Tekst om te onthouden: “Ga uit in de wegen en heggen; en dwing ze in te komen, opdat mijn huis vol worde”
Lucas 14:23
“Aan een ieder, die het evangelie heeft aanvaard, is een heilige waarheid toevertrouwd om deze aan de wereld mee te delen. Gods getrouwe volk bestond steeds uit ondernemende zendelingen." –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 80.
Aanvullende studie:: Testimonies for the Church, vol. 6, blz. 305-312.
A. Beschrijf de geestelijke voorbereiding, die nodig is voor vruchtbare zendingsinspanningen.
Spreuken 16:1;
Handelingen 1:14 (eerste deel);
Handelingen 2:1.
“De eerste discipelen gingen uit, het Woord predikende. Zij openbaarden Christus in hun leven. En de Heere werkte mee, terwijl Hij ‘het Woord bevestigende door de tekenen, die erop volgden’ (Markus 16:20). Deze discipelen bereidden zich voor op hun werk. Vóór de Pinksterdag kwamen zij samen en deden alle geschillen weg. Zij waren eensgezind. Zij geloofden de belofte van Christus, dat de zegen zou worden gegeven, en zij baden in geloof. Zij vroegen niet alleen om een zegen voor zichzelf; zij gingen gebukt onder de last van de redding van zielen. Het evangelie moest tot de einden der aarde worden uitgedragen, en zij maakten aanspraak op de gave van kracht, die door Christus was beloofd. Toen werd de Heilige Geest uitgestort, en duizenden werden op één dag bekeerd.
Zo kan het ook nu zijn. Laat in plaats van menselijke beschouwingen het Woord worden gepredikt. Laten de christenen hun onenigheden wegdoen en zichzelf aan God geven voor het redden van de verlorenen. Laat hen in het geloof om een zegen vragen, en ze zal komen. De uitstorting van de Geest in de dagen van de apostelen was de ‘vroege regen’, en het resultaat was heerlijk. Maar de ‘late regen’ zal overvloediger zijn. (Joël 2:23).” –
A. Beschrijf de geestelijke kwalen, die de gemeente volledig moet overwinnen, voordat grote groepen nieuwe bekeerlingen veilig haar gelederen kunnen betreden.
Lukas 21:34;
Matthéüs 24:48–50;
Mattheüs 25:42–45.
“Hoevele gemeenten worden verzorgd als zieke lammeren door degenen, die naar verloren schapen behoorden te zoeken! En al die tijd komen miljoenen en miljoenen mensen zonder Christus om.
Goddelijke liefde is, ter wille van de mensen, tot haar onpeilbare diepten beroerd, en de engelen verwonderen zich, dat zij in degenen, die zulk een grote liefde ontvangen, slechts oppervlakkige dankbaarheid waarnemen. Engelen verwonderen zich over de geringe waardering van de mensen voor de liefde Gods. Zouden wij willen weten, hoe Christus daarover denkt? Hoe zouden een vader en een moeder zich gevoelen, indien zij wisten, dat hun kind, verdwaald in de koude en de sneeuw, veronachtzaamd was en achtergelaten om om te komen door mensen, die het hadden kunnen redden? Zouden ze niet verschrikkelijk bedroefd zijn, diep verontwaardigd? Zouden zij niet zulke moordenaars aanklagen met een toorn brandend als hun tranen, hevig als hun liefde? Het lijden van ieder mens is het lijden van Gods kind, en zij die geen helpende hand uitsteken naar hun verloren gaande medemensen, wekken Zijn rechtvaardige toorn op.” –
B. Wie zijn inbegrepen in het ontvangen van Gods genade?
Lukas 14:23;
2 Kronieken 6:32–33.
“Tot Zijn discipelen zei Christus: Gij zijt getuigen geweest van Mijn leven van zelfopoffering. Gij zijt getuigen geweest van de moeiten, die Ik voor Israël heb gedaan. Hoewel zij niet tot Mij wilden komen om behouden te worden, hoewel priesters en oversten naar willekeur met Mij hebben gehandeld, hoewel zij Mij, zoals de Schriften hadden voorzegd, verworpen hebben, zullen zij toch nog een andere gelegenheid krijgen om de Zoon van God aan te nemen. Gij hebt gezien, dat allen, die tot Mij komen en hun zonden belijden, vrijelijk door Mij worden ontvangen. Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. Allen, die willen, kunnen met God verzoend worden en het eeuwige leven ontvangen. Aan u, Mijn discipelen, draag Ik deze boodschap van genade op. Zij moest eerst aan Israël worden bekendgemaakt, en dan aan alle natiën, tongen en volkeren. Ze moet aan de Joden en aan de Heidenen worden verteld. Allen, die geloven, moeten in één gemeente worden bijeengebracht.” –
A. Beschrijf Gods plan voor oprechte niet-gelovigen, ongelovigen, heidenen, die Hem eigenlijk diep van binnen zoeken.
Hebreeën 11:6;
Jesaja 56:3–8.
“Onder de bewoners der aarde, verspreid in alle landen, zijn mensen, die de knie niet voor Baäl hebben gebogen. Evenals de sterren des hemels, die alleen in het duister zichtbaar zijn, zullen deze getrouwen helder schijnen, wanneer duisternis de aarde zal bedekken en donkerheid de volken. In het heidens Afrika, in de katholieke landen van Europa en Zuid-Amerika, in China, in India, op de eilanden der zee, en in de donkere delen der aarde, heeft God een overblijfsel bewaard, dat dan in het duister zal lichten, om aan een afvallige wereld de veranderende macht van gehoorzaamheid aan Zijn wet te tonen.” –Profeten en Koningen, blz. 119.
“Over de gehele wereld zien mannen en vrouwen verlangend op naar de hemel. Gebeden, tranen en vragen stijgen op uit zielen, die hunkeren naar licht, naar genade, naar de Heilige Geest. Velen staan op de drempel van het Koninkrijk, wachtend om binnengehaald te worden.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 80.
B. Welke belofte geeft God aan allen, die geloven?
Romeinen 10:8–11.
Wat betekent geloof, in tegenstelling tot veronderstelling?
Deuteronomium 6:6–9.
“Satan kan door middel van een soort bedrog wonderen verrichten, die lijken op echte wonderen. Hij hoopte hiermee een testvraag te stellen aan de Israëlieten ten tijde van hun bevrijding uit Egypte. De aanwijzingen, die Mozes voor Israël kreeg, is een actuele instructie voor ons: (Zie Deuteronomium 6:6–9)…
Wanneer we ons leven tot volledige gehoorzaamheid aan de wet van God brengen, beschouwen we God als onze hoogste Leider en klampen we Christus vast als onze hoop op gerechtigheid, dan zal God voor ons werken. Dit is een gerechtigheid van geloof, een gerechtigheid verborgen in een mysterie waarvan de wereldling niets weet en dat hij niet kan begrijpen. Spitsvondigheid en strijd volgen het spoor van de slang; maar de geboden van God, ijverig bestudeerd en in praktijk gebracht, openen voor ons de verbinding met de hemel en onderscheiden voor ons het ware van het valse. Deze gehoorzaamheid bewerkt voor ons de goddelijke wil en brengt in ons leven de gerechtigheid en volmaaktheid, die gezien werd in het leven van Christus.” –Manuscript Releases, vol. 7, blz. 357.
A. Hoe staat waar geloof in contrast met vals geloof?
Jakobus 2:19–20;
Galaten 5:6.
“Oprecht geloof werkt altijd door liefde. Wanneer u naar Golgotha kijkt, is dat niet om uw ziel te kalmeren in het niet-nakomen van uw plicht, niet om uzelf in slaap te sussen, maar om geloof in Jezus te creëren, geloof dat zal werken om de ziel te zuiveren van het slijk van egoïsme. Wanneer we beslag leggen op Christus door geloof, is ons werk net begonnen. Ieder mens heeft verdorven en zondige gewoonten, die overwonnen moeten worden door een krachtige strijd. Iedere ziel moet de strijd van het geloof strijden. Als iemand een volgeling van Christus is, kan hij niet scherp zijn in zijn handelen, kan hij niet hardvochtig zijn, zonder medeleven. Hij kan niet grof zijn in zijn taalgebruik. Hij kan niet vol hoogdravendheid zijn en eigendunk hebben. Hij kan niet aanmatigend zijn, noch harde woorden gebruiken, censureren en veroordelen.
De arbeid van liefde komt voort uit het werk van geloof. Bijbelse godsdienst betekent voortdurend werk. 'Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken' (Matthéüs 5:16). Werk aan uw eigen verlossing met vrees en beven, want het is God, die in u werkt, zowel het willen als het doen naar Zijn welbehagen. We moeten ijverig zijn in goede werken, en zorgvuldig goede werken volhouden. En de ware Getuige zegt: 'Ik weet uw werken' (Openbaring 2:2).
Hoewel het waar is, dat onze drukke activiteiten op zichzelf geen verlossing zullen garanderen, is het ook waar, dat het geloof, dat ons met Christus verenigt, de ziel tot activiteit zal aanzetten.” –Selected Messages, bk. 2, blz. 20.
B. Leg uit, wat de werkelijke betekenis is van de doop.
Markus 1:4;
1 Petrus 3:21;
Romeinen 6:4–9.
“Christus heeft de doop gestetd als het teken van het binnengaan in Zijn geestelijk Koninkrijk. Hij heeft die gesteld als een positieve voorwaarde, waaraan allen moeten voldoen, die erkend willen worden als te staan onder de autoriteit van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Alvorens de mens een thuis kan vinden in de Gemeente, alvorens hij de drempel van Gods geestelijk Koninkrijk overschrijdt, moet op hem de goddelijke Naam geschreven worden: 'De Heer onze Gerechtigheid ' (Jeremia 23:6).” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 2, blz. 409.
A. Wat moet duidelijk zijn in het leven van een gelovige vóór de doop?
Handelingen 2:38;
Handelingen 8:36–37;
Efeze 4:22–23.
“De doop is de plechtigste verzaking van de wereld. Die gedoopt zijn in de drievoudige Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, precies aan het begin van hun christelijk leven, getuigen in het openbaar, dat ze de dienst van Satan hebben opgegeven en leden van het Koninklijke gezin zijn geworden, kinderen van de hemelse Koning.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 2, blz. 409.
“Wanneer zij (de doopkandidaten) blijk geven, dat zij volledig begrip hebben van hun standpunt, dienen zij te worden aanvaard.” –Testimonies to Ministers, blz. 128.
B. Welke belofte is aan de oprechte gelovigen gegeven, en op welke voorwaarde?
Matthéüs 1:21;
Mattheüs 24:13;
Johannes 10:27–29.
“De vijand kan nooit iemand, die eenvoudigweg op Zijn beloften vertrouwt, uit de hand van Christus rukken. Als de ziel vertrouwt en gehoorzaam werkt, is de geest ontvankelijk voor goddelijke indrukken en schijnt het licht van God naar binnen en verlicht het het verstand. Wat een voorrechten hebben we in Christus Jezus!
We moeten waakzaam uitkijken naar de komst van de Heer… Elk moment moet getrouw worden benut. 'Wie volhardt tot het einde, die zal gered worden’.” –Sons and Daughters of God, blz. 351.
1. Hoe moet ik mij voorbereiden om mijn deel te doen bij het vervullen van de grote opdracht?
2. Hoe kan ik echt geloof ontwikkelen?
3. Wat betekent verlossing, zoals beschreven in Matthéüs 1:21, voor mij?
4. Leg het verschil uit tussen echt en vals geloof.
5. Wat betekent de doop?