Het evangelie volgens Johannes (Deel Drie) — Sabbat, 12 JULI 2025

Les 2: De Triomfantelijke Intocht

Tekst om te onthouden

TEKST OM TE ONTHOUDEN: “Zegt de dochter Sions: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezelin en een veulen, zijnde een jong van een jukdragende ezelin

Mattheüs 21:5

“Christus was gekomen om Jeruzalem en zijn kinderen te redden; maar farizeïsche trots, huichelarij, naijver en kwaadwilligheid hadden Hem verhinderd Zijn bedoeling uit te voeren.” –

Aanvullende studie:: De Wens der Eeuwen, p. 494-502

zo — , 6 jul

1. OP DE OLIJFBERG

A. Toen Jezus en Zijn discipelen Jeruzalem naderden, met welke instructies stuurde Hij er twee van hen vooruit?

Matthéüs 21:1–5.

Mattheüs 21:1: En als zij nu Jeruzalem genaakten, en gekomen waren te Beth-fage, aan de Olijfberg, toen zond Jezus twee discipelen, zeggende tot hen: Mattheüs 21:2: Gaat heen in het vlek, dat tegen u over ligt, en gij zult terstond een ezelin gebonden vinden, en een veulen met haar; ontbindt ze, en brengt ze tot Mij. Mattheüs 21:3: En indien u iemand iets zegt, zo zult gij zeggen, dat de Heere deze van node heeft, en hij zal ze terstond zenden. Mattheüs 21:4: Dit alles nu is geschied, opdat vervuld worde, hetgeen gesproken is door den profeet, zeggende: Mattheüs 21:5: Zegt der dochter Sions: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezelin en een veulen, zijnde een jong ener jukdragende ezelin.

“ Hij (Jezus) had twee van Zijn discipelen uitgezonden om Hem een ezelin en haar hengstveulen te brengen. De Heiland was bij Zijn geboorte afhankelijk van de gastvrijheid van vreemdelingen. De stal, waarin Hij lag, was een geleende rustplaats. En hoewel de beesten op duizend bergen van Hem zijn, is Hij nu afhankelijk van de vriendelijkheid van een vreemde om een dier te verkrijgen, waarop Hij, als Koning van de stad, Jeruzalem kan binnenrijden.” –

B. Beschrijf de reactie van de discipelen.

Matthéüs 21:6–7.

Mattheüs 21:6: En de discipelen heengegaan zijnde, en gedaan hebbende, gelijk Jezus hun bevolen had, Mattheüs 21:7: Brachten de ezelin en het veulen, en legden hun klederen op dezelve, en zetten Hem daarop.

“Met blijde geestdrift spreidden de discipelen hun mantels over het dier en deden hun Meester daarop plaatsnemen. Tot op dat ogenblik had Jezus altijd te voet gereisd, en de discipelen hadden zich aanvankelijk verwonderd afgevraagd, waarom Hij nu zou verkiezen te rij-den. Maar in hun harten herleefde de hoop met de vreugdevolle gedachte, dat Hij op het punt stond de hoofdstad binnen te gaan, Zich-zelf tot Koning uit te roepen, en Zijn koninklijke macht te bevestigen.” –

ma — , 7 jul

2. EEN VREUGDEVOL MOMENT

A. Toen de menigte hoorde, dat Jezus naar Jeruzalem kwam, wat deden zij toen?

Johannes 12:12–13.

Johannes 12:12: Des anderen daags, een grote schare, die tot het feest gekomen was, horende, dat Jezus naar Jeruzalem kwam, Johannes 12:13: Namen de takken van palmbomen, en gingen uit Hem tegemoet, en riepen: Hosanna! Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren, Hij, Die is de Koning Israels!

“Terwijl ze hun boodschap deden, deelden zij hun vurige verwachtingen aan de vrienden van Jezus mede, en de opwinding verspreidde zich wijd en zijd, waardoor de verwachtingen van het volk tot een hoogtepunt werden gevoerd.” –De Wens der Eeuwen, 494.

B. Wat bracht de menigte ertoe om Jezus als de Messias te begroeten op die vreugdevolle gelegenheid?

Zacharia 9:9;

Zacharia 9:9: Verheug u zeer, gij dochter Sions! juich, gij dochter Jeruzalems! Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen.

Johannes 12:14–15.

Johannes 12:14: En Jezus vond een jongen ezel, en zat daarop, gelijk geschreven is: Johannes 12:15: Vrees niet, gij dochter Sions, zie, uw Koning komt, zittende op het veulen ener ezelin.

“Christus volgde het Joodse gebruik voor een koninklijke intocht. Het dier, waarop Hij reed, was het dier, waarop de koningen van Is-raël plachten te rijden, en de profetie had voorzegd, dat op deze wijze de Messias tot Zijn koninkrijk zou komen. Nauwelijks was Hij op de ezel gezeten, of een luide triomfkreet weerklonk door de lucht. De schare heette Hem welkom als Messias, hun Koning. Jezus aan-vaardde nu het eerbetoon, dat Hij nooit tevoren had toegestaan, en de discipelen namen dit aan als een bewijs, dat hun blijde verwach-tingen verwezenlijkt zouden worden, doordat zij Hem op de troon zouden zien” –

C. Hoe weerklonken de woorden van de Psalmist met vreugde bij de mensen, die verlangden naar bevrijding?

Matthéüs 21:9;

Mattheüs 21:9: En de scharen, die voorgingen en die volgden, riepen, zeggende: Hosanna den Zone Davids! Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen!

Psalms 118:26.

“De menigte was ervan overtuigd, dat het uur van hun bevrijding op handen was. In hun verbeelding zagen zij reeds de Romeinse legers uit Jeruzalem verdreven, en Israël wederom een onafhankelijke natie. Allen waren gelukkig en opgewonden; de mensen wedijverden met elkander in het brengen van eerbewijzen aan Hem. Zij konden geen uiterlijke pracht en praal ten toon spreiden, maar zij gaven Hem de aanbidding van hun blijde harten. Zij waren niet in staat Hem kostbare geschenken te geven, maar zij spreidden hun overkleren als een tapijt op Zijn pad, en zij strooiden ook de bladerrijke takken van de olijfboom en van de palm op de weg. Zij konden de triomfantelijke stoet niet met koninklijke standaards doen voorafgaan, maar zij sneden de wuivende palmtakken af, het overwinningsembleem van de natuur, en wuifden ermee omhoog onder luide toejuichingen en hosannageroep.” –De Wens der Eeuwen, 495.

di — , 8 jul

3. VERVULLING VAN PROFETIE

A. Hoe reageerden sommigen van de Farizeeën op de lofprijzing voor Christus?

Johannes 12:19;

Johannes 12:19: De Farizeen dan zeiden onder elkander: Ziet gij wel, dat gij gans niet vordert? Ziet, de gehele wereld gaat Hem na.

Lukas 19:39.

Lukas 19:39: En sommigen der Farizeen uit de schare zeiden tot Hem: Meester, bestraf Uw discipelen.

“Vele Farizeeën waren getuigen van dit schouwspel, en, brandend van naijver en haat, trachtten zij de stroom van de gevoelens van het volk te keren. Zij wendden al hun invloed aan om de mensen tot zwijgen te brengen; maar hun verzoeken en dreigementen deden de geestdrift slechts toenemen. Zij vreesden dat deze menigte, die door haar aantal zo sterk was, Jezus tot koning zou uitroepen. Als laatste redmiddel drongen zij zich door de menigte tot op de plaats waar Jezus was, en richtten zich tot Hem met de verwijtende en dreigende woorden: ‘Meester! bestraf Uw discipelen’. Zij verklaarden, dat dergelijke luidruchtige demonstraties in strijd waren met de wet, en dat zij door het gezag niet zouden worden toegestaan.” –

B. Welk antwoord gaf Jezus hun?

Lukas 19:40.

Lukas 19:40: En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Ik zeg ulieden, dat, zo deze zwijgen, de stenen haast roepen zullen.

“Dit toneel van triomf geschiedde op Gods eigen beschikking. Het was voorzegd door de profeet en de mens had geen macht om Gods bedoeling tegen te gaan. Indien de mensen Zijn plan niet ten uitvoer hadden gebracht, dan zou Hij aan de dode stenen een stem hebben gegeven en zij zouden Zijn Zoon met lofzang hebben begroet.” –

“Evenzeer zouden de priesters en leiders kunnen proberen de aarde te beroven van het stralende gezicht van de zon, als de wereld de stralen van heerlijkheid van de Zon der Gerechtigheid te onthouden. Ondanks alle tegenstand werd het koninkrijk van Christus door het volk beleden.” –God’s Amazing Grace, blz. 47.

“Het werk van God zal altijd voortgaan, ondanks alles wat de mens mag doen om het te belemmeren of af te breken.” –The Story of Jesus, blz. 85.

C. Hoe was deze verbazingwekkende uitbarsting een vervulling van de profetie, zoals door velen in de menigte werd erkend?

Zacharia 9:9.

Zacharia 9:9: Verheug u zeer, gij dochter Sions! juich, gij dochter Jeruzalems! Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen.

“Terwijl de tot zwijgen gebrachte Farizeeën zich terugtrokken, werden de woorden van Zacharia opnieuw geuit door honderden stem-men: (Zie Zacharia 9:9).” –The Story of Jesus, blz. 572–575.

wo — , 9 jul

4. ALLE OGEN OP CHRISTUS

A. Met welk doel stond Jezus zo’n grote demonstratie toe op de dag van Zijn triomfantelijke intocht in Jeruzalem?

Johannes 12:16,

Johannes 12:16: Doch dit verstonden Zijn discipelen in het eerst niet; maar als Jezus verheerlijkt was, toen werden zij indachtig, dat dit van Hem geschreven was, en dat zij Hem dit gedaan hadden.

Johannes 12:23–28.

Johannes 12:23: Maar Jezus antwoordde hun, zeggende: De ure is gekomen, dat de Zoon des mensen zal verheerlijkt worden. Johannes 12:24: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Indien het tarwegraan in de aarde niet valt, en sterft, zo blijft hetzelve alleen; maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht voort. Johannes 12:25: Die zijn leven liefheeft, zal hetzelve verliezen; en die zijn leven haat in deze wereld, zal hetzelve bewaren tot het eeuwige leven. Johannes 12:26: Zo iemand Mij dient, die volge Mij; en waar Ik ben, aldaar zal ook Mijn dienaar zijn. En zo iemand Mij dient, de Vader zal hem eren. Johannes 12:27: Nu is Mijn ziel ontroerd; en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit deze ure! Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen. Johannes 12:28: Vader, verheerlijk Uw Naam. Er kwam dan een stem uit den hemel, zeggende: En Ik heb Hem verheerlijkt, en Ik zal Hem wederom verheerlijken.

“Nooit tevoren tijdens Zijn leven op aarde had Jezus een dergelijke demonstratie toegelaten. Hij voorzag duidelijk wat het gevolg hier-van zou zijn. Het zou Hem aan het kruis brengen. Maar het was Zijn bedoeling, Zich openlijk aan te dienen als de Verlosser. Hij wilde de aandacht vestigen op het offer, dat Zijn zending naar een gevallen wereld zou bekronen. Terwijl de mensen in Jeruzalem samenkwamen om het Pascha te vieren, stelde Hij, het tegenbeeldige Lam, door een vrijwillig handeling Zichzelf beschikbaar als offerande. Het zou voor Zijn gemeente in alle eeuwen, die zouden volgen, noodzakelijk zijn, om Zijn dood voor de zonden der wereld tot het onderwerp te ma-ken van diepgaande overdenking en studie. Ieder feit, dat hiermee was verbonden, moest boven alle twijfel worden verheven. Het was toen noodzakelijk, dat de ogen van alle mensen op dat ogenblik op Hem werden gericht; de gebeurtenissen, die voorafgingen aan Zijn grote offerande, moesten van dien aard zijn, dat zij de aandacht zouden vestigen op het offer zelf. Na een demonstratie, als die welke gepaard ging met Zijn intocht in Jeruzalem, zouden aller ogen Zijn snelle gang naar de laatste gebeurtenissen volgen.

De gebeurtenissen die verbonden waren met deze triomftocht, zouden door iedereen worden besproken en Jezus in ieders gedachten brengen. Na Zijn kruisiging zouden velen zich deze gebeurtenissen, in verband met Zijn terechtstelling en dood, herinneren. Zij zouden ertoe worden gebracht, de profetieën te bestuderen, en zouden ervan worden overtuigd, dat Jezus de Messias was; en in alle landen zou het aantal bekeerlingen, die tot het geloof kwamen, toenemen.” –

B. Wat deed Jezus verrassend genoeg, toen Hij de stad volledig in zicht kreeg en waarom?

Lukas 19:41–44.

Lukas 19:41: En als Hij nabij kwam, en de stad zag, weende Hij over haar, Lukas 19:42: Zeggende: Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen. Lukas 19:43: Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een begraving rondom u zullen opwerpen, en zullen u omsingelen, en u van alle zijden benauwen; Lukas 19:44: En zullen u tot den grond nederwerpen, en uw kinderen in u; en zij zullen in u den enen steen op den anderen steen niet laten; daarom dat gij den tijd uwer bezoeking niet bekend hebt.

“Midden in een toneel van vreugde, waarbij allen Hem eer bewezen, was de Koning van Israël in tranen; geen stille vreugdetranen, maar tranen en zuchten van niet te weerhouden zielensmart. De mensen werden door een plotselinge somberheid overvallen. Hun toejuichingen verstomden. Velen weenden uit medegevoel met een smart die zij niet konden verstaan.

Jezus stortte geen tranen in het vooruitzicht van Zijn eigen beproevingen… Het was de aanblik van Jeruzalem, die door het hart van Je-zus sneed, Jeruzalem, dat de Zoon van God had verworpen en met Zijn liefde had versmaad, dat weigerde zich door Zijn machtige won-deren te laten overtuigen en dat op het punt stond om Hem het leven te benemen. Hij zag wat de stad was, in haar misdaad haar Verlos-ser te verwerpen.” –

do — , 10 jul

5. AANKOMST IN JERUZALEM

A. Toen Jezus Jeruzalem binnenkwam, welke vraag stelden de leiders en welk antwoord kregen zij te midden van het tumult?

Matthéüs 21:10–11.

Mattheüs 21:10: En als Hij te Jeruzalem inkwam, werd de gehele stad beroerd, zeggende: Wie is Deze? Mattheüs 21:11: En de scharen zeiden: Deze is Jezus, de Profeet van Nazareth in Galilea.

“Wanneer de stoet op het punt staat de Olijfberg af te dalen, wordt hij opgevangen door de oversten. Zij vragen naar de oorzaak van dit luidruchtige vreugdebetoon. Wanneer zij de vraag stellen: “Wie is dit?” geven de dis-cipelen, vervuld met de Geest der Inspiratie, antwoord op de vraag. In welsprekende zinnen herhalen zij de profe-tieën betreffende Christus.” –

B. Zodra Jezus in de stad was aangekomen, wat deed Hij toen in de tempel?

Mattheüs 21:12–16;

Mattheüs 21:12: En Jezus ging in den tempel Gods, en dreef uit allen, die verkochten en kochten in den tempel, en keerde om de tafelen der wisselaars, en de zitstoelen dergenen, die de duiven verkochten. Mattheüs 21:13: En Hij zeide tot hen: Er is geschreven: Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden; maar gij hebt dat tot een moordenaarskuil gemaakt. Mattheüs 21:14: En er kwamen blinden en kreupelen tot Hem in den tempel, en Hij genas dezelve. Mattheüs 21:15: Als nu de overpriesters en Schriftgeleerden zagen de wonderheden, die Hij deed, en de kinderen, roepende in den tempel, en zeggende: Hosanna den Zone Davids! namen zij dat zeer kwalijk; Mattheüs 21:16: En zeiden tot Hem: Hoort Gij wel, wat dezen zeggen? En Jezus zeide tot hen: Ja; hebt gij nooit gelezen: Uit de mond der jonge kinderen en der zuigelingen hebt Gij U lof toebereid?

Psalm 8:3.

Psalmen 8:3: Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, om Uwer tegenpartijen wil, om den vijand en wraakgierige te doen ophouden.

“Drie jaar geleden waren de oversten van de tempel over hun vlucht voor het bevel van Jezus beschaamd geweest. Sinds die tijd hadden zij zich verwonderd over hun vrees, en over hun onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan één enkele man van nederige afkomst. Zij had-den gemeend, dat het onmogelijk was, dat zij zich nog eens op een zo onwaardige wijze zouden overgeven. Toch waren zij nu meer be-vreesd dan tevoren, en ze haastten zich nog meer om Zijn bevel te gehoorzamen. Er was niemand die Zijn gezag in twijfel durfde trekken. Priesters en handelaars vluchtten uit Zijn tegenwoordigheid, terwijl ze hun vee voor zich uitdreven…

Toen de schare uit de tempel was gevlucht, waren velen achtergebleven. Bij hen sloten de nieuw-aangekomenen zich aan. Weer was de voorhof van de tempel vol zieken en stervenden, en wederom diende Jezus hen.” –

vr — , 11 jul

Terugblik

1. Hoe wordt de houding van de Farizeeën vaak nu herhaald?

2. Wat kenmerkte degenen, die Christus eerden als de beloofde Koning?

3. Wat kon Jezus doen huilen om mij, zoals Hij deed om Jeruzalem?

4. Hoe werd de profetie van Zacharia 9:9 bij deze gelegenheid vervuld?

5. Waarom stond Christus op dit moment zoveel publieke toejuiching toe?