TEKST OM TE ONTHOUDEN: “Daarom zeg Ik u: Haar zonden, zijn haar vergeven, die vele waren, want zij heeft veel liefgehad; maar die weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief”
Lucas 7:47
“Jezus kent de omstandigheden van elke ziel. U moogt zeggen: Ik ben zondig, heel zondig. Dat kan waar zijn; maar hoe slechter u bent, des te meer hebt u Jezus nodig. Hij zendt geen wenende, berouwvolle zondaar weg. Hij vertelt aan niemand al datgene, wat Hij zou kunnen openbaren, maar Hij zegt tot iedere bevende ziel moed te vatten. Hij zal Zijn genade vrijelijk schenken aan allen, die tot Hem komen om vergeving en herstel.” –
Aanvullende studie:: -Testimonies for the Church, vol. 4, blz. 485-487, 550-552.
A. Beschrijf de situatie, die heerste in Jeruzalem ten tijde van Jezus’ bezoek aan Bethanië, en hoe zou dit sommi-gen op het feest van Simon beïnvloed kunnen hebben?
Johannes 11:55–57;
Psalm 55:22
“Simon van Bethanië werd tot de discipelen van Jezus gerekend. Hij was een van de weinige Farizeeën, die zich openlijk hadden aange-sloten bij de volgelingen van Christus. Hij erkende Jezus als Leraar, en hoopte, dat Hij de Messias zou zijn, maar hij had Hem niet aan-genomen als Heiland. Zijn karakter was niet veranderd; zijn beginselen waren dezelfde gebleven.” –
B. Welke grote zegen had Simon ontvangen, en hoe toonde hij nu zijn dankbaarheid aan Jezus?
Lukas 7:36.
“Simon was genezen van melaatsheid, en dit had hem tot Jezus getrokken. Hij verlangde zijn dankbaarheid te tonen, en bij het laatste bezoek van Christus aan Bethanië richtte hij een maaltijd aan voor de Heiland en Zijn discipelen.” –
A. Beschrijf de verborgen, achter-de-schermen situatie die vaak bestaat bij sociale bijeenkomsten, en hoe deze si-tuatie zich op deze gelegenheid voordeed.
Psalm 55:22.
“Dit feestmaal bracht vele Joden te zamen. Er heerste in die tijd veel opwinding in Jeruzalem. Christus en Zijn zending trokken meer aandacht dan ooit tevoren. Zij die naar het feest gekomen waren, sloegen Zijn bewegingen nauwlettend gade, en sommigen van hen de-den dat met onvriendelijke blikken.”–
B. Beschrijf de handelingen van Maria tijdens het feest bij Simon.
Lukas 7:37–38;
Johannes 12:3.
“Maria luisterde ernstig naar ieder woord, dat over Jezus’ lippen kwam. Jezus had haar, in Zijn genade, haar zonden vergeven, Hij had haar geliefde broer uit het graf doen komen, en het hart van Maria was vol dankbaarheid. Zij had Jezus horen spreken over Zijn nade-rende dood, en in haar oprechte liefde en smart verlangde zij Hem eer te bewijzen. Tegen een groot persoonlijk offer had ze een kruik ‘echte, kostbare nardusmirre’ gekocht, waarmede ze Zijn lichaam wilde zalven. Maar nu verklaarden velen, dat Hij tot koning gekroond zou worden. Haar smart werd verkeerd in vreugde, en zij was vol verlangen om de eerste te zijn, die haar Here zou eren. Zij brak de kruik zalf en goot de inhoud over het hoofd en de voeten van Jezus; terwijl ze daarna wenend neerknielde en Zijn voeten bevochtigde met haar tranen, droogde zij ze af met haar lange, losse haar.” –
C. Wat was Judas’ reactie op deze daad?
Johannes 12:4–5;
Matthéüs 26:8–9.
“Ze (Maria) had getracht opzien te vermijden, en haar handelingen zouden onopgemerkt hebben kunnen blijven, maar de mirre vervulde de kamer met zijn geur en maakte haar daad bekend aan allen, die aanwezig waren. Judas nam haar deze daad zeer kwalijk. In plaats van te wachten wat Christus erover zou zeggen, begon hij zich te beklagen tegen de mensen, die in zijn buurt waren, en een blaam te wer-pen op Christus, dat Hij zulk een verkwisting toeliet. Op listige wijze deed hij veronderstellingen, die waarschijnlijk ontevredenheid zouden veroorzaken..” –
A. In werkelijkheid, waarom bekritiseerde Judas de daad van Maria om Jezus’ voeten te zalven?
Johannes 12:6.
“Judas was penningmeester van de discipelen, en uit hun kleine voorraad had hij heimelijk voor zijn eigen gebruik genomen, en zo had hij hun geldmiddelen tot een droevig beetje verkleind. Hij was fel om alles, wat hij kon be-machtigen, in de beurs te stoppen. Dikwijls maakte men gebruik van het geld in de beurs om de armen te helpen; en wanneer er iets gekocht werd waarvan Judas meende dat het niet volstrekt noodzakelijk was, placht hij te zeg-gen: Waarom deze verkwisting? Waarom is het geld dat hiervoor is besteed, niet gedaan in de beurs, die ik draag voor de armen? Nu was de daad van Maria zulk een opmerkelijke tegenstelling met zijn zelfzucht, dat hij be-schaamd stond; en zoals zijn gewoonte was, probeerde hij een waardig motief te vinden voor zijn bezwaar tegen haar gave. Hij wendde zich tot de discipelen en vroeg: ‘Waarom is deze mirre niet voor driehonderd schellingen verkocht en aan de armen gegeven?’ Maar dit zeide hij niet, omdat hij zich om de armen bekommerde, maar omdat hij een dief was en als beheerder der kas de inkomsten wegnam. Judas had geen hart voor de armen. Indien de zalf van Maria verkocht, en de opbrengst daarvan onder zijn beheer was gekomen, zouden de armen er geen voordeel van hebben gehad.” –
B. Hoe beschouwden de discipelen Judas en hoe beschouwde hij zichzelf?
Johannes 13:29.
“Judas had een hoge dunk van zijn eigen leiderscapaciteiten. Hij meende, dat hij als beheerder van gelden ver verheven was boven zijn medediscipelen, en hij had ervoor gezorgd, dat zij hem in hetzelfde licht zagen. Hij had hun vertrouwen gewonnen en had een grote in-vloed op hen. Zijn vermeende medelijden met de armen misleidde hen, en zijn listige verdachtmaking maakte, dat zij wantrouwend keken naar de toewijding van Maria.”–
C. Beschrijf wat vaak degenen drijft, die stilletjes bij anderen klagen en hoe dit gevoelige zielen kan beïnvloeden, die het doelwit ervan zijn.
Judas 1:16.
“Maria hoorde de woorden van kritiek. Haar hart beefde in haar. Zij was bevreesd, dat haar zuster haar zou berispen om haar verkwis-ting. Ook de Meester zou kunnen denken, dat zij zorgeloos was. Zij stond op het punt zich zonder verdediging of verontschuldiging stil te verwijderen.” –De Wens der Eeuwen, 486.
A. Hoe werd Simon beïnvloed door zijn eigen farizeïsche trots en door de daad van Maria en hoe oordeelde hij over Jezus?
Lukas 7:39.
“Simon, de gastheer, was onder de invloed geraakt van de kritiek van Judas op het geschenk van Maria, en hij was verwonderd over het optreden van Jezus. Zijn farizeïsche trots was gewond....
“Door Simon te genezen van zijn melaatsheid, had Christus hem van een zekere dood gered. Maar ... Omdat Christus deze vrouw toe-stond tot Hem te naderen, omdat Hij haar niet vol verontwaardiging afwees, als iemand wier zonden te groot waren om vergeven te worden, omdat Hij niet toonde, dat Hij besefte, dat zij een gevallen vrouw was, kwam Simon in de verleiding om te denken dat Hij geen profeet was.” –
B. Welke kennis over het intieme leven van Simon en Maria onthulde Jezus?
Lukas 7:40–43.
Hoe berispte Jezus Simon, en waarom?
Lukas 7:44–46.
“Hij (Simon) besefte niet, dat Gods Zoon moest handelen op Gods manier, met ontferming, tederheid en genade. Het was Simons manier om geen aandacht te schenken aan de boetvaardigheid van Maria. Haar daad, het kussen van de voeten van Christus en het zalven daarvan met mirre, verergerden zijn hardvochtigheid. Hij dacht, dat, indien Christus een profeet was, Hij zondaren zou herkennen en bestraffen…
Zoals Nathan tegenover David deed, zo verborg Christus Zijn raak antwoord onder de sluier van een gelijkenis. Hij legde Zijn gastheer de last op, zijn eigen oordeel uit te spreken. Simon had de vrouw, die hij verachtte, tot zonde gebracht. Zij was bijzonder slecht door hem behandeld. Maar Simon had het gevoel, dat hij rechtvaardiger was dan Maria, en Jezus wenste, dat hij zag, hoe groot zijn schuld werkelijk was. Hij wilde hem tonen, dat zijn schuld in werkelijkheid groter was dan de schuld van haar.” –
C. Hoe reageerden de Joden, toen Jezus zei, dat Maria’s zonden vergeven waren?
Lukas 7:48–49.
Welk effect had de gelijkenis van Christus op Simons hart?
“Simon begon zichzelf nu in een nieuw licht te zien. Hij zag nu, hoe Maria beschouwd werd door Iemand, Die meer was dan een profeet. Hij zag, dat Christus met een scherpe, profetische blik in haar hart de liefde en toewijding had gezien. Hij werd beschaamd, en besefte, dat hij in tegenwoordigheid was van Iemand, Die hoger stond dan hijzelf.” –
A. Hoe onzeker de uitkomst ons ook mag lijken, waarom worden wij aangemoedigd om openhartig te spreken met zondaars zoals Simon?
Spreuken 9:8;
Jakobus 5:20.
“Terwijl Maria een zondares was wier zonden waren vergeven, was hij een zondaar wiens zonden niet vergeven waren. De strenge regel van gerechtigheid, die hij tegen haar had willen inbrengen, veroordeelde hemzelf.
Simon was ontroerd door de zachtmoedigheid van Jezus, dat Hij hem niet openlijk voor de ogen van zijn gasten bestrafte. Hij was niet behandeld op de manier, waarop hij Maria had willen behandeld zien. Hij zag, dat Jezus niet zijn schuld aan anderen wilde openbaar ma-ken, maar door een juiste voorstelling van de zaak zijn geest trachtte te overtuigen, en door een medelijdende vriendelijkheid zijn hart te onderwerpen. Een strenge veroordeling zou Simon verhard hebben tegen berouw, maar een geduldige vermaning overtuigde hem van zijn ongelijk. Hij zag de grootheid van de schuld, die hij bij zijn Here had. Zijn hoogmoed werd vernederd, hij kreeg berouw, en de trotse Farizeeër werd een nederige, zelfopofferende discipel.” –
B. Wat zei Jezus over de daad van Maria, en welke bemoedigende woorden sprak Hij tot haar?
Matthéüs 26:12–13;
Lukas 7:50.
“Maria was beschouwd als een groot zondares, maar Christus kende de omstandigheden, die haar leven hadden gevormd. Hij had iedere vonk van hoop in haar hart kunnen uitblussen, maar Hij deed het niet. Het was Hij, die haar uit wanhoop en ondergang had opgeheven. Zevenmaal had zij gehoord, hoe Hij de boze geesten, die haar hart en haar geest beheersten, bestrafte. Zij had gehoord, hoe Hij luid tot de Vader riep om harentwille. Zij wist, hoezeer de zonde Zijn onbevlekte reinheid kwetst, en in Zijn kracht had zij overwonnen.” –
1. Hoe kan ik in mijn wandel met God de betere eigenschappen van Maria ontwikkelen?
2. Welke waarschuwing moet ik in acht nemen bij het opmerken van de houding van Judas tijdens het feest?
3. Hoe kan ik de valkuil vermijden, waarin Simons gedachten hem leidden?
4. Wanneer kunnen Christus’ woorden van troost aan Maria van toepassing zijn in mijn leven?
5. Wat moet ik leren van, hoe Jezus Simon overtuigde van zijn fout?
Vaak geassocieerd met prachtige tropische en idyllische landschappen, ligt het eiland Tahiti in Frans-Polynesië, een overzees ge-bied van Frankrijk, bestaande uit 121 eilanden met een landoppervlak van 1.359 vierkante mijlen (3.418 vierkante kilometers), ver-spreid over 1.242 vierkante mijlen (2.000 vierkante kilometers) van de zuidelijke Stille Oceaan.
Historisch gezien leidden de polytheïstische overtuigingen van de bewoners van deze vele eilanden tot vele heidense praktijken, waaronder zonaanbidding, kannibalisme en geestenaanbidding. De komst van het christendom bracht verandering door de inspan-ningen van Britse christelijke zendelingen, die in 1797 naar deze eilanden kwamen. De Fransen koloniseerden het gebied later in de late 19de eeuw. Vandaag de dag, onder de bevolking van bijna 279.000 inwoners, is 54% protestants, 38% katholiek, en de rest hangt andere geloven aan.
De Reformatieboodschap kwam in Frans-Polynesië aan in 1982 met het bezoek van broeder A. C. Sas. De eerste leden, in totaal 24 zielen, werden een jaar later gedoopt. De boodschap van het evangelie is steeds verspreid over de eilanden en sindsdien zijn er verschillende kerkelijke groepen gevormd.
Helaas heeft onze gemeente in Frans-Polynesië tot op deze dag geen eigen kerkgebouw en komen onze broeders en zusters sa-men in gehuurde gebouwen of op privéterrein van de leden. Door Gods genade werd in 2013, na veel gebed en vasten, een stuk land gevonden in het district Arue, bijna 20 kilometer van Papeete, Tahiti.
De kleine groep leden van deze gemeente hebben jarenlang zelfopofferende inspanningen geleverd door elke week vegetarische gerechten te koken en te verkopen om de aankoop van dit land mogelijk te maken. Ondanks de voorbeeldige inspanningen van onze broeders en zusters, die hard hebben gewerkt om dit land te betalen, is er een grote behoefte aan een gebouw om de bood-schap van de waarheid te helpen verspreiden in deze laatste dagen van de geschiedenis van de aarde.
Daarom doen wij een beroep op onze broeders en zusters over de hele wereld om ons vriendelijk te helpen met het verstrekken van de middelen om een gebouw op te richten in Arue, dat zal dienen als een lokale gemeente en een plaats voor seminars, kampver-gaderingen en gezondheidswerk in de hoofdstad van Frans-Polynesië.
De opbeurende woorden van 1 Kronieken 22:19 weerklinken vandaag tot ons: ‘Maakt u op, en bouwt het heiligdom van God de Heere’. Moge God u overvloedig zegenen en moge Zijn werk over de hele wereld vooruitgaan.
–Uw broeders en zusters in Frans-Polynesië