TEKST OM TE ONTHOUDEN: “Zegt de dochter Sions: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezelin en een veulen, zijnde een jong van een jukdragende ezelin
Mattheüs 21:5
“Christus was gekomen om Jeruzalem en zijn kinderen te redden; maar farizeïsche trots, huichelarij, naijver en kwaadwilligheid hadden Hem verhinderd Zijn bedoeling uit te voeren.” –
Aanvullende studie:: De Wens der Eeuwen, p. 494-502
A. Toen Jezus en Zijn discipelen Jeruzalem naderden, met welke instructies stuurde Hij er twee van hen vooruit?
Matthéüs 21:1–5.
“ Hij (Jezus) had twee van Zijn discipelen uitgezonden om Hem een ezelin en haar hengstveulen te brengen. De Heiland was bij Zijn geboorte afhankelijk van de gastvrijheid van vreemdelingen. De stal, waarin Hij lag, was een geleende rustplaats. En hoewel de beesten op duizend bergen van Hem zijn, is Hij nu afhankelijk van de vriendelijkheid van een vreemde om een dier te verkrijgen, waarop Hij, als Koning van de stad, Jeruzalem kan binnenrijden.” –
B. Beschrijf de reactie van de discipelen.
Matthéüs 21:6–7.
“Met blijde geestdrift spreidden de discipelen hun mantels over het dier en deden hun Meester daarop plaatsnemen. Tot op dat ogenblik had Jezus altijd te voet gereisd, en de discipelen hadden zich aanvankelijk verwonderd afgevraagd, waarom Hij nu zou verkiezen te rij-den. Maar in hun harten herleefde de hoop met de vreugdevolle gedachte, dat Hij op het punt stond de hoofdstad binnen te gaan, Zich-zelf tot Koning uit te roepen, en Zijn koninklijke macht te bevestigen.” –
A. Toen de menigte hoorde, dat Jezus naar Jeruzalem kwam, wat deden zij toen?
Johannes 12:12–13.
“Terwijl ze hun boodschap deden, deelden zij hun vurige verwachtingen aan de vrienden van Jezus mede, en de opwinding verspreidde zich wijd en zijd, waardoor de verwachtingen van het volk tot een hoogtepunt werden gevoerd.” –De Wens der Eeuwen, 494.
B. Wat bracht de menigte ertoe om Jezus als de Messias te begroeten op die vreugdevolle gelegenheid?
Zacharia 9:9;
Johannes 12:14–15.
“Christus volgde het Joodse gebruik voor een koninklijke intocht. Het dier, waarop Hij reed, was het dier, waarop de koningen van Is-raël plachten te rijden, en de profetie had voorzegd, dat op deze wijze de Messias tot Zijn koninkrijk zou komen. Nauwelijks was Hij op de ezel gezeten, of een luide triomfkreet weerklonk door de lucht. De schare heette Hem welkom als Messias, hun Koning. Jezus aan-vaardde nu het eerbetoon, dat Hij nooit tevoren had toegestaan, en de discipelen namen dit aan als een bewijs, dat hun blijde verwach-tingen verwezenlijkt zouden worden, doordat zij Hem op de troon zouden zien” –
C. Hoe weerklonken de woorden van de Psalmist met vreugde bij de mensen, die verlangden naar bevrijding?
Matthéüs 21:9;
Psalms 118:26.
“De menigte was ervan overtuigd, dat het uur van hun bevrijding op handen was. In hun verbeelding zagen zij reeds de Romeinse legers uit Jeruzalem verdreven, en Israël wederom een onafhankelijke natie. Allen waren gelukkig en opgewonden; de mensen wedijverden met elkander in het brengen van eerbewijzen aan Hem. Zij konden geen uiterlijke pracht en praal ten toon spreiden, maar zij gaven Hem de aanbidding van hun blijde harten. Zij waren niet in staat Hem kostbare geschenken te geven, maar zij spreidden hun overkleren als een tapijt op Zijn pad, en zij strooiden ook de bladerrijke takken van de olijfboom en van de palm op de weg. Zij konden de triomfantelijke stoet niet met koninklijke standaards doen voorafgaan, maar zij sneden de wuivende palmtakken af, het overwinningsembleem van de natuur, en wuifden ermee omhoog onder luide toejuichingen en hosannageroep.” –De Wens der Eeuwen, 495.
A. Hoe reageerden sommigen van de Farizeeën op de lofprijzing voor Christus?
Johannes 12:19;
Lukas 19:39.
“Vele Farizeeën waren getuigen van dit schouwspel, en, brandend van naijver en haat, trachtten zij de stroom van de gevoelens van het volk te keren. Zij wendden al hun invloed aan om de mensen tot zwijgen te brengen; maar hun verzoeken en dreigementen deden de geestdrift slechts toenemen. Zij vreesden dat deze menigte, die door haar aantal zo sterk was, Jezus tot koning zou uitroepen. Als laatste redmiddel drongen zij zich door de menigte tot op de plaats waar Jezus was, en richtten zich tot Hem met de verwijtende en dreigende woorden: ‘Meester! bestraf Uw discipelen’. Zij verklaarden, dat dergelijke luidruchtige demonstraties in strijd waren met de wet, en dat zij door het gezag niet zouden worden toegestaan.” –
B. Welk antwoord gaf Jezus hun?
Lukas 19:40.
“Dit toneel van triomf geschiedde op Gods eigen beschikking. Het was voorzegd door de profeet en de mens had geen macht om Gods bedoeling tegen te gaan. Indien de mensen Zijn plan niet ten uitvoer hadden gebracht, dan zou Hij aan de dode stenen een stem hebben gegeven en zij zouden Zijn Zoon met lofzang hebben begroet.” –
“Evenzeer zouden de priesters en leiders kunnen proberen de aarde te beroven van het stralende gezicht van de zon, als de wereld de stralen van heerlijkheid van de Zon der Gerechtigheid te onthouden. Ondanks alle tegenstand werd het koninkrijk van Christus door het volk beleden.” –God’s Amazing Grace, blz. 47.
“Het werk van God zal altijd voortgaan, ondanks alles wat de mens mag doen om het te belemmeren of af te breken.” –The Story of Jesus, blz. 85.
C. Hoe was deze verbazingwekkende uitbarsting een vervulling van de profetie, zoals door velen in de menigte werd erkend?
Zacharia 9:9.
“Terwijl de tot zwijgen gebrachte Farizeeën zich terugtrokken, werden de woorden van Zacharia opnieuw geuit door honderden stem-men: (Zie Zacharia 9:9).” –The Story of Jesus, blz. 572–575.
A. Met welk doel stond Jezus zo’n grote demonstratie toe op de dag van Zijn triomfantelijke intocht in Jeruzalem?
Johannes 12:16,
Johannes 12:23–28.
“Nooit tevoren tijdens Zijn leven op aarde had Jezus een dergelijke demonstratie toegelaten. Hij voorzag duidelijk wat het gevolg hier-van zou zijn. Het zou Hem aan het kruis brengen. Maar het was Zijn bedoeling, Zich openlijk aan te dienen als de Verlosser. Hij wilde de aandacht vestigen op het offer, dat Zijn zending naar een gevallen wereld zou bekronen. Terwijl de mensen in Jeruzalem samenkwamen om het Pascha te vieren, stelde Hij, het tegenbeeldige Lam, door een vrijwillig handeling Zichzelf beschikbaar als offerande. Het zou voor Zijn gemeente in alle eeuwen, die zouden volgen, noodzakelijk zijn, om Zijn dood voor de zonden der wereld tot het onderwerp te ma-ken van diepgaande overdenking en studie. Ieder feit, dat hiermee was verbonden, moest boven alle twijfel worden verheven. Het was toen noodzakelijk, dat de ogen van alle mensen op dat ogenblik op Hem werden gericht; de gebeurtenissen, die voorafgingen aan Zijn grote offerande, moesten van dien aard zijn, dat zij de aandacht zouden vestigen op het offer zelf. Na een demonstratie, als die welke gepaard ging met Zijn intocht in Jeruzalem, zouden aller ogen Zijn snelle gang naar de laatste gebeurtenissen volgen.
De gebeurtenissen die verbonden waren met deze triomftocht, zouden door iedereen worden besproken en Jezus in ieders gedachten brengen. Na Zijn kruisiging zouden velen zich deze gebeurtenissen, in verband met Zijn terechtstelling en dood, herinneren. Zij zouden ertoe worden gebracht, de profetieën te bestuderen, en zouden ervan worden overtuigd, dat Jezus de Messias was; en in alle landen zou het aantal bekeerlingen, die tot het geloof kwamen, toenemen.” –
B. Wat deed Jezus verrassend genoeg, toen Hij de stad volledig in zicht kreeg en waarom?
Lukas 19:41–44.
“Midden in een toneel van vreugde, waarbij allen Hem eer bewezen, was de Koning van Israël in tranen; geen stille vreugdetranen, maar tranen en zuchten van niet te weerhouden zielensmart. De mensen werden door een plotselinge somberheid overvallen. Hun toejuichingen verstomden. Velen weenden uit medegevoel met een smart die zij niet konden verstaan.
Jezus stortte geen tranen in het vooruitzicht van Zijn eigen beproevingen… Het was de aanblik van Jeruzalem, die door het hart van Je-zus sneed, Jeruzalem, dat de Zoon van God had verworpen en met Zijn liefde had versmaad, dat weigerde zich door Zijn machtige won-deren te laten overtuigen en dat op het punt stond om Hem het leven te benemen. Hij zag wat de stad was, in haar misdaad haar Verlos-ser te verwerpen.” –
A. Toen Jezus Jeruzalem binnenkwam, welke vraag stelden de leiders en welk antwoord kregen zij te midden van het tumult?
Matthéüs 21:10–11.
“Wanneer de stoet op het punt staat de Olijfberg af te dalen, wordt hij opgevangen door de oversten. Zij vragen naar de oorzaak van dit luidruchtige vreugdebetoon. Wanneer zij de vraag stellen: “Wie is dit?” geven de dis-cipelen, vervuld met de Geest der Inspiratie, antwoord op de vraag. In welsprekende zinnen herhalen zij de profe-tieën betreffende Christus.” –
B. Zodra Jezus in de stad was aangekomen, wat deed Hij toen in de tempel?
Mattheüs 21:12–16;
Psalm 8:3.
“Drie jaar geleden waren de oversten van de tempel over hun vlucht voor het bevel van Jezus beschaamd geweest. Sinds die tijd hadden zij zich verwonderd over hun vrees, en over hun onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan één enkele man van nederige afkomst. Zij had-den gemeend, dat het onmogelijk was, dat zij zich nog eens op een zo onwaardige wijze zouden overgeven. Toch waren zij nu meer be-vreesd dan tevoren, en ze haastten zich nog meer om Zijn bevel te gehoorzamen. Er was niemand die Zijn gezag in twijfel durfde trekken. Priesters en handelaars vluchtten uit Zijn tegenwoordigheid, terwijl ze hun vee voor zich uitdreven…
Toen de schare uit de tempel was gevlucht, waren velen achtergebleven. Bij hen sloten de nieuw-aangekomenen zich aan. Weer was de voorhof van de tempel vol zieken en stervenden, en wederom diende Jezus hen.” –
1. Hoe wordt de houding van de Farizeeën vaak nu herhaald?
2. Wat kenmerkte degenen, die Christus eerden als de beloofde Koning?
3. Wat kon Jezus doen huilen om mij, zoals Hij deed om Jeruzalem?
4. Hoe werd de profetie van Zacharia 9:9 bij deze gelegenheid vervuld?
5. Waarom stond Christus op dit moment zoveel publieke toejuiching toe?