Tekst om te onthouden: "Pilatus zeide tot Hem (Jezus): Wat is waarheid? En toen hij dit gezegd had, ging hij weer uit tot de Joden, en zeide tot hen: Ik vind geen schuld in Hem"
Johannes 18:38
“Pilatus keek naar de mannen, die Jezus bewaakten, en toen bleef zijn blik onderzoekend op Jezus rusten… Hij zag een man met een kalme, waardige houding, wiens gelaat niet de kenmerken droeg van een misdadiger, maar het stempel des hemels.” –
Aanvullende studie:: De Wens der Eeuwen, p. 631-648
A. Waar brachten de Joden Jezus vervolgens naartoe?
Markus 15:1;
Johannes 18:28 (eerste deel).
“In het gerechtsgebouw van Pilatus, de Romeinse stadhouder, staat Christus, gebonden als een gevangene. Rond Hem staat de wacht van soldaten, en de hal vult zich met toeschouwers. Buiten de ingang bevinden zich de rechters van het Sanhedrin, priesters, oversten, oudsten en de menigte.
Nadat Jezus was veroordeeld, was de raad van het Sanhedrin naar Pilatus gekomen om het vonnis te zien bevestigd en uitgevoerd.” –
B. Leg de hypocrisie van de Joodse leiders uit.
Johannes 18:28 (tweede helft).
“Maar deze Joodse ambtsdragers wilden het Romeinse gerechtsgebouw niet binnengaan. Volgens hun ceremoniële wet zouden zij daardoor worden verontreinigd, en zo verhinderd zijn aan het feest van het Pascha deel te nemen. In hun verblinding zagen zij niet, dat moordzuchtige haat hun harten had verontreinigd. Zij zagen niet, dat Christus het ware Paaslam was, en aangezien zij Hem hadden verworpen, had het grote feest voor hen zijn betekenis verloren.” –
A. Welke pijnlijke vraag stelde Pilatus aan de Joodse leiders?
Johannes 18:29.
.
“De verschijning van Christus maakte een gunstige indruk op Pilatus. Zijn betere natuur kwam boven. Hij had gehoord van Jezus en Zijn werken. Zijn vrouw had hem iets verteld over de wonderwerken, die werden verricht door de Galilese profeet, die zieken genas en de doden opwekte. Nu herleefde dit alles als een droom in de gedachten van Pilatus. Hij herinnerde zich de geruchten, die hij uit verschillende bronnen had vernomen. Hij besloot aan de Joden te vragen, waarvan zij de gevangene beschuldigden.
Wie is deze Man, en waarom hebt gij Hem hier gebracht? zei hij. Welke beschuldiging brengt gij tegen Hem in? De Joden werden in de war gebracht. Daar zij wisten, dat zij hun beschuldigingen tegen Christus niet konden bewijzen, wensten zij geen openbaar verhoor." –
B. Welk arrogant en ontwijkend antwoord gaven de Joodse leiders aan Pilatus?
Johannes 18:30.
”Zij (De leden van het Sanhedrin]) hoopten indruk te maken op Pilatus door hem hun belangrijkheid te doen gevoelen, en hem op deze wijze ertoe te brengen hun verzoek in te willigen zonder een lange inleiding. Zij waren verlangend hun vonnis bevestigd te zien; want zij wisten, dat de mensen, die getuigen waren geweest van Christus’ wonderwerken, een geschiedenis zouden kunnen vertellen die geheel verschillend was van de verzinsels, die zijzelf nu opsomden.” –
C. Welke verklaring van Pilatus maakte de situatie van de priesters nog moeilijker?
Johannes 18:31.
“Ze (De priesters) vroegen Pilatus wat de schuld van Christus betrof, hen op hun woord te geloven, en hun vonnis te bekrachtigen. Zij zouden de verantwoordelijkheid aanvaarden voor de gevolgen.
Pilatus was geen rechtvaardige of gewetensvolle rechter; maar hoewel zijn zedelijke kracht gering was, weigerde hij aan dit verzoek te voldoen. Hij wilde Jezus niet veroordelen vooraleer er een beschuldiging tegen Hem was ingebracht.” –
A. Welke vraag stelde Pilatus aan Jezus, terugkerend naar de rechtszaal, en waarom?
Johannes 18:33.
“De priesters stonden voor een lastige keuze. Zij zagen dat zij hun huichelarij moesten hullen in de diepste verborgenheid. Zij moesten niet laten blijken, dat Christus op godsdienstige gronden was gevangengenomen. Indien dit als reden naar voren werd gebracht, dan zou hun handelwijze voor Pilatus van geen gewicht zijn. Zij moesten het doen voorkomen alsof Jezus de burgerlijke wet tegenwerkte; dan zou Hij als een politiek misdadiger kunnen worden veroordeeld. Onlusten en rebellie tegen de Romeinse regering kwamen voortdurend onder het Joodse volk voor. Tegen deze opstanden waren de Romeinen bijzonder krachtig opgetreden, en zij hielden voortdurend toezicht om alles wat tot een uitbarsting zou kunnen leiden, te onderdrukken…
Hij (Pilatus) geloofde niet, dat de gevangene plannen tegen de regering had gesmeed. Zijn zwakke, bescheiden verschijning was in volkomen tegenspraak met de aanklacht. Pilatus was ervan overtuigd, dat er een snood complot was gesmeed om een onschuldig man, die de Joodse hoogwaardigheidsbekleders in de weg stond, uit de weg te ruimen…
Pilatus was zeer verwonderd over Zijn houding. Slaat deze Man geen acht op datgene wat er voorvalt, omdat Hij geen waarde hecht aan Zijn leven? vroeg hij zich af. Toen hij naar Jezus keek, Die smaad en hoon verdroeg zonder wederwoord, gevoelde hij, dat Hij niet zo zondig en onrechtvaardig kon zijn als de schreeuwende priesters.” –
B. Hoe antwoordde Jezus op de vraag van Pilatus, en met welke reactie?
Johannes 18:34–35.
“In de hoop de waarheid van Hem te vernemen en te ontkomen aan het tumult van de menigte, nam Pilatus Jezus terzijde en vroeg Hem opnieuw: “Zijt Gij de Koning der Joden?”
Jezus beantwoordde de vraag niet rechtstreeks. Hij wist, dat de Heilige Geest met Pilatus worstelde, en Hij gaf hem de gelegenheid zijn overtuiging te erkennen. “Zegt gij dit uit uzelf”, vroeg Hij, “of hebben anderen u over Mij gesproken?” Dat wil zeggen, was het de aanklacht van de priesters, of een verlangen om licht van Christus te ontvangen, dat Pilatus deze vraag ingaf? Pilatus begreep, wat Christus bedoelde; maar trots rees op in zijn hart. Hij wilde de overtuiging, die zich bij hem naar voren drong, niet erkennen.” –
A. Hoe legde Jezus de aard van Zijn koninkrijk duidelijk uit, om begrepen te worden door allen tot het einde van de aardse geschiedenis?
Johannes 18:36.
“Maar heden zijn er in de godsdienstige wereld velen, die, naar zij geloven, werken voor de oprichting van het koninkrijk van Christus als een aardse, tijdelijke heerschappij. Zij verlangen onze Heere tot heerser te maken over de koninkrijken van deze wereld, de heerser aan de hoven en in de legerkampen van deze wereld, in de gerechtsgebouwen, de paleizen en op de marktplaatsen. Zij verwachten, dat Hij zal regeren door wettelijke verordeningen, die door menselijk gezag worden opgelegd. Aangezien Christus hier nu niet persoonlijk aanwezig is, willen zij zich wel verbinden in Zijn plaats te handelen, de wetten van Zijn koninkrijk ten uitvoer te brengen. In de dagen van Christus wensten de Joden de oprichting van een dergelijk koninkrijk. Zij zouden Jezus hebben aangenomen, indien Hij gewillig was geweest een tijdelijke heerschappij te vestigen, met geweld datgene door te voeren wat zij beschouwden als de wetten van God, en hen de uitvoerders van Zijn wil en de dragers van Zijn gezag te maken. Maar Hij zei: 'Mijn koninkrijk is niet van deze wereld.' (Johannes 18:36). Hij wilde de aardse troon niet aanvaarden.” –
B. Waaraan herinnert Christus ons hier op aarde?
Markus 12:17.
“De regering, waaronder Jezus leefde, was corrupt en onderdrukkend; overal heersten schreeuwende misstanden, afpersing, onverdraagzaamheid en meedogenloze wreedheid. Toch probeerde de Heiland niet burgerlijke hervormingen teweeg te brengen. Hij viel niet de nationale misbruiken aan, en veroordeelde ook de nationale vijanden niet. Hij mengde Zich niet in het gezag of beheer van hen, die aan de macht waren. Hij, die ons voorbeeld was, hield Zich afzijdig van aardse regeringen. Niet omdat Hij voor de smarten der mensen onverschillig was, maar omdat de middelen ter verbetering niet enkel in menselijke en uiterlijke maatregelen lagen. Om een doeltreffende uitwerking te verkrijgen, moest de genezing de mensen persoonlijk bereiken en het hart vernieuwen.
Niet door beslissingen van gerechtshoven of raadsvergaderingen of vergaderingen van een wetgevende macht, niet door de bescherming van de groten der aarde wordt het koninkrijk van Christus opgericht, maar door het inplanten van het karakter van Christus in de mens door het werk van de Heilige Geest.” –
“Het samengaan van de Kerk en Staat zal zelfs, wanneer de band tussen beide heel los is, misschien de indruk wekken, dat de wereld tot de kerk wordt bekeerd, maar in werkelijkheid wordt de kerk tot de wereld bekeerd.” –De Grote Strijd, blz. 280.
A. Hoe deed Jezus een vriendelijk beroep op het geweten van Pilatus?
Johannes 18:37.
“De kostbare gelegenheid van Pilatus was voorbijgegaan. Toch liet Jezus hem niet zonder verder licht. Terwijl Hij niet rechtstreeks de vraag van Pilatus beantwoordde, verklaarde Hij in eenvoudige woorden Zijn eigen zending. Hij gaf Pilatus te verstaan, dat Hij geen aardse troon zocht…
Christus bevestigde, dat Zijn woord in zichzelf een sleutel was, waarmee het geheimenis voor diegenen, die bereid waren het aan te nemen, kon worden geopend. Het bezit een kracht, waardoor het zichzelf aanbeveelt, en dit was het geheim van de verbreiding van Zijn koninkrijk der waarheid. Hij verlangde, dat Pilatus zou begrijpen, dat slechts door het aannemen en zich toeëigenen van de waarheid zijn verdorven karakter zou kunnen worden vernieuwd.” –
B. Welke diepere vraag stelde Pilatus aan Jezus, maar wat laat ook zien, dat hij geen echte interesse had in het antwoord?
Johannes 18:38.
“Pilatus had een verlangen om de waarheid te kennen. Zijn geest was verward. Hij greep begerig de woorden van de Heiland aan, en in zijn hart werd een groot verlangen opgewekt te weten, wat ze werkelijk was en hoe hij ze zou kunnen verkrijgen. “Wat is waarheid?” vroeg hij. Maar hij wachtte niet op een antwoord. Het rumoer buiten herinnerde hem aan de belangrijkheid van dit uur, want de priesters riepen luid om handelend optreden. Hij ging naar buiten tot de Joden en verklaarde met nadruk: “Ik vind geen schuld in Hem”.
“Deze woorden van een heidens rechter waren een vernietigende berisping voor de oneerlijkheid en valsheid van de leiders van Israël, die de Heiland beschuldigden. “ –
1. Hoe loop ik, net als de Joden, het gevaar het idee van ‘verontreiniging’ te verdraaien?
2. In welke situaties kan ik, net als Pilatus, de stem van mijn geweten weerstaan?
3. Onder welke druk kan ik in gevaar zijn de waarheid niet onder ogen te zien?
4. Wat verwachtten de Joden van Pilatus?
5. Beschrijf het gesprek tussen Pilatus en Jezus.