Tekst om te onthouden: “Gaat dan heen, onderwijst al de volken, hen dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons en des Heiligen Geestes, lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. En ziet, Ik ben met u al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen”
Mattheüs 28:19–20
“De evangelieboodschap is de grote zendingsoorkonde van Christus' koninkrijk. De discipelen moesten met toewijding arbeiden om zielen te winnen, aan allen de uitnodiging van genade brengend. Zij moesten niet wachten tot het volk naar hen toekwam; zij moesten zelf met hun boodschap naar de mensen gaan.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 20–21.
Aanvullende studie:: Testimonies for the Church, vol. 6, blz. 124-125;; 294-298.
A. Waar gingen de discipelen heen in antwoord op Christus’ uitnodiging?
Matthéüs 28:10,
Mattheüs 28:16.
Hoeveel mensen waren er bij deze bijeenkomst?
1 Korinthe 15:6.
“De opdracht was aan de twaalven gegeven, toen Christus met hen in de opperzaal samenkwam; maar nu werd hij aan een groter aantal gegeven. Bij de samenkomst op een berg in Galilea waren alle gelovigen, die bijeengeroepen konden worden, vergaderd…
Op de aangewezen tijd hadden ongeveer vijfhonderd gelovigen zich in kleine groepjes op de berghelling verzameld, vol verlangen om al het mogelijke te vernemen van degenen, die Christus gezien hadden sinds Zijn opstanding. De discipelen gingen van groep tot groep, en vertelden alles wat zij van Jezus hadden gehoord en gezien, uitgaande van de Schriften, zoals Hij dat voor hen had gedaan. Thomas vertelde het verhaal van zijn ongeloof, en zei, hoe zijn twijfelingen waren weggevaagd. Plotseling stond Jezus onder hen. Niemand kon zeggen, vanwaar en hoe Hij was gekomen. Velen van de aanwezigen hadden Hem nooit tevoren gezien; maar in Zijn handen en voeten zagen zij de tekenen van de kruisiging; Zijn gelaat was als het aangezicht Gods, en toen zij Hem zagen, aanbaden ze Hem.” –
A. Welk gebod moet grote invloed hebben?
Matthéüs 28:19–20 (eerste deel).
“De discipelen hadden Hem (Jezus) aanbeden, voordat Hij sprak, maar Zijn woorden, die klonken van lippen, die door de dood gesloten waren geweest, doordrongen hen met een bijzondere kracht. Hij was nu de opgestane Heiland." –
“Toen Hij nog slechts één schrede van Zijn hemelse troon verwijderd was, gaf Christus de opdracht aan Zijn discipelen. ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op de aarde’, zei Hij.'Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping’ (Markus 16:15). Steeds weer werden deze woorden herhaald, zodat de discipelen de betekenis daarvan zouden begrijpen. Over alle bewoners der aarde, hoog en laag, rijk en arm, moest het licht des hemels schijnen met heldere, krachtige stralen. De discipelen moesten, bij het reddingswerk voor de wereld, medearbeiders van hun Verlosser zijn.” –
B. Welke verzekering ligt er besloten in Christus' gebod?
Markus 16:16.
“De woorden van Christus op de berg waren de aankondiging, dat Zijn offer ter wille van de mensen volkomen en volmaakt was. De voorwaarden voor de verzoening waren vervuld; het werk, waartoe Hij naar deze wereld was gekomen. was volbracht. Hij was op weg naar de troon van God, om door engelen, overheden en machten te worden geëerd. Hij was Zijn middelaarswerk begonnen. Bekleed met onbeperkt gezag gaf Hij Zijn opdracht aan de discipelen.” –
C. Met welke woorden bevestigde de apostel Petrus deze fundamentele waarheid, en wat was het resultaat?
Handelingen 4:12.
“Jezus Christus, de wijsheid en de kracht Gods, was het onderwerp van elke toespraak. Zijn naam, de enige naam, die onder de hemel gegeven is, waardoor mensen zalig kunnen worden, werd door hen verhoogd. Wanneer ze de volmaaktheid van Christus, de opgestane Heiland, predikten, werden de harten van mannen en vrouwen bewogen en werden ze gewonnen voor het evangelie. Grote scharen, die de naam van de Heiland hadden gelasterd en Zijn macht hadden veracht, beleden nu, dat ze discipelen van de Gekruisigde waren.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 433.
A. Wat betekenen de woorden van Christus: "Mij is alle macht gegeven"?
Matthéüs 28:18.
“Die macht is niet verminderd door het verstrijken der jaren, noch uitgeput door de ononderbroken werkzaamheid van Zijn overvloeiende genade. Voor allen, die in Hem geloven, is Hij nog steeds de levende Heiland." –
“Wanneer wij vast in Christus verankerd zijn, hebben wij een macht, die geen mens ons ontnemen kan. Waarom is dat zo? Omdat wij deelhebben aan de goddelijke natuur en het verderf, dat door begeerte in de wereld is, ontvlucht zijnde, de natuur deelachtig werden van Hem, die naar de aarde kwam, bekleed met het gewaad van de mensheid, opdat Hij aan het hoofd van het mensengeslacht kon staan en een karakter bij ons kon ontwikkelen, dat zonder vlek of zondesmet zou zijn.
Waarom zijn velen onder ons zo zwak en ondoeltreffend? Omdat wij naar onszelf kijken, en ons temperament bestuderen en ons afvragen, hoe wij plaats voor onszelf kunnen maken, voor onze persoonlijkheid en onze eigenaardigheden, in plaats van dat wij Christus en Zijn karakter bestuderen.” –Getuigenissen voor de Gemeente 9, blz. 180–181.
B. Hoe ontvangen we kracht van Christus?
Filippensen 4:13;
Hebreeën 12:1–2.
“Het Woord van God, dat in de ziel wordt opgenomen, vormt de gedachten en gaat werken aan de ontwikkeling van het karakter.
Door voortdurend met het oog des geloofs op Jezus te zien, zullen wij kracht ontvangen. God zal de kostbaarste openbaringen geven aan Zijn volk, dat daarnaar hongert en dorst. Zij zullen ontdekken, dat Christus een persoonlijke Heiland is. Wanneer zij zich voeden met Zijn Woord, bemerken ze, dat het geest en leven is. Het woord vernietigt de natuurlijke, aardse natuur en schenkt een nieuw leven in Christus Jezus. De Heilige Geest komt tot de ziel als een Trooster. Door de hervormende macht van Zijn genade wordt het beeld van God in de discipel weergegeven; hij wordt een nieuw schepsel. Liefde neemt de plaats in van haat, en het hart ontvangt de goddelijke gelijkenis. Dat is de betekenis van ‘leven van alle woord dat uit de mond Gods uitgaat'. Dit is het eten van het Brood, Dat uit de hemel nederdaalt.” –
A. Wat wordt bedoeld met de woorden "Ga" en "onderwijs"?
Matthéüs 28:19 (eerste deel).
“Wij worden opgeroepen onze ogen op te heffen naar de ‘nog verder’ gelegen gebieden. Christus rukt de scheidsmuur neer, het verdeeldheid zaaiende vooroordeel van nationaliteit, en leert liefde voor heel het menselijk gezin. Hij heft de mensen uit de nauwe kring, die hun zelfzucht voorschrijft; Hij doet alle grensscheidingen en kunstmatige onderscheidingen in de samenleving ophouden. Hij maakt geen onderscheid tussen buren en vreemdelingen, vrienden en vijanden. Hij leert ons iedere ziel in nood te beschouwen als een broeder, en de wereld als ons arbeidsterrein.” –
B. Welke belofte verbond Jezus aan de zendingsopdracht, en wat betekent dit voor ons?
Matthéüs 28:20 (laatste deel).
“De gemeente heeft de belofte van Christus’ aanwezigheid, wanneer zij Zijn werk verricht.” –
“Hij trof alle voorzieningen voor de vooruitgang van het werk en nam Zelf de verantwoordelijkheid voor het welslagen daarvan op Zich. Zo lang ze Zijn woord gehoorzaamden en in gemeenschap met Hem werkten, zouden ze niet falen. Gaat heen naar alle volkeren, zei Hij hun. Ga naar de verst gelegen delen van de bewoonde wereld, maar weet, dat Ik daar tegenwoordig zal zijn. Werk in geloof en vertrouwen, want nooit zal de tijd aanbreken, dat Ik u zal verlaten.
De opdracht van de Heiland aan Zijn discipelen omsloot al de gelovigen. Het omvat alle gelovigen in Christus tot het einde des tijds. Het is een noodlottige vergissing om aan te nemen, dat het werk tot redding van zielen alleen van de ingezegende predikant afhankelijk is. Allen tot wie de hemelse inspiratie is gekomen, hebben het evangelie toevertrouwd gekregen. Allen, die het leven van Christus aannemen, zijn aangesteld om voor het behoud van hun medemensen te werken. Om dit werk te verrichten, werd de gemeente opgericht, en allen, die de heilige belofte daarvan op zich nemen, verbinden zich daardoor medearbeiders van Christus te zijn.” –
“Bent u Christus’ medearbeiders? Kunt u om Zijnentwille geen lijden, opoffering en moeiten doorstaan? Hier ligt een kans om een goed werk te doen voor de zielen van de jeugd en van de dwalenden. Wanneer u iemand ziet, wiens woorden en houding openbaren, dat hij van God is gescheiden, berisp hem dan niet. Het staat niet aan u om hem te veroordelen, maar stel u dicht naast hem en help hem.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 2, blz. 428.
A. Wat is de Bijbelse definitie van het evangelie?
Romeinen 1:16–17.
“Vergeving en rechtvaardiging zijn één en hetzelfde. Door het geloof gaat de gelovige vanuit de positie van opstandeling, een kind van de zonde en van Satan, naar de positie van een trouw onderdaan van Christus Jezus, niet vanwege een of andere goedheid in hemzelf, maar omdat Christus hem door adoptie als Zijn kind aanneemt. De zondaar ontvangt vergeving van zijn zonden, omdat deze zonden gedragen zijn door zijn Borg en Plaatsvervanger. De Heer spreekt tot Zijn hemelse Vader: 'Dit is Mijn kind. Ik verleen hem gratie van zijn doodvonnis, en geef hem Mijn levensverzekeringspolis, het eeuwige leven, omdat Ik zijn plaats heb ingenomen en voor zijn zonden geleden heb. Hij is zelfs Mijn geliefde zoon.' Zo staat de mens, vergeven en bekleed met het mooie gewaad van Christus' gerechtigheid, onberispelijk voor God.
De zondaar kan dwalen, maar hij wordt niet zonder genade verworpen. Maar zijn enige hoop is: berouw tegenover God en geloof in de Heere Jezus Christus." –Christus Weerspiegelen, blz. 73.
B. Waarom beschouwde de apostel Paulus zichzelf als een schuldenaar?
Romeinen 1:14–15.
“In welk opzicht was Paulus een schuldenaar, beide van Joden en Grieken? Aan hem, zoals aan elke discipel van Christus, was de opdracht gegeven… (Zie Matthéüs 28:19–20). Door het aanvaarden van Christus, aanvaardde Paulus deze opdracht. Hij besefte, dat op hem de verplichting rustte om voor alle klassen van mensen te werken, voor Jood en niet Jood, geleerd en ongeleerd, voor mensen op vooraanstaande posities en voor hen in de nederigste plaatsen in het leven.” –Bijbelkommentaar, blz. 456.
1. Welke opdracht heeft mijn Heer specifiek aan mij gegeven, op mijn gebied?
2. Waarom heb ik de kracht van Christus nog niet in zijn ware volheid ontvangen?
3. Welke uitdaging en verzekering geeft de Heer mij vandaag?
4. Wat betekent de naam van Christus voor Zijn volgelingen?
5. Wat betekent het om ‘op Christus te zien’?