaarde Zichzelf aan de twijfelaar. Thomas was bijzonder onredelijk geweest door voorwaarden te stellen voor zijn geloof, maar Jezus brak alle hindernissen af door Zijn overvloedige liefde en tegemoetkomendheid. Ongeloof wordt zelden door redetwisten overwonnen. Het wordt daardoor eerder in een verdedigende positie gebracht, en vindt nieuwe steun en verontschuldigingen. Maar laat Jezus, in Zijn liefde en genade, geopenbaard worden als de gekruisigde Heiland, dan zal van veler lippen die eens onwillig waren, de belijdenis van Thomas worden gehoord: “Mijn Here en mijn God!” –

B. Waarom werden Christus' tekenen en wonderen opgetekend?

Johannes 20:30–31.

Johannes 20:30: Jezus dan heeft nog wel vele andere tekenen in de tegenwoordigheid Zijner discipelen gedaan, die niet zijn geschreven in dit boek; Johannes 20:31: Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods; en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn Naam.

“God vraagt nooit van ons om iets te geloven zonder ons voldoende gegevens te verschaffen om ons geloof op te baseren. Zijn bestaan, Zijn karakter, de waarheid van Zijn Woord kunnen wij verstandelijk aanvaarden. Er zijn talloze dingen, die daarvan getuigenis afleggen. Toch heeft God nooit de mogelijkheid tot twijfel weggenomen. Ons geloof moet gebaseerd zijn op goede argumenten, maar kan niet proefondervindelijk worden bewezen.” –Schreden naar Christus, blz. 127.

wo, — 26 nov

4. BIJ DE ZEE

A. Onder welke omstandigheden openbaarde Jezus Zich voor de derde keer aan Zijn discipelen?

Johannes 21:1–3.

Johannes 21:1: Na dezen openbaarde Jezus Zichzelven wederom den discipelen aan de zee van Tiberias. En Hij openbaarde Zich aldus: Johannes 21:2: Er waren te zamen Simon Petrus, en Thomas, gezegd Didymus, en Nathanael, die van Kana in Galilea was, en de zonen van Zebedeus, en twee anderen van Zijn discipelen. Johannes 21:3: Simon Petrus zeide tot hen: Ik ga vissen. Zij zeiden tot hem: Wij gaan ook met u. Zij gingen uit, en traden terstond in het schip; en in dien nacht vingen zij niets.

B. Hoe benaderde Jezus de discipelen, terwijl ze aan het vissen waren, wat zei Hij tegen hen, en met welk resultaat?

Johannes 21:4–6.

Johannes 21:4: En als het nu morgenstond geworden was, stond Jezus op den oever; doch de discipelen wisten niet, dat het Jezus was. Johannes 21:5: Jezus dan zeide tot hen: Kinderkens, hebt gij niet enige toespijs? Zij antwoordden Hem: Neen. Johannes 21:6: En Hij zeide tot hen: Werpt het net aan de rechterzijde van het schip, en gij zult vinden. Zij wierpen het dan, en konden hetzelve niet meer trekken vanwege de menigte der vissen.

“En Jezus had een bedoeling met de opdracht, het net aan de rechterzijde uit te werpen. Aan die kant stond Hij, op de oever. Dat was de kant van het geloof. Indien zij in verbondenheid met Hem zouden werken, wanneer Zijn goddelijke kracht zich verbond met hun menselijke krachtinspanning, dan kon het niet missen of zij zouden succes hebben." –

C. Wat gebeurde er, toen de ogen van de discipelen geopend werden, zodat ze Jezus herkenden? Beschrijf het gesprek, dat volgde tussen de Heer en Petrus.

Johannes 21:7–17.

Johannes 21:7: De discipel dan, welken Jezus liefhad, zeide tot Petrus: Het is de Heere! Simon Petrus dan, horende, dat het de Heere was, omgordde het opperkleed (want hij was naakt), en wierp zichzelven in de zee. Johannes 21:8: En de andere discipelen kwamen met het scheepje (want zij waren niet verre van het land, maar omtrent tweehonderd ellen), slepende het net met de vissen. Johannes 21:9: Als zij dan aan het land gegaan waren, zagen zij een kolenvuur liggen, en vis daarop liggen, en brood. Johannes 21:10: Jezus zeide tot hen: Brengt van den vissen, die gij nu gevangen hebt. Johannes 21:11: Simon Petrus ging op, en trok het net op het land, vol grote vissen, tot honderd drie en vijftig; en hoewel er zovele waren, zo scheurde het net niet. Johannes 21:12: Jezus zeide tot hen: Komt herwaarts, houdt het middagmaal. En niemand van de discipelen durfde Hem vragen: Wie zijt Gij? wetende, dat het de Heere was. Johannes 21:13: Jezus dan kwam, en nam het brood, en gaf het hun, en den vis desgelijks. Johannes 21:14: Dit was nu de derde maal, dat Jezus Zijn discipelen geopenbaard is, nadat Hij van de doden opgewekt was. Johannes 21:15: Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon Petrus: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij liever dan dezen? Hij zeide tot Hem: Ja, Heere! Gij weet, dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Weid Mijn lammeren. Johannes 21:16: Hij zeide wederom tot hem ten tweeden maal: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief? Hij zeide tot Hem: Ja, Heere, gij weet, dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Hoed Mijn schapen. Johannes 21:17: Hij zeide tot hem ten derden maal: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat Hij ten derden maal tot hem zeide: Hebt gij Mij lief, en zeide tot Hem: Heere! Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik U liefheb. Jezus zeide tot hem: Weid Mijn schapen.

“Petrus had eens verklaard: 'Al zouden allen aanstoot aan U nemen, ik nooit!' (Matthéüs 26:33. Maar nu schatte hij zichzelf op juistere wijze: 'Ja, Heer’, zei hij, 'Gij weet, dat ik U liefheb’. Hier klinkt geen heftige verzekering, dat zijn liefde groter is dan de liefde van zijn broeders. Hij geeft over zijn toewijding niet zijn eigen mening te kennen…

Drie maal had Petrus openlijk zijn Heere verloochend, en drie maal dreef Jezus hem ertoe zijn liefde en trouw te verzekeren, door aan te dringen met die scherpe vraag, die als een van weerhaken vorrziene pijl zijn gewonde hart raakte. Voor de discipelen, die daar samen waren, openbaarde Jezus de diepte van Petrus' berouw en toonde Hij aan, hoe volkomen vernederd de eens zo zelfverzekerde discipel was.” –

“Hij (Petrus) stond altijd klaar om anderen te verbeteren en zijn mening te uiten, vooraleer hij een helder begrip had van zichzelf, of van hetgeen hij wilde zeggen. Maar de bekeerde Petrus was geheel anders. Hij behield zijn vroegere geestdrift, maar de genade van Christus temperde zijn voortvarendheid. Hij was niet langer onbesuisd, zelfvoldaan en tevreden met zijn eigen oordeel, maar kalm, beheerst en bereid iets te leren. Hij kon zowel de lammeren als de schapen de kudde van Christus weiden.” –

do, — 27 nov

5. HERSTEL

A. Welke profetische verklaring sprak Jezus uit over Petrus?

Johannes 21:18–19.

Johannes 21:18: Voorwaar, voorwaar, zeg Ik u: Toen gij jonger waart, gorddet gij uzelven, en wandeldet, alwaar gij wildet; maar wanneer gij zult oud geworden zijn, zo zult gij uw handen uitstrekken, en een ander zal u gorden, en brengen, waar gij niet wilt. Johannes 21:19: En dit zeide Hij, betekenende, met hoedanigen dood hij God verheerlijken zou. En dit gesproken hebbende, zeide Hij tot hem: Volg Mij.

Hoe werd deze profetie later vervuld?

“Toen hij (Petrus) dit zei, wist hij nog niet, naar welke hoogten en diepten de voeten van Christus zouden voorgaan. Petrus had gefaald, toen de beproeving kwam, maar hij zou opnieuw een gelegenheid hebben om zijn liefde voor Christus te bewijzen. Om hem kracht te geven voor de laatste beproeving van zijn geloof, openbaarde de Heiland hem zijn toekomst. Hij vertelde hem, dat, nadat hij een dienstig leven zou hebben geleid, wanneer ouderdom zijn kracht zou aantasten, Hij metterdaad zijn Heiland zou volgen…

Jezus maakte … Petrus de buitengewone wijze van zijn dood bekend. Hij voorzegde zelfs, dat hij zijn handen zou uitstrekken aan het kruis. Opnieuw zei Hij tot Zijn discipel: 'Volg Mij'. Petrus was niet ontmoedigd door de openbaring. Hij was gewillig op welke wijze ook voor zijn Heer te sterven.” –

“Als Jood en vreemdeling werd Petrus veroordeeld om gegeseld en gekruisigd te worden. In het vooruizicht van deze vreselijke dood dacht de apostel aan zijn grote zonde, toen hij Jezus in de ure van Diens verhoor in de steek had gelaten. Terwijl hij toen terugschrok voor het kruis, beschouwde hij het nu als een eer om zijn leven te geven voor het evangelie, met het gevoel, dat het voor hem, die zijn Meester eenmaal had verloochend, een te grote eer was om te sterven als eens zijn Meester stierf. Petrus had oprecht berouw getoond over zijn zonde, en Christus had hem vergeven, zoals blijkt uit de verheven opdracht om de schapen en de lammeren van de kudde te hoeden. Maar hij kon het zichzelf niet vergeven. Zelfs niet de gedachte aan de zielsangst van het laatste vreselijke gebeuren kon de bitterheid van zijn verdriet en berouw wegnemen. Als een laatste gunst verzocht hij zijn beulen om hem aan het kruis te nagelen met het hoofd naar beneden. Het verzoek werd toegestaan, en op deze wijze stierf de grote apostel Petrus.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 391.

vr, — 28 nov

Terugblik

1. Hoe zou ik het risico kunnen lopen om net zo chagrijnig te worden als Thomas?

2. Wat moet ik leren van de manier, waarop Jezus de twijfelende Thomas behandelde?

3. Waarom is liefde overtuigender dan verdeeldheid?

4. Wat was het doel van Christus, toen Hij het wonder van de vissen verrichtte?

5. Beschrijf de verandering in Petrus’ houding na zijn bekering.