Tekst om te onthouden: “Jezus dan zeide tot Petrus: Steek uw zwaard in de schede; de drinkbeker, die Mij de Vader gegeven heeft, zal Ik die niet drinken?”
Johannes 18:11
“Het verschrikkelijke ogenblik was gekomen, dat ogenblik dat beslissend zou zijn voor de bestemming van de gehele wereld.” –
Aanvullende studie :: -Eerste Geschriften, blz. 192-196.
A. Waar ging Jezus met Zijn discipelen heen, toen Hij Zijn voorbede had beëindigd, en met welk doel?
Johannes 18:1;
Matthéüs 26:36.
B. Welk verzoek deed de Heer, toen Hij drie discipelen opriep om Hem te vergezellen, en waarom?
Markus 14:33–34.
“Het was zijn (Satans) doel om de zonde tot zodanige afmetingen te maken, dat verzoening onmogelijk zou schijnen; de Zoon van God, die probeerde om een verloren wereld te redden, zou dan verbrijzeld worden onder de vloek van de zonde. Het werk van de waakzame vijand door aan Christus de ontzaggelijke omvang van de zonde voor te houden, veroorzaakte een stekende pijn, dat Hij het gevoel had, dat Hij niet in de onmiddellijke nabijheid van een menselijk wezen kon blijven. Hij kon niet verdragen, dat zelfs alleen Zijn discipelen getuigen zouden zijn van Zijn ziele-lijden, terwijl Hij nadacht over het leed van de wereld. Zelfs Zijn meest geliefde vrienden mochten niet in Zijn gezelschap zijn. Het zwaard der gerechtigheid was ontbloot en Gods toorn tegen de zonde rustte op de plaatsvervanger van de mens, Jezus Christus, de eniggeborene van de Vader.” –Bijbelkommentaar, blz. 343–344.
A. Wat is de kern van Christus’ eerste gebed in Getsémané?
Markus 14:35–36.
“Christus bevond Zich nu in een geheel andere positie dan ooit tevoren. Zijn lijden kan het best worden beschreven met de woorden van de profeet: ‘Zwaard, waak op tegen Mijn herder, tegen de Man Die Mijn metgezel is, luidt het woord van de Heere der heerscharen’ (Zacharia 13:7). Als de plaatsvervanger en borg voor de zondige mens leed Christus onder de goddelijke rechtvaardigheid. Hij zag wat rechtvaardigheid betekende. Tot op dit ogenblik was Hij een bemiddelaar geweest voor anderen; nu verlangde Hij ernaar Zelf een bemiddelaar te hebben.
Toen Christus gevoelde, hoe Zijn eenheid met de Vader werd verbroken, vreesde Hij, dat Hij in Zijn menselijke natuur niet in staat zou zijn de komende strijd met de machten der duisternis te doorstaan. In de woestijn der verzoeking had het lot der mensheid op het spel gestaan. Christus was toen overwinnaar. Nu was de verleider gekomen voor de laatste, verschrikkelijke strijd. Hierop had hij zich gedurende de drie jaren van het dienstwerk van Christus voorbereid. Alles kwam nu voor hem erop aan. Indien hij hier zou falen, was zijn hoop op de heerschappij verloren; de koninkrijken der wereld zouden tenslotte aan Christus toebehoren; hijzelf zou ten val gebracht en buitengesloten worden. Maar indien Christus overwonnen zou kunnen worden, zou de aarde het koninkrijk van Satan worden, en het mensdom zou voor altijd in zijn macht zijn. Met datgene voor ogen, waarom de strijd werkelijk ging, was de ziel van Christus met vrees vervuld voor de scheiding van God.” –
B. In welke toestand trof Jezus, terugkerend van Zijn kwellende gebed, Zijn discipelen aan? Welke berisping gaf Hij aan hen?
Markus 14:37–38.
“Met moeite stond Hij op en wankelde naar de plaats, waar Hij Zijn metgezellen had achtergelaten. Maar Hij ‘vond hen slapende’. Indien Hij hen biddende had gevonden, zou het Hem hebben geholpen. Indien zij hulp bij God hadden gezocht, opdat de machten van Satan hen niet zouden kunnen overwinnen, zou Hij vertroost zijn door hun standvastig geloof. Maar zij hadden geen acht geslagen op de herhaalde waarschuwing: ‘Waakt en bidt’. Aanvankelijk hadden zij zich veel zorgen gemaakt, toen zij zagen, hoe hun Meester, Die gewoonlijk zo kalm en waardig was, worstelde met een leed, dat alle begrip te boven ging. Zij hadden gebeden, terwijl ze de luide kreten van de Lijdende hoorden. Zij waren niet van plan hun Meester te verzaken, maar zij schenen verlamd te zijn door een verdoving, die zij van zich hadden kunnen afschudden, indien zij hadden volhard in het smeken tot God. Zij beseften niet de noodzaak van waakzaamheid en ernstig gebed om verzoeking te kunnen weerstaan.” –
A. Wat was Christus’ tweede gebed, en wat deden de discipelen?
Matthéüs 26:42–43.
Welke profetie werd toen vervuld?
Jesaja 52:14.
“Korte tijd tevoren had Jezus gestaan als een machtige cederboom, en de storm van tegenstand, die in woede over Hem losbarstte, weerstand geboden. Koppigheid en harten vervuld van kwaadwilligheid en arglistigheid hadden tevergeefs getracht Hem te verwarren en te overmeesteren. Hij stond in goddelijke majesteit als de Zoon van God. Nu was Hij als een riet, geslagen en gebogen door een woedende storm. Hij was genaderd tot de voltooiing van Zijn werk als een overwinnaar, die bij iedere schrede een zegen had behaald op de machten der duisternis. Als iemand, die reeds verheerlijkt was, had Hij aanspraak gemaakt op het één-zijn met God. Met vaste stem had Hij Zijn lofzangen gezongen. Hij had tot Zijn discipelen woorden van bemoediging en tederheid gesproken. Nu was het uur van de macht der duisternis gekomen. Nu werd Zijn stem in de stille avondlucht vernomen, niet op triomfantelijke toon, maar vol menselijke angst.” –
B. Hoe werd de Zoon van God getroost in dat kritieke uur?
Lukas 22:43.
Met welke woorden had Jesaja geprofeteerd over Christus’ angst en vertroosting?
Jesaja 53:11.
“In deze verschrikkelijke crisis, toen alles op het spel stond, toen de geheimzinnige beker beefde in de hand van de Lijder, openden de hemelen zich, een licht scheen in de verschrikkelijke duisternis van het crisisuur, en de machtige engel, die in Gods tegenwoordigheid staat, en die de plaats inneemt, waarvan Satan was gevallen, kwam aan Christus’ zijde. De engel kwam niet om de beker uit Christus’ hand te nemen, maar door de verzekering van de liefde van de Vader, Hem de kracht te geven die te drinken. Hij kwam om de goddelijk-menselijke Smekeling te versterken. Hij wees Hem op de geopende hemelen en vertelde Hem over de zielen die, als gevolg van Zijn lijden, zouden worden behouden. Hij verzekerde Hem, dat Zijn Vader groter en machtiger is dan Satan, dat Zijn dood de volkomen nederlaag van Satan tot gevolg zou hebben en dat het koninkrijk van deze wereld aan de heiligen des Allerhoogsten zou worden gegeven. Hij verzekerde Hem, dat Hij ‘door Zijn moeitevol lijden’ zou ‘zien tot verzadiging toe’ en dat Hij velen zou behouden, voor eeuwig behouden.” –
A. Wie leidde de groep, die Jezus arresteerde?
Johannes 18:2–5.
B. Wat gebeurde er met de woedende menigte, toen Jezus Zich aan hen bekend maakte?
Johannes 18:6.
“Toen Jezus naar voren trad om Zijn verrader te ontmoeten, waren er geen sporen zichtbaar van de strijd, die Hij tevoren had gestreden. Voor Zijn discipelen staande zei Hij: ‘Wie zoekt gij?’ Zij antwoordden Hem: ‘Jezus de Nazareeër’. Jezus antwoordde: ‘Ik ben het’. Toen deze woorden werden gesproken, ging de engel, die Jezus kort tevoren had gediend, tussen Hem en de menigte staan. Een goddelijk licht bestraalde het gelaat van de Heiland, en de gestalte als van een duif overschaduwde Hem. In de tegenwoordigheid van deze goddelijke heerlijkheid kon de moordlustige menigte geen ogenblik blijven staan. Zij deinsden terug. Priesters, oudsten, soldaten en zelfs Judas vielen als dood ter aarde.
De engel trok zich terug en het licht verbleekte. Jezus had de gelegenheid om te ontkomen, maar Hij bleef staan, kalm en beheerst. Als een verheerlijkte stond Hij te midden van de verharde bende, die nu hulpeloos aan Zijn voeten ter aarde lag. De discipelen keken toe, stil van verwondering en ontzag.” –
C. Hoe zou het verraad van Judas de menigte beïnvloeden, en de zachtmoedigheid van Jezus verkeerd geïnterpreteerd worden door Petrus?
Johannes 18:7–10;
Lukas 22:47–50.
“De menigte werd vrijmoedig, toen zij zagen, hoe Judas de gestalte aanraakte van Hem, Die zo kort geleden voor hun ogen verheerlijkt was. Zij grepen Jezus nu aan en begonnen de dierbare handen, die steeds bezig waren geweest met goeddoen, te binden.
De discipelen hadden gedacht, dat hun Meester niet zou toelaten, dat Hij gevangen genomen werd. Immers, dezelfde macht die de menigte als doden ter aarde deed vallen, kon hen hulpeloos maken, totdat Jezus en Zijn metgezellen zouden zijn ontkomen. Zij waren teleurgesteld en verontwaardigd, toen ze zagen, hoe de touwen tevoorschijn kwamen om de handen te binden van Hem, Die zij liefhadden. Petrus trok in zijn toorn haastig zijn zwaard en probeerde zijn Meester te verdedigen, maar hij sloeg alleen het oor af van de dienstknecht van de hogepriester.” –
A. Beschrijf de geduldige liefde, die Jezus toonde op het moment van Zijn arrestatie.
Matthéüs 26:51–53;
Lukas 22:50–51.
Hoe zag de hemel dit?
“De discipelen begonnen hoop te krijgen, toen zij de menigte met hun stokken en zwaarden zo spoedig zagen ter aarde vallen. Terwijl zij weder opstonden en Jezus opnieuw omsingelden, trok Petrus zijn zwaard, en sloeg de dienstknecht van de Hogepriester, en hieuw zijn oor af. Jezus gelastte hem om zijn zwaard in de schede te steken, zeggende: ‘Of meent gij, dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten?’ Ik zag, dat toen deze woorden geuit werden, de aangezichten van de engelen door hoop bezield werden. Zij wensten, op dat zelfde ogenblik hun Bevelhebber te omsingelen, en die woedende volksmenigte uiteen te drijven…. De harten van de discipelen verzonken evenzo in wanhoop en bittere teleurstelling, toen Jezus Zich van Zijn vijanden liet wegvoeren.
De discipelen vreesden voor hun eigen leven, en zij verlieten Hem allen en vluchtten. Jezus werd alleen achtergelaten in de handen van de moordlustige menigte. O, welk een overwinning was dat voor Satan! Welk een droefheid en smart heerste er onder de engelen Gods! Verscheidene groepen van heilige engelen, elk met een grote bevelhebbende engel als aanvoerder, werden afgezonden om van dit toneel getuigen te zijn. Zij moesten iedere belediging en wreedheid, die de Zoon van God aangedaan werd, aantekenen, en alle zielsangst, die Jezus te verduren zou hebben, te boek stellen; want dezelfde mensen, die deelnamen aan dit vreselijke toneel, zullen het alles opnieuw in levend schrift vóór zich krijgen.” –Eerste Geschriften, blz.195–196.
B. Wat moeten allen, die Christus belijden, leren van de vermaning van de Heer aan Petrus?
Johannes 18:11;
1 Johannes 3:15.
1. Welke oproep van Christus aan de discipelen is in het bijzonder voor mij van toepassing?
2. Welke invloed moet de ervaring van de Heer in Gethsémané op mij hebben?
3. Hoe kan ik de reactie van Petrus bij Jezus’ arrestatie vermijden?
4. Wat was de voornaamste reden voor Christus’ smart?
5. Hoe reageerde de menigte voor de heerlijkheid van de engelen?