Het evangelie volgens Johannes (Deel Drie) — SABBAT, 2 AUGUSTUS 2025

Les 5: De Weg, de Waarheid en het Leven

Tekst om te onthouden

Tekst om te onthouden: “Jezus zeide tot hem: Ik ben de Weg, en de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij”

Johannes 14:6

“Door de overtreding was deze aarde van het hemelse continent losgeraakt. De communicatie tussen de mens en zijn Maker was verbroken; maar de weg is geopend om terug te keren naar het huis van de Vader.” –My Life Today, blz. 260.

Aanvullende studie:: -Testimonies for the Church, vol. 8, blz. 265-269.

zo — , 27 jul

1. JEZUS KONDIGT ZIJN TERUGKEER TOT DE VADER AAN

A. Met welke woorden kondigde Jezus het einde van Zijn zending op aarde aan?

Johannes 13:33.

Johannes 13:33: Kinderkens, nog een kleinen tijd ben Ik bij u. Gij zult Mij zoeken, en gelijk Ik den Joden gezegd heb: Waar Ik heenga, kunt gij niet komen; alzo zeg Ik ulieden nu ook.

Welke andere boodschap deelde Hij mee?

Johannes 13:34–35.

Johannes 13:34: Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat ook gij elkander liefhebt. Johannes 13:35: Hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij Mijn discipelen zijt, zo gij liefde hebt onder elkander.

“Eén van de laatste geboden van Christus aan Zijn discipelen luidde: ‘Hebt elkander lief, gelijk Ik u heb liefgehad’. Gehoorzamen wij dit gebod of geven wij toe aan scherpe, onchristelijke karaktertrekken? Als wij op een of andere wijze anderen hebben gegriefd, zijn wij verplicht onze schuld te belijden en naar verzoening te streven. Dit is een noodzakelijke voorbereiding om in geloof tot God te komen en Zijn zegen te vragen.” –Lessen uit het Leven van Alledag, blz. 82–83.

B. Welk gesprek vond er plaats tussen Petrus en Jezus over het vertrek van de Heer?

Johannes 13:36–38.

Johannes 13:36: Simon Petrus zeide tot Hem: Heere, waar gaat Gij heen? Jezus antwoordde hem: Waar Ik heenga, kunt gij Mij nu niet volgen; maar gij zult Mij namaals volgen. Johannes 13:37: Petrus zeide tot Hem: Heere, waarom kan ik U nu niet volgen? Ik zal mijn leven voor U zetten. Johannes 13:38: Jezus antwoordde hem: Zult gij uw leven voor Mij zetten? Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De haan zal niet kraaien, totdat gij Mij driemaal verloochend zult hebben.

“Velen staan vandaag de dag, waar Petrus stond, toen hij vol zelfvertrouwen verklaarde, dat hij zijn Heer niet zou verloochenen. En vanwege hun zelfgenoegzaamheid vallen ze gemakkelijk ten prooi aan Satans listen. Wie zich bewust is van zijn zwakheid, vertrouwt op een macht hoger dan zichzelf. En zolang ze zich tot God wenden, heeft Satan geen macht over hen. Maar wie op zichzelf vertrouwt, wordt gemakkelijk verslagen.” –Our High Calling, blz. 307.

ma — , 28 jul

2. EEN BOODSCHAP VAN VERTROOSTING

A. Welke troostende woorden sprak Jezus tot Zijn discipelen, terwijl hij nog in de bovenzaal was, en welke belofte deed Hij hun?

Johannes 14:1–2.

Johannes 14:1: Uw hart worde niet ontroerd; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij. Johannes 14:2: In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden.

“(Zie Johannes 14:1–4). Om uwentwil ben Ik in de wereld gekomen. Ik werk voor uw zaak. Wanneer Ik wegga, zal Ik nog ijverig voor u werken. Ik ben in de wereld gekomen om Mijzelf aan u te openbaren, opdat gij zoudt geloven. Ik ga naar de Vader om in uw belang met Hem samen te werken. Het doel van het weggaan van Christus was het tegengestelde van wat de discipelen vreesden. Het betekende geen definitieve scheiding. Hij ging hun vóór om hen een plaats te bereiden, opdat Hij zou kunnen wederkomen en hen tot Zich te nemen. Terwijl Hij woningen voor hen bouwde, moesten zij karakters opbouwen naar de gelijkenis Gods.” –

B. Welke belangrijke gebeurtenis nam Christus op in Zijn boodschap?

Johannes 14:3.

Johannes 14:3: En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kome Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben.

“De belofte van Christus’ wederkomst moest in de gedachten der discipelen altijd levendig blijven. Deze Jezus, die zij ten hemel hadden zien opvaren, zou wederkomen om diegenen, die zich hier op aarde in Zijn dienst stellen, tot Zich te nemen. Dezelfde stem, die tot hen gezegd had: ‘Zie Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld’, zou hen welkom heten in Zijn tegenwoordigheid in het hemels koninkrijk.“ –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 24.

C. Welke vraag stelde Thomas aan Jezus over de weg, en welk antwoord kreeg hij?

Johannes 14:5–6.

Johannes 14:5: Thomas zeide tot Hem: Heere, wij weten niet, waar Gij heengaat; en hoe kunnen wij den weg weten? Johannes 14:6: Jezus zeide tot hem: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den Vader, dan door Mij.

“Er zijn niet vele wegen, die naar de hemel leiden. Iedereen mag niet zijn eigen weg kiezen. Christus zegt: ‘Ik ben de Weg … Niemand komt tot de Vader dan door Mij’. Sedert het evangelie voor de eerste maal was gepredikt, toen in Eden werd verklaard, dat het Zaad van de vrouw de kop van de slang zou vermorzelen, was Christus verhoogd als de weg, de waarheid en het leven. Hij was de weg, toen Adam leefde, toen Abel het bloed van het geslachte lam, waardoor het bloed van de Verlosser werd voorgesteld, voor Gods aangezicht bracht. Christus was de weg, waardoor patriarchen en profeten werden gered. Hij is de enige weg, die ons de toegang tot God biedt.” –

di — , 29 jul

3. GOD IN HET MENSELIJK VLEES

A. Hoe identificeerde Jezus Zich met de Vader, en hoe verhoudt dit zich tot ons?

Johannes 14:7.

Johannes 14:7: Indien gijlieden Mij gekend hadt, zo zoudt gij ook Mijn Vader gekend hebben; en van nu kent gij Hem, en hebt Hem gezien.

“Christus kwam om God aan de wereld te openbaren als een God van liefde, vol van genade, tederheid en medelijden. De dikke duisternis, waarmee Satan had geprobeerd de troon van de Godheid te omhullen, werd door de Verlosser van de wereld verjaagd, en de Vader werd weer aan de mensen getoond als het licht des levens.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 600.

B. Welk verzoek richtte Filippus aan Jezus, en wat was de betekenis van het antwoord van de Heer?

Johannes 14:8–11.

Johannes 14:8: Filippus zeide tot Hem: Heere, toon ons den Vader, en het is ons genoeg. Johannes 14:9: Jezus zeide tot hem: Ben Ik zo langen tijd met ulieden, en hebt gij Mij niet gekend, Filippus? Die Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien; en hoe zegt gij: Toon ons den Vader? Johannes 14:10: Gelooft gij niet, dat Ik in den Vader ben, en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot ulieden spreek, spreek Ik van Mijzelven niet, maar de Vader, Die in Mij blijft, Dezelve doet de werken. Johannes 14:11: Gelooft Mij, dat Ik in den Vader ben en de Vader in Mij is; en indien niet, zo gelooft Mij om de werken zelve.

“Toen Filippus bij Jezus kwam met het verzoek: ‘Toon ons de Vader en het is ons genoeg’… antwoordde Christus, en zegt van Zichzelf, dat Hij naar de wereld gezonden is om de Vader te vertegenwoordigen. In Zijn voortreffelijkheid van karakter, in Zijn genade en teder medelijden, in Zijn liefde en goedheid staat Hij voor ons als de belichaming van goddelijke volmaaktheid, het beeld van de onzichtbare God.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 600–601.

“Christus doordrong hen nadrukkelijk van het feit, dat zij de Vader alleen in geloof konden zien. God kan door geen mens in een uiterlijke gedaante gezien worden.” –Bijbelkommentaar, blz. 409.

“Christus had niet opgehouden God te zijn, toen Hij mens werd. Hoewel Hij Zich had vernederd en de menselijke natuur had aangenomen, bezat Hij nog steeds de Godheid. Christus alleen kon de Vader aan de mensen tonen, en de discipelen hadden meer dan drie jaar lang het voorrecht gehad deze vertegenwoordiging waar te nemen…

Hun geloof kon veilig steunen op het getuigenis gegeven uit de werken van Christus, werken die geen mens uit zichzelf ooit had gedaan of ooit zou kunnen doen. Het werk van Christus had getuigd van Zijn goddelijkheid. Door Hem was de Vader geopenbaard.

Indien de discipelen geloofden in deze levende verbinding tussen de Vader en de Zoon, zou hun geloof hen niet verlaten, wanneer ze het lijden en sterven van Christus zagen om een verlorengaande wereld te redden. Christus trachtte hen af te brengen van hun kleingeloof tot de ervaring, die zij zouden kunnen ontvangen, wanneer zij waarlijk beseften, wie Hij was: God in het menselijk vlees.” –

wo — , 30 jul

4. GROTERE WERKEN = GROTERE ZEGENINGEN

A. Welke geweldige mogelijkheden bood Jezus Zijn discipelen?

Johannes 14:12.

Johannes 14:12: Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Die in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en zal meerder doen, dan deze; want Ik ga heen tot Mijn Vader.

“De Heiland verlangde zeer, dat Zijn discipelen zouden begrijpen met welk doel Zijn goddelijkheid verenigd was met de menselijke natuur. Hij kwam naar de wereld om de heerlijkheid Gods te openbaren, opdat de mens door de vernieuwende kracht daarvan zou worden verheven. God werd in Hem geopenbaard, opdat Hij in hen geopenbaard zou worden. Jezus openbaarde geen eigenschappen en gebruikte geen krachten, die de mensen door het geloof in Hem niet kunnen bezitten. Zijn volmaakte menselijke natuur kunnen al Zijn volgelingen bezitten, indien zij zich aan God willen onderwerpen, zoals Hij dit deed.

‘En grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader’. Hiermee bedoelde Christus niet, dat de werken van de discipelen van een meer verheven aard zouden zijn dan de Zijne, maar dat de omvang daarvan groter zou zijn. Hij sprak niet alleen over het doen van wonderen, maar over alles wat zou plaatsvinden door de invloed van de Heilige Geest.

Na de hemelvaart van de Here beseften de discipelen de vervulling van Zijn belofte. De tonelen van kruisiging, opstanding en hemelvaart van Christus waren een levende werkelijkheid voor hen. Zij zagen, dat de profetieën letterlijk waren vervuld. Zij onderzochten de Schriften en namen datgene, wat daarin werd geleerd, aan met een geloof en een zekerheid die tevoren niet waren gekend. Zij wisten, dat de goddelijke Leraar alles was, waarop Hij aanspraak had gemaakt. Wanneer zij spraken over hun ervaring en de liefde van God prezen, werden de harten der mensen verzacht en onderworpen, en grote scharen geloofden in Jezus.” –

B. Welke verzekering gaf Jezus om hoop te brengen in alle tijden?

Johannes 14:13–14.

Johannes 14:13: En zo wat gij begeren zult in Mijn Naam, dat zal Ik doen; opdat de Vader in den Zoon verheerlijkt worde. Johannes 14:14: Zo gij iets begeren zult in Mijn Naam, Ik zal het doen.

“Nog steeds waren de discipelen niet op de hoogte van de onbegrensde hulpmiddelen en macht van de Heiland. Hij zei tot hen: ‘Tot nog toe hebt gij niet om iets gebeden in Mijn Naam’ (Johannes 16:24). Hij verklaarde, dat het geheim voor hun succes zou zijn het vragen in Zijn naam om kracht en genade. Hij zou voor de Vader staan om voorbede voor hen te doen. Het gebed van de nederige smekeling brengt Hij, ter wille van die ziel, naar voren als Zijn eigen verlangen. Ieder oprecht gebed wordt in de hemel gehoord. Het wordt wellicht niet op vloeiende wijze onder woorden gebracht; maar indien het uit het hart komt, zal het opstijgen naar het heiligdom, waar Jezus dienst doet; en Hij zal het voor de Vader brengen zonder een onbeholpen gekozen, gestameld woord, schoon en welriekend door de wierook van Zijn eigen volmaaktheid.” –

do — , 31 jul

5. EEN BIJZONDERE TIJD

A. Beschrijf het bijzondere moment, dat de discipelen met Jezus hadden, toen Hij Zijn verbinding met de Vader uitlegde (

Johannes 14:8–10

Johannes 14:8: Filippus zeide tot Hem: Heere, toon ons den Vader, en het is ons genoeg. Johannes 14:9: Jezus zeide tot hem: Ben Ik zo langen tijd met ulieden, en hebt gij Mij niet gekend, Filippus? Die Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien; en hoe zegt gij: Toon ons den Vader? Johannes 14:10: Gelooft gij niet, dat Ik in den Vader ben, en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot ulieden spreek, spreek Ik van Mijzelven niet, maar de Vader, Die in Mij blijft, Dezelve doet de werken.

), en hoe ook wij van zo’n verbinding met de hemel mogen genieten.

Hooglied 2:3–4.

Hooglied 2:3: Als een appelboom onder de bomen des wouds, zo is mijn Liefste onder de zonen; ik heb groten lust in Zijn schaduw, en zit er onder, en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet. Hooglied 2:4: Hij voert mij in het wijnhuis, en de liefde is Zijn banier over mij.

“Terwijl Christus deze woorden sprak, straalde Gods heerlijkheid op Zijn gelaat en alle aanwezigen voelden een heilig ontzag, terwijl zij geboeid naar Zijn woorden luisterden. Zij voelden, hoe hun harten duidelijk nader tot Hem getrokken werden en terwijl zij in groter liefde tot Christus werden getrokken, werden zij ook tot elkaar getrokken. Zij hadden het gevoel, dat God heel dicht bij hen was, dat de woorden, waarnaar zij luisterden, voor hen de boodschap waren van de hemelse Vader.“ –Bijbelkommentaar, blz. 409.

“Er zijn veel belijdende christenen, die angstig en terneergedrukt zijn, velen die zo druk bezig zijn, dat ze geen tijd kunnen vinden om rustig te zijn in de beloften van God, die doen alsof zij zich geen vrede en rust kunnen veroorloven. Aan al deze mensen is Christus’ uitnodiging: ‘Kom tot Mij, … en Ik zal u rust geven.’ …

Laten we ons afkeren van de stoffige, hete wegen van het leven om te rusten in de schaduw van Christus’ liefde. Hier putten we kracht voor de strijd. Hier leren we, hoe we moeite en zorgen kunnen verminderen, en hoe we tot lof van God kunnen spreken en zingen. Laat de vermoeiden en de zwaarbelasten van Christus de les van stil vertrouwen leren. Zij moeten in Zijn schaduw zitten als zij Zijn vrede en rust willen bezitten.” –Testimonies for the Church, vol. 7, blz. 69–70.

“Wanneer ‘s Heren volk vervuld is van zachtmoedigheid en tederheid, zullen ze zich realiseren, dat Zijn banier over hen de liefde is, en Zijn vrucht zal zoet zijn voor hun smaak. Zij zullen hier beneden een hemel bereiden, waarin zij zich kunnen voorbereiden op de hemel hierboven.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 1, blz. 215.

vr — , 1 aug

Terugblik

1. Hoe kan ik de valkuil vermijden, waarin Petrus viel?

2. Wat is mijn plicht op aarde, in het licht van de belofte van Christus van een woning voor mij?

3. Hoe ben ik in staat om de werken van Jezus te volbrengen?

4. Hoe troostte Jezus de discipelen, toen zij hoorden van Zijn heengaan?

5. Wat bedoelt Jezus met “grotere werken”, die gedaan moeten worden, en hoe?

Eerste Sabbatgaven

Onderwijs is, net als heiliging, een levenslang werk. Vanaf onze vroegste jaren tot in de eeuwigheid zal onderwijs altijd een wezenlijk onderdeel zijn van het menselijk leven. Deze Sabbat vragen we uw steun om dit essentiële onderdeel van de gemeente te laten groeien.

We moeten leren om vanaf onze vroegste jaren zendelingen te zijn. “Iedere ware discipel wordt in het Koninkrijk Gods geboren als een zendeling.” –

Meer dan ooit tevoren moet onze gemeente klaar staan om materialen te leveren om een goede onderwijsbasis te leggen voor elke leeftijdsgroep binnen de menselijke familie.

Helaas zijn de meeste onderwijsinstellingen afgestapt van het onderwijzen van de basisbeginselen en zijn ze indoctrinatiecentra voor de wereld geworden. Velen beseffen hoeveel invloed scholing op hun kinderen heeft en hebben daarom materiaal aangevraagd om hen te helpen bij hun opvoeding tot eer en heerlijkheid van God. Daarom is de onderwijsafdeling van de GC bezig met het ontwikkelen van een volledig onderwijsprogramma met dit doel als uitgangspunt. In samenwerking met onze docenten en verschillende afdelingen is de voorbereiding van dit onderwijsprogramma in volle gang.

Maar het project is groter dan de beschikbare bedragen. We hebben uw genereuze bijdragen nodig om het materiaal te ontwikkelen, te vertalen en betaalbaar te maken, ook voor mensen in armoede. Uw steun maakt het mogelijk om materiaal van de hoogste kwaliteit te ontwikkelen, zodat de leerlingen, die het gebruiken, “geschikt zullen zijn voor nut in dit leven en voor de dienst aan God in de eeuwigheid.” –Counsels to Parents, Teachers and Students, blz. 495.

We begrijpen, dat dit project omvangrijk is, maar het is de moeite waard. Met uw steun zullen we materialen produceren, van wiskunde tot taal tot sociale wetenschappen, die zelfs de jongsten onder ons zullen toerusten om de boodschap van het evangelie zo effectief mogelijk aan de hele wereld te verkondigen.

Bij voorbaat dank en moge God de gaven en gevers zegenen.

–De Onderwijsafdeling van de Generale Conferentie.