Tekst om te onthouden: “De discipelen dan werden verblijd, toen zij de Heere zagen”
Johannes 20:20
“Het eerste werk van Christus op aarde, na Zijn opstanding, was Zijn discipelen te overtuigen van Zijn onverminderde liefde en tedere zorg voor hen.” –
Aanvullende studie:: De Wens der Eeuwen, p. 692-706; Lessen uit het Leven van Alledag, blz. 19-21.
A. Terwijl Maria Magdaléna huilde, bleef ze staan en keek in het graf. Wat zag ze daar?
Johannes 20:11–13.
B. Aan wie en hoe openbaarde Jezus Zich het eerst?
Johannes 20:14–18.
“Door haar tranen heen zag Maria de gestalte van een man, en denkend dat het de hovenier was, zei ze: 'Heer, als gij Hem hebt weggedragen, zeg mij dan, waar gij Hem hebt neergelegd, en ik zal Hem wegnemen’. Indien iemand meende, dat het graf van deze rijke man een te eervolle plaats was om Jezus te begraven, zou zij zelf in een plaats voor Hem voorzien. Er was een graf, dat door Christus' eigen stem was leeg geworden, het graf waar Lazarus had gelegen. Zou zij daar geen plaats vinden om haar Heere te begraven? Ze voelde, dat de zorg voor Zijn dierbaar, gekruisigd lichaam een grote troost zou zijn in haar smart.
Maar nu zei Jezus met Zijn eigen vertrouwde stem tot haar: ‘Maria.’ Nu wist ze, dat het geen vreemdeling was, die tot haar sprak, en toen ze zich omwendde, zag ze de levende Christus voor zich staan.” –
“Maria was de eerste, die bij het graf kwam na Zijn opstanding. Maria was de eerste, die een opgestane Heiland verkondigde." –
A. Wat gebeurde er, terwijl twee discipelen van Christus op de weg waren naar het dorp Emmaüs?
Lukas 24:13–16.
“Zij (de twee discipelen) keerden nu naar huis terug om te mediteren en te bidden. Bedroefd zetten ze hun late tocht voort, en spraken over de gebeurtenissen tijdens het verhoor en de kruisiging. Nooit tevoren waren ze zó volkomen ontmoedigd geweest. Zonder hoop en geloof wandelden zij voort in de schaduw van het kruis.
Zij waren nog niet ver gevorderd op hun reis, toen zich een vreemdeling bij hen aansloot, maar zij waren zó door hun droefheid en teleurstelling in beslag genomen, dat ze niet nauwkeurig op hem letten.” –
B. Beschrijf het gesprek dat volgde.
Lukas 24:17–24.
“Zij (de twee discipelen) beredeneerden de lessen, die Christus had gegeven, die ze niet schenen te kunnen begrijpen. Terwijl ze spraken over de gebeurtenissen, die hadden plaatsgevonden, verlangde Jezus hen te troosten. Hij had hun smart gezien; Hij begreep de tegenstrijdige, verwarrende ideeën, die de gedachte bijhen deed opkomen: Kan deze Man, Die toeliet, dat Hij zo werd vernederd, de Christus zijn? Zij konden hun smart niet bedwingen en weenden. Jezus wist, dat hun harten in liefde aan Hem waren verbonden, en Hij verlangde hun tranen af te wissen en hun vreugde en blijdschap te schenken. Maar eerst moest Hij hun lessen geven, die ze nooit zouden vergeten.” –
C. Hoe legde Jezus hun vriendelijk de profetieën uit?
Lukas 24:25–27.
“Indien Hij (Christus) eerst Zichzelf aan hen had bekend gemaakt, dan zouden hun harten tevredengesteld zijn geweest. In de volheid van hun vreugde zouden ze naar niets anders meer hebben gehongerd. Maar het was noodzakelijk, dat zij het getuigenis konden verstaan, dat van Hem in de symbolen en profetieën van het Oude Testament werd gegeven. Hierop moest hun geloof gegrond zijn. Christus verrichtte geen wonder om hen te overtuigen, maar het was Zijn eerste werk om de Schriften te verklaren. Zij hadden Zijn dood beschouwd als de vernietiging van al hun hoop. Nu toonde Hij uit de profeten aan, dat dit juist het krachtigste bewijs voor hun geloof was.” –
A. Welk voorstel deden de twee discipelen, toen het leek ,alsof Jezus Zijn reis langs Emmaüs zou voortzetten?
Lukas 24:28–29.
“Indien de discipelen niet verder op hun uitnodiging hadden aangedrongen, dan hadden ze niet hebben geweten, dat hun reisgenoot de opgestane Heere was. Christus dringt Zijn gezelschap nooit aan iemand op. Hij stelt belang in de mensen, die Hem nodig hebben. Vol blijdschap zal Hij het nederigste huis binnengaan en het deemoedigste hart verheugd maken. Maar indien de mensen te onverschillig zijn om aan de hemelse Gast te denken, of Hem te vragen bij hen te blijven, dan gaat Hij verder. Op deze wijze lijden velen een groot verlies. Zij kennen Christus niet beter dan de discipelen, toen Hij met hen wandelde op de weg.” –
B. Hoe en wanneer konden de twee discipelen uiteindelijk de opgestane Heiland herkennen, en hoe moeten wij een soortgelijke vreugde ervaren?
Lukas 24:30–32.
“De eenvoudige avondmaaltijd van brood is spoedig gereed. Het wordt voor de gast geplaatst, Die Zijn plaats heeft ingenomen aan het hoofd van de tafel. Nu strekt Hij Zijn handen uit om het voedsel te zegenen. De discipelen deinzen verwonderd terug. Hun metgezel spreidt Zijn handen uit, precies zoals hun Meester dat placht te doen. Ze kijken nog eens, en zie, in Zijn handen ontwaren zij de indrukken van de spijkers. Beiden roepen tegelijk uit: Het is de Heere Jezus! Hij is opgestaan uit de dood!
Zij staan op om zich aan Zijn voeten te werpen en Hem te aanbidden, maar Hij is uit hun gezicht verdwenen. Ze kijken naar de plaats, die was ingenomen door Iemand, wiens lichaam kortgeleden in het graf had gelegen, en zeggen tot elkander: 'Was ons hart niet brandende in ons, terwijl Hij onderweg tot ons sprak en ons de Schriften opende?'” –
“Velen vragen naar de levende God en verlangen naar Zijn tegenwoordigheid. Laat Gods Woord tot het hart spreken. Laat degenen, die alleen maar overlevering en menselijke meningen hebben gehoord, de stem van Hem ontdekken, die de ziel eeuwig leven kan bieden…
Als de gelovigen uit Oud Testamentische tijden zulk een duidelijk getuigenis brachten van trouw, moeten zij die door de eeuwen heen zoveel ilicht hebben ontvangen, niet nog duidelijker van de macht der waarheid getuigen?” –Profeten en Koningen, blz. 384.
A. Wat deden de twee discipelen in Emmaüs meteen, toen ze Jezus herkenden?
Lukas 24:33–35.
“Maar nu ze dit grote nieuws te vertellen hebben, kunnen ze niet blijven zitten praten. Hun vermoeidheid en honger zijn verdwenen. Ze laten hun maaltijd onaangeroerd staan, en vol vreugde gaan ze onmiddellijk op weg over het pad, waarlangs ze gekomen zijn, zich haastende om het nieuws te gaan vertellen aan de discipelen in de stad. Op sommige gedeelten is de weg niet veilig, maar zij klimmen over de steile gedeelten, uitglijdend over de gladde rotsen. Zij zien niet en weten niet, dat zij de beschermd worden door Hem, Die met hen langs deze weg is gegaan. Met hun pelgrimsstaf in de hand haasten zij zich voort, verlangend nog sneller te gaan dan zij al wagen. Zij geraken het spoor bijster, maar vinden het weer terug. Soms hard lopend, soms struikelend, reppen zij zich voort, terwijl hun ongeziene Metgezel de gehele weg dicht naast hen blijft.
De nacht is donker, maar de Zon der Gerechtigheid schijnt over hen. Hun harten springen op van vreugde. Het lijkt hun, alsof ze in een nieuwe wereld zijn. Christus is een levende Heiland. Zij treuren niet langer over Hem als over een dode. Christus is opgestaan, steeds weer herhalen ze dat. Dit is de boodschap, die zij aan de treurenden brengen. Zij moeten het heerlijke verhaal vertellen van de wandeling naar Emmaüs. Zij moeten vertellen wie Zich onderweg bij hen voegde. Zij brengen de belangrijkste boodschap, die ooit aan de wereld werd gegeven, een boodschap van blijde tijding, waarvan de hoop van het menselijk geslacht voor tijd en eeuwigheid afhangt.” –
B. Wat gebeurde er onverwachts, terwijl de meeste discipelen van Christus zich in de bovenzaal in Jeruzalem bevonden?
Lukas 24:36–40;
Johannes 20:19–21.
“Zij (de twee discipelen) gaan naar de opperzaal, waar Jezus de uren van de laatste avond vóór Zijn dood heeft doorgebracht… Ze bemerken, dat de deur van de zaal zorgvuldig is gegrendeld. Ze kloppen om te worden binnengelaten, maar er komt geen antwoord. Alles is stil. Dan noemen ze hun namen. De deur wordt voorzichtig geopend, zij gaan binnen, en ongezien gaat nog Iemand met hen naar binnen. Dan wordt de deur weer gegrendeld om spionnen te weren…
Zie, een Ander voor hen staat. Ieders oog wordt op de Vreemdeling gericht. Niemand heeft geklopt om te worden binnengelaten. Geen voetstap is gehoord. De discipelen zijn geschrokken en vragen zich af wat dit betekent. Dan horen zij een stem, die geen andere is dan de stem van hun Meester. Helder en duidelijk komen de woorden over Zijn lippen: 'Vrede zij met u’.” –
A. Welke verantwoordelijkheid plaatste Jezus op de gemeente met betrekking tot de mgang met zonde en zondaars?
Johannes 20:22–23.
“Voordat de discipelen hun officiële plichten konden vervullen in verband met de gemeente, blies Christus Zijn Geest op hen. Hij vertrouwde hun de meest geheiligde waarheid toe…
Maar op de gemeente als organisatie legt Hij de verantwoording voor de afzonderlijke leden. Tegenover degenen, die in zonde vallen, heeft de gemeente een plicht te waarschuwen, te onderrichten en, indien mogelijk, te herstellen. “Wederleg, bestraf en bemoedig”, zegt de Here, “met alle lankmoedigheid en onderrichting” (2 Timótheüs 4:2). Treed getrouw op tegen verkeerde werken. Waarschuw iedere ziel, die zich in gevaar bevindt. Laat niemand zichzelf misleiden. Noem de zonde bij zijn ware naam. Verkondig wat God gezegd heeft betreffende liegen, Sabbatschending, stelen, afgodendienst en andere verkeerde dingen. “Wie dergelijke dingen bedrijven, zullen het koninkrijk Gods niet beërven” (Galaten 5:21). Indien zij volharden in de zonde, wordt het oordeel, dat gij aan de hand van Gods Woord hebt uitgesproken, in de hemel bevestigd. Door de zonde te verkiezen, verloochenen zij Christus; de gemeente moet tonen, dat zij haar goedkeuring niet hecht aan hun daden, anders zal zij zelf haar Here oneer aandoen. Zij moet over de zonde zeggen, wat God daarover zegt. Zij moet deze behandelen, zoals God heeft voorgeschreven, en haar optreden wordt in de hemel bekrachtigd. Hij, die het gezag van de kerk minacht, minacht het gezag van Christus Zelf.
Maar er is ook een lichter zijde aan dit beeld. “Wie gij hun zonden kwijtscheldt, die zijn ze kwijtgescholden”. Laat deze gedachte worden hooggehouden. Laat, bij het werken voor de dwalenden, ieders oog op Christus gericht zijn. Laten de herders op tedere wijze zorgen voor de kudde uit de weide des Heren. Laten ze tot de dwalende spreken over de vergevende genade van de Heiland. Laten ze de zondaar aanmoedigen om berouw te tonen en te geloven in Hem, Die kan vergeven.” –
1. Wat kan ik leren van het moment, waarop Maria Jezus zocht?
2. Leg uit, hoe Jezus de twee, die naar Emmaüs gingen, onderwees.
3. Wat kan ik leren van de ijver van deze twee discipelen?
4. In hoeverre volg ik hun voorbeeld bij het stellen van prioriteiten?
5. Hoe kan ik mijn taken binnen de georganiseerde hemeente beter uitvoeren?