Het Evangelie volgens Johannes (DEEL VIER) — SABBAT, 11 oktober 2025

Les 2: Judas Iskariot

Tekst om te onthouden

Tekst om te onthouden: "Jezus antwoordde hun: Heb Ik niet u twaalf uitverkoren? En één uit u is een duivel. En Hij zeide dit van Judas, Simons zoon, Iskariot; want deze zou Hem verraden, zijnde een van de twaalven"

Johannes 6:70–71

“Terwijl hij (Judas) de positie van een dienaar van Christus aanvaardde, liet hij zich niet door God vormen. Hij meende, dat hij zijn eigen oordeel en inzichten zou kunnen behouden, en hij kweekte een gezindheid van kritiek leveren en beschuldigen." –

Aanvullende studie:: De Wens der Eeuwen, p. 624-630

zo, — 5 okt

1. EERSTE CONTACT

A. Hoe ontmoette Judas Jezus aan het begin van Zijn bediening, en wat trok hem aan in de Meester?

Matthéüs 8:19.

Mattheüs 8:19: En er kwam een zeker Schriftgeleerde tot Hem, en zeide tot Hem: Meester! ik zal U volgen, waar Gij ook henengaat.

“Terwijl Jezus bezig was de discipelen voor te bereiden voor hun bevestiging, drong iemand, die niet geroepen was, zijn aanwezigheid bij hen op. Het was Judas Iskariot, een man, die beleed, dat hij een volger van Christus was. Hij kwam nu naar voren en trachtte een plaats te verwerven in deze intieme kring van discipelen.” –

“Judas had zich bij de discipelen aangesloten, toen grote scharen Christus volgden. Het onderricht van de Heiland bewoog hun harten telkens wanneer zij gespannen luisterden naar Zijn woorden, die Hij sprak in de synagoge, aan de oever van de zee en op de berg. Judas zag hoe lammen, zieken en blinden in groten getale uit de steden en dorpen naar Jezus kwamen. Hij zag hoe stervenden aan Zijn voeten werden gelegd. Hij was getuige van de machtige werken van de Heiland, wanneer Hij de zieken genas, duivelen uitwierp en doden opwekte. Hij voelde in zijn eigen wezen de bewijzen van de macht van Christus. Hij erkende, dat de leer van Christus machtiger was dan alles wat hij ooit had gehoord. Hij had de Grote Leraar lief, en verlangde met Hem te zijn. Hij voelde een verlangen dat zijn karakter en leven zouden worden veranderd, en hij hoopte dat hij dit zou ervaren door zich met Jezus te verbinden.” –

ma, — 6 okt

2. AANGENOMEN IN HET APOSTELSCHAP

A. Hoe reageerde Jezus op het voorstel van Judas om een plaats onder de twaalf in te nemen, en hoe reageerden de andere discipelen?

Matthéüs 8:20.

Mattheüs 8:20: En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegge.

“Judas geloofde, dat Jezus de Messias was; en door zich onder de discipelen te scharen, hoopte hij zich te verzekeren van een hoge positie in het nieuwe koninkrijk. Deze hoop wilde Jezus hem ontnemen door op deze wijze over Zijn armoede te spreken.

De discipelen wilden gaarne, dat Judas een van de hunnen zou worden. Hij had een indrukwekkend voorkomen, een man met een scherp onderscheidingsvermogen en bruikbare talenten, en zij bevalen hem bij Jezus aan als iemand, die Hem zeer van dienst zou kunnen zijn bij Zijn arbeid. Ze waren verrast, dat Jezus hem zo koel ontving.

De discipelen waren zeer teleurgesteld geweest, dat Jezus niet had getracht de medewerking te verkrijgen van de leiders in Israël. Ze hadden het gevoel, dat het verkeerd was, Zijn zaak niet te versterken door de steun van deze invloedrijke mensen te verkrijgen. Indien Hij Judas afgewezen zou hebben, zouden ze in hun hart getwijfeld hebben aan de wijsheid van hun Meester. Wat daarna met Judas gebeurde, zou het gevaar tonen, dat schuilt in het toelaten van wereldse overwegingen bij het besluiten of iemand geschikt is voor het werk van God. De samenwerking met mannen, zoals die waarmee de discipelen gaarne hadden willen samenwerken, zou het werk in handen gespeeld hebben van de ergste vijanden.” –

B. Wat staat er over Judas als een apostel geschreven?

Matthéüs 10:2–4;

Mattheüs 10:2: De namen nu der twaalf apostelen zijn deze: de eerste, Simon, gezegd Petrus, en Andreas, zijn broeder; Jakobus, de zoon van Zebedeus, en Johannes, zijn broeder; Mattheüs 10:3: Filippus en Bartholomeus; Thomas en Mattheus, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alfeus, en Lebbeus, toegenaamd Thaddeus; Mattheüs 10:4: Simon Kananites, en Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.

Johannes 6:64.

Johannes 6:64: Maar er zijn sommigen van ulieden, die niet geloven. Want Jezus wist van den beginne, wie zij waren, die niet geloofden, en wie hij was, die Hem verraden zou.

“De Heiland wees Judas niet af. Hij gaf hem een plaats onder de twaalven. Hij vertrouwde hem het werk van een evangelist toe. Hij schonk hem de kracht om zieken te genezen en duivelen uit te werpen. Maar Judas kwam niet zover, dat hij zichzelf volkomen aan Christus overgaf. Hij gaf zijn wereldse eerzucht en zijn liefde voor geld niet op. Terwijl hij de positie van een dienaar van Christus aanvaardde, liet hij zich niet door God vormen. Hij meende, dat hij zijn eigen oordeel en inzichten zou kunnen behouden, en hij kweekte een gezindheid van kritiek leveren en beschuldigen.” –

C. Hoe was het verraad voorzien?

Johannes 6:70–71;

Johannes 6:70: Jezus antwoordde hun: Heb Ik niet u twaalf uitverkoren? En een uit u is een duivel. Johannes 6:71: En Hij zeide dit van Judas, Simons zoon, Iskariot; want deze zou Hem verraden, zijnde een van de twaalven.

Johannes 13:9–10;

Johannes 13:9: Simon Petrus zeide tot Hem: Heere, niet alleen mijn voeten, maar ook de handen en het hoofd. Johannes 13:10: Jezus zeide tot hem: Die gewassen is, heeft niet van node, dan de voeten te wassen, maar is geheel rein. En gijlieden zijt rein, doch niet allen.

Psalm 41:10.

Psalmen 41:10: Zelfs de man mijns vredes, op welken ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven.

di, — 7 okt

3. SCHERPZINNIGHEID VAN KARAKTER

A. Beschrijf het verschil tussen het beeld van Judas, dat de discipelen schetsten in tegenstelling tot zijn werkelijke motieven en karakter.

Johannes 12:6.

Johannes 12:6: En dit zeide hij, niet omdat hij bezorgd was voor de armen, maar omdat hij een dief was, en de beurs had, en droeg hetgeen gegeven werd.

“Judas stond in hoog aanzien bij de discipelen en hij had op hen een grote invloed. Hijzelf had een hoge dunk van zijn eigen bekwaamheden, en zag op zijn broeders neer als mensen, die ver beneden hem stonden in oordeel en bekwaamheid. Zij zagen hun gunstige gelegenheden niet, dacht hij, en maakten geen gebruik van de omstandigheden. Met zulke kortzichtige mannen als leiders zou de gemeente nooit tot bloei komen. Petrus was driftig; hij was gewoon te handelen zonder na te denken. Johannes, die alle waarheden uit de mond van Christus als schatten koesterde, werd door Judas beschouwd als een stumperige financier. Mattheüs, wiens opleiding hem had geleerd precies te zijn in alle dingen, nam het erg nauw met de eerlijkheid, en hij was steeds bezig de woorden van Christus te overdenken en werd hierdoor zó in beslag genomen, dat, naar Judas meende, men hem niet kon toevertrouwen op handige, vooruitziende wijze zaken te doen. Op deze wijze vormde Judas zich een oordeel over alle discipelen, en vleide zichzelf met de gedachte, dat de gemeente dikwijls verward en beschaamd zou staan, indien hij niet zo uitstekend de zaken zou regelen. Judas beschouwde zichzelf als een bekwaam man, die niet kon worden overtroffen. In zijn eigen mening deed hij de zaak eer aan, en als zodanig gedroeg hij zich ook steeds…

De kleine bedragen, die in zijn handen kwamen, waren een voortdurende verleiding. Dikwijls wanneer hij een kleine dienst voor Christus verrichtte of tijd wijdde aan godsdienstige zaken, betaalde hij zichzelf uit deze povere bron. In zijn eigen ogen dienden deze voorwendsels om zijn handelingen te verontschuldigen, maar in Gods ogen was hij een dief.” –

B. Bij welke specifieke gelegenheid manifesteerde Judas' karakter zich openlijk?

Johannes 12:3–5;

Johannes 12:3: Maria dan, genomen hebbende een pond zalf van onvervalsten, zeer kostelijken nardus, heeft de voeten van Jezus gezalfd, en met haar haren Zijn voeten afgedroogd; en het huis werd vervuld van den reuk der zalf. Johannes 12:4: Zo zeide dan een van Zijn discipelen, namelijk Judas, Simons zoon, Iskariot, die Hem verraden zou: Johannes 12:5: Waarom is deze zalf niet verkocht voor driehonderd penningen, en den armen gegeven?

Matthéüs 26:14–16.

Mattheüs 26:14: Toen ging een van de twaalven, genaamd Judas Iskariot, tot de overpriesters, Mattheüs 26:15: En zeide: Wat wilt gij mij geven, en ik zal Hem u overleveren? En zij hebben hem toegelegd dertig zilveren penningen. Mattheüs 26:16: En van toen af zocht hij gelegenheid, opdat hij Hem overleveren mocht.

Hoe probeerde Jezus hem te helpen?

“Judas was blind voor zijn eigen zwakke karakter, en Christus stelde hem op een plaats, waar hij de gelegenheid had om dit in te zien en zich te verbeteren. Als penningmeester der discipelen was hij aangewezen om in de behoeften van het kleine gezelschap te voorzien en de noden van de armen te verlichten… Door het dienen van anderen had Judas een onbaatzuchtige geest kunnen ontwikkelen. Maar terwijl hij dagelijks luisterde naar de lessen van Christus en getuige was van Zijn onbaatzuchtige leven, bleef Judas zijn hebzuchtige aard koesteren.” –

wo, — 8 okt

4. CHRISTUS’ WERK TEN BEHOEVE VAN JUDAS

A. Hoe probeerde Christus de hebzuchtige apostel aan te spreken?

Johannes 12:7–8.

Johannes 12:7: Jezus dan zeide: Laat af van haar; zij heeft dit bewaard tegen den dag Mijner begrafenis. Johannes 12:8: Want de armen hebt gijlieden altijd met u, maar Mij hebt gij niet altijd.

“De Heiland las het hart van Judas; Hij kende de diepte van ongerechtigheid, waarin Judas, indien hij niet werd verlost door de genade van God, verzinken zou. Door deze man met Zichzelf te verbinden, zette Hij hem op een plaats, waar hij dag na dag in aanraking zou kunnen komen met de stroom van Zijn eigen onzelfzuchtige liefde. Indien hij zijn hart zou openstellen voor Christus, zou goddelijke genade de boze geest van de zelfzucht uitbannen, en zelfs Judas zou dan een onderdaan van het koninkrijk van God kunnen worden.

God neemt de mensen, zoals zij zijn, met de menselijke trekken in hun karakter, en leidt ze op voor Zijn dienst, indien ze zich onder Zijn leiding willen stellen en van Hem willen leren. Ze worden niet gekozen, omdat ze volmaakt zijn, maar ondanks hun onvolmaaktheden, opdat door de kennis en het toepassen van de waarheid, zij door de genade van Christus, veranderd zullen worden naar Zijn beeld.

Judas had dezelfde kansen als de andere discipelen. Hij luisterde naar dezelfde waardevolle lessen. Maar het in praktijk brengen der waarheid, wat Christus eiste, kwam niet overeen met de verlangens en plannen van Judas, en hij wilde zijn ideeën niet opgeven om wijsheid uit de hemel te ontvangen.” –

B. Beschrijf het herderlijke karakter, dat onze Goede Herder ten opzichte van Judas toonde.

Psalm 77:10;

Psalmen 77:10: Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten? Sela.

Psalmen 86:15.

Psalmen 86:15: Maar Gij, Heere! zijt een barmhartig en genadig God, lankmoedig, en groot van goedertierenheid en waarheid.

“Op hoe tedere wijze behandelde de Heiland de man, die Zijn verrader zou worden! Bij Zijn onderwijs stond Jezus stil bij de beginselen der vrijgevigheid, die hebzucht in de wortel treffen. Hij stelde Judas het afschuwelijke karakter van gierigheid voor ogen, en dikwijls besefte de discipel, dat zijn karakter daardoor afgebeeld werd en hij op zijn zonde gewezen werd; maar hij wilde zijn ongerechtigheid niet belijden en laten. Hij was eigengerechtigd en in plaats van de verleiding te weerstaan, bleef hij volharden in zijn bedriegelijke praktijken. Christus stond voor hem, een levend voorbeeld van datgene, wat hij worden moest, indien hij de weldaad van goddelijke voorspraak en tussenkomst aanvaardde; maar les na les ging voorbij aan de oren van Judas, zonder dat hij er acht op sloeg.

Jezus maakte hem geen scherpe verwijten voor zijn hebzucht, maar met goddelijk geduld verdroeg hij deze dwalende man, terwijl Hij hem toch liet blijken, dat Hij zijn hart las als een open boek. Hij stelde hem de hoogste motieven om goed te doen voor ogen; en voor het verwerpen van het licht zou Judas geen verontschuldiging hebben.” –

do, — 9 okt

5. DE LAATSTE DAAD

A. Wanneer deed Jezus Zijn laatste poging voor Judas, en wat deed de ongelukkige apostel uiteindelijk?

Johannes 13:1–5,

Johannes 13:1: En voor het feest van het pascha, Jezus wetende, dat Zijn ure gekomen was, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot den Vader, alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde. Johannes 13:2: En als het avondmaal gedaan was,, toen nu de duivel in het hart van Judas, Simons zoon, Iskariot, gegeven had, dat hij Hem verraden zou), Johannes 13:3: Jezus, wetende, dat de Vader Hem alle dingen in de handen gegeven had, en dat Hij van God uitgegaan was, en tot God heenging, Johannes 13:4: Stond op van het avondmaal, en legde Zijn klederen af, en nemende een linnen doek, omgordde Zichzelven. Johannes 13:5: Daarna goot Hij water in het bekken, en begon de voeten der discipelen te wassen, en af te drogen met den linnen doek, waarmede Hij omgord was.

Johannes 13:10–14;

Johannes 13:10: Jezus zeide tot hem: Die gewassen is, heeft niet van node, dan de voeten te wassen, maar is geheel rein. En gijlieden zijt rein, doch niet allen. Johannes 13:11: Want Hij wist, wie Hem verraden zou; daarom zeide Hij: Gij zijt niet allen rein. Johannes 13:12: Als Hij dan hun voeten gewassen, en Zijn klederen genomen had, zat Hij wederom aan, en zeide tot hen: Verstaat gij, wat Ik ulieden gedaan heb? Johannes 13:13: Gij heet Mij Meester en Heere; en gij zegt wel, want Ik ben het. Johannes 13:14: Indien dan Ik, de Heere en de Meester, uw voeten gewassen heb, zo zijt gij ook schuldig, elkanders voeten te wassen.

Johannes 18:2–5.

Johannes 18:2: En Judas, die Hem verried, wist ook die plaats, dewijl Jezus aldaar dikwijls vergaderd was geweest met Zijn discipelen. Johannes 18:3: Judas dan, genomen hebbende de bende krijgsknechten en enige dienaars van de overpriesters en Farizeen, kwam aldaar met lantaarnen, en fakkelen, en wapenen. Johannes 18:4: Jezus dan, wetende alles, wat over Hem komen zou, ging uit, en zeide tot hen: Wien zoekt gij? Johannes 18:5: Zij antwoordden Hem: Jezus den Nazarener. Jezus zeide tot hen: Ik ben het. En Judas, die Hem verried, stond ook bij hen.

“Toen de menigte de hof binnenkwam, had hij (Judas) vooropgelopen, direct gevolgd door de hogepriester… Hij treedt dicht op Jezus toe en nam Zijn hand als een vertrouwde vriend. Met de woorden: 'Wees gegroet, Rabbi', kust hij Hem herhaaldelijk, en doet het voorkomen, alsof hij weent uit medelijden over het gevaar, waarin Jezus verkeert.

Jezus zei tot hem: 'Vriend, waartoe zijt gij hier?' Zijn stem trilde van smart, toen Hij eraan toevoegde: 'Judas, verraadt gij de Zoon des mensen met een kus?' Deze smeekbede had het geweten van de verrader moeten wakker schudden en zijn weerspannige hart raken; maar eergevoel, trouw en menselijke tederheid hadden hem verlaten.” –

B. Beschrijf het uiteindelijke einde van Judas.

Matthéüs 27:3–10.

Mattheüs 27:3: Toen heeft Judas, dien Hem verraden had, ziende, dat Hij veroordeeld was, berouw gehad, en heeft de dertig zilveren penningen den overpriesters en den ouderlingen wedergebracht, Mattheüs 27:4: Zeggende: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed! Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? Gij moogt toezien. Mattheüs 27:5: En als hij de zilveren penningen in den tempel geworpen had, vertrok hij, en heengaande verworgde zichzelven. Mattheüs 27:6: En de overpriesters, de zilveren penningen nemende, zeiden: Het is niet geoorloofd, dezelve in de offerkist te leggen, dewijl het een prijs des bloeds is. Mattheüs 27:7: En te zamen raad gehouden hebbende, kochten zij daarmede den akker des pottenbakkers, tot een begrafenis voor de vreemdelingen. Mattheüs 27:8: Daarom is die akker genaamd de akker des bloeds, tot op den huidigen dag. Mattheüs 27:9: Toen is vervuld geworden, hetgeen gesproken is door den profeet Jeremia, zeggende: En zij hebben de dertig zilveren penningen genomen, de waarde des Gewaardeerden van de kinderen Israels, Denwelken zij gewaardeerd hebben; Mattheüs 27:10: En hebben dezelve gegeven voor den akker des pottenbakkers; volgens hetgeen mij de Heere bevolen heeft.

“Hij snelde naar de rechterstoel en wierp de zilverstukken, die hij voor het verraad van zijn Here had ontvangen, voor de hogepriester. Hartstochtelijk greep hij de mantel van Kajafas en smeekte hem Jezus los te laten, terwijl hij verklaarde, dat Hij niets des doods schuldig had gedaan…

Later op diezelfde dag, op weg van het gerechtsgebouw van Pilatus naar Golgotha, was er een onderbreking in de kreten en bespottingen van de verdorven menigte, die Jezus naar de plaats der kruisiging begeleidde. Toen zij langs een verlaten plaats kwamen, zagen zij aan de voet van een dode boom het lichaam van Judas. Het was een afgrijselijk gezicht. Door zijn gewicht was het touw, waarmee hij zich aan de boom had gehangen, gebroken. Door de val was zijn lichaam verschrikkelijk verminkt, en nu verslonden de honden het.” –

vr, — 10 okt

Terugblik

1. Welke waarschuwing moet ik ter harte nemen, als ik de innerlijke zwakte van Judas zie?

2. Welk opeenhopend gevaar kan mij overkomen als ik mijn hart verhard, zoals hij deed?

3. Hoe kan ik de oprechte verlangens van Christus voor mijn ziel waarderen?

4. Wat was de motivatie van Judas om een positie onder de twaalf te zoeken?

5. Wat waren de grootste zwakheden van Judas?