Tekst om te onthouden: “Jezus zei tot haar: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven”
Johannes 11:25
“Voor de gelovige is de dood slechts van geringe betekenis. Christus spreekt daarover alsof het een kort ogenblik is.... Voor de christen is de dood slechts een slaap, een ogenblik van stilte en duisternis. Het leven is met Christus verborgen in God.” –De Wens der Eeuwen, blz. 690.
Aanvullende studie:: -Selected Messages 1, blz. 296-300
A. Toen Martha hoorde, dat Jezus naar Bethanië zou komen, wat deed ze toen en welke overtuiging sprak ze uit?
Johannes 11:20–22.
“Onder de rouwklagende vrienden waren verwanten van de familie, van wie sommigen hoge, verantwoordelijke posities bekleedden in Jeruzalem. Onder hen bevonden zich enkelen van de bitterste vijanden van Christus. Christus kende hun bedoelingen, en daarom maakte Hij Zich niet terstond bekend. De boodschap werd zó stil aan Martha gegeven, dat de anderen in het vertrek het niet hoorden…
Martha haastte zich Jezus tegemoet, haar hart gejaagd door tegenstrijdige gevoelens. Op Zijn gelaat, dat veel te kennen gaf, las zij dezelfde tederheid en liefde, die daar altijd waren geweest. Haar vertrouwen in Hem was niet gebroken, maar zij dacht aan haar zeer geliefde broer, die bij Jezus ook was bemind geweest. Terwijl de smart opwelde in haar hart, omdat Christus niet eerder was gekomen, maar terwijl er toch hoop in haar was, dat Hij zelf nu iets zou kunnen doen om hen te vertroosten, zei ze: ‘Heer, indien Gij hier geweest waart, zou mijn broer niet gestorven zijn’. Steeds weer, te midden van het rumoer, dat gemaakt werd door de rouwklagers, hadden de zusters deze woorden herhaald.
Met menselijk en goddelijk medelijden keek Jezus in haar bedroefd, door zorgen gekwelde gelaat. Martha had niet de bedoeling het verleden op te halen; alles werd uitgedrukt door die aandoenlijke woorden: ‘Here, indien Gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet gestorven zijn’. Maar terwijl zij keek in dat liefdevolle gelaat, voegde ze eraan toe: ‘Ook nu weet ik, dat God U geven zal, al wat Gij van God begeert’.” –De Wens der Eeuwen, blz. 458-459.
A. Waarvan verzekerde Jezus Martha?
Johannes 11:23.
Wat begreep ze hierdoor?
Johannes 11:24.
“Jezus moedigde haar geloof aan met de woorden: ‘Uw broeder zal opstaan’. Zijn antwoord was niet bedoeld om hoop op te wekken op een onmiddellijke verandering. Hij droeg de gedachten van Martha uit boven een tijdelijk herstel van haar broer en richtte ze op een wederopstanding van de rechtvaardigen. Dit deed Hij, opdat zij in de opwekking van Lazarus een belofte zou zien voor de opstanding van alle rechtvaardige doden, en een verzekering dat deze zou worden bewerkt door de kracht van de Heiland.
Martha antwoordde: ‘Ik weet, dat hij zal opstaan bij de opstanding ten jongsten dage’.” –De Wens der Eeuwen, blz. 459.
B. Met welke woorden erkende Jezus Martha’s overtuiging?
Johannes 11:25;
1 Johannes 5:12.
“Nog steeds trachtend haar geloof de juiste richting te geven, verklaarde Jezus: ‘Ik ben de Opstanding en het Leven’. In Christus is het leven, oorspronkelijk echt, aan niets anders ontleend. ‘Wie de Zoon heeft, heeft het leven’ (1 Johannes 5:12). De goddelijkheid van Christus is voor de gelovige de zekerheid voor het eeuwige leven’.” –De Wens der Eeuwen, blz. 459.
C. Welke belofte is de basis van onze hoop voorbij het graf,
Johannes 5:26 (eerste deel).
en hoe verhield Martha’s overtuiging zich tot Christus’ wonder?
Johannes 11:26-27.
“Christus ziet hier vooruit op de tijd van Zijn tweede komst. Dan zullen de rechtvaardige doden onvergankelijk worden opgewekt, en de levende rechtvaardigen zullen in de hemel worden opgenomen zonder de dood te zien. Het wonder, dat Christus op het punt stond te verrichten, door Lazarus uit de dood op te wekken, zou de opwekking van al de rechtvaardige doden voorstellen. Door Zijn woord en Zijn werken verklaarde Hij, dat Hij de Bewerker van de opstanding was. Hij, die Zelf spoedig aan het kruis zou sterven, stond daar met de sleutels van de dood, een overwinnaar van het graf, en deed Zijn recht en macht om eeuwig leven te schenken gelden.” –De Wens der Eeuwen, blz. 459-460.
A. Beschrijf de daden en woorden van de diep getroffen Maria.
Johannes 11:28-32.
B. Toen Jezus Maria en enkele Joden zag huilen, wat deed Jezus toen en waarom?
Johannes 11:33-35.
“‘Toen Jezus haar dan zag wenen, en ook de Joden, die met haar meegekomen waren, zag wenen, werd Hij verbolgen in de geest en diep ontroerd’. Hij doorzag de harten van allen, die daar bijeen waren. Hij zag, dat bij velen datgene wat doorging voor een betoon van smart, slechts uiterlijke schijn was. Hij wist, dat sommigen uit het gezelschap, die nu gehuichelde smart toonden, eerlang de dood zouden beramen, niet alleen van de machtige wonderdoener, maar ook van hem, die uit de dood zou worden opgewekt. Christus had hen kunnen ontdoen van hun mantel van voorgewende smart. Maar Hij bedwong Zijn rechtvaardige verontwaardiging. De woorden, die Hij in alle waarheid had kunnen spreken, sprak Hij niet uit, ter wille van de geliefde, die in smart aan Zijn voeten knielde, en die waarlijk in Hem geloofde.
‘Waar hebt gij hem gelegd?’ vroeg Hij. Zij zeiden tot Hem: 'Here, kom en zie'. Samen liepen ze naar het graf. was een droevig schouwspel. Lazarus was zeer geliefd geweest, en zijn zusters weenden om hem met een gebroken hart, terwijl degenen, die zijn vrienden waren geweest, hun tranen vermengden met die van de diepbedroefde zusters. ‘Jezus weende’ bij het zien van dit menselijk leed en het feit, dat de getroffen vrienden konden treuren over de dode, terwijl de Heiland der wereld erbij stond. Hoewel Hij de Zoon van God was, had Hij nochtans de menselijke natuur aangenomen, en Hij werd bewogen door menselijke smart. Zijn teder, medelijdend hart wordt altijd tot medeleven gewekt door lijden. Hij weent met de wenenden, en verblijdt Zich met de blijden.” –De Wens der Eeuwen, blz. 460-461.
C. Hoe moet dit moment in Jezus’ leven een voorbeeld voor ons zijn?
Romeinen 12:15.
“Het wonderbare voorbeeld van Christus, de onmetelijke tederheid, waarmee Hij de gevoelens van anderen tegemoet komt, die weent met de wenenden en Zich verblijdt met de blijden, moet een diepe invloed hebben op het karakter van allen, die Hem in alle ernst volgen. Door vriendelijke woorden en daden zullen zij trachten het pad voor vermoeide voeten te effenen.” –De Weg tot Gezondheid, blz. 124-125.
A. Welk bevel gaf Jezus aan de mensen om Hem heen?
Johannes 11:39 (eerste deel).
Hoe reageerde Martha en wat zei Jezus tegen haar?
Johannes 11:39 (laatste deel).
“Wanneer de Here op het punt staat een werk te verrichten, brengt Satan er iemand toe om tegen te werken. ‘Neemt de steen weg’, zei Christus. Tref, voor zover dit mogelijk is, voorbereidingen voor Mijn werk. Maar Martha’s besliste en strevende geest deed zich gelden. Zij wilde niet, dat het in staat van ontbinding verkerende lichaam ten aanschouwen gebracht zou worden. Het menselijk hart is traag om het verstaan van de woorden van Christus, en het geloof van Martha had niet de volle betekenis van Zijn belofte begrepen.
“Christus berispte Martha, maar Zijn woorden werden met de uiterste zachtmoedigheid gesproken. ‘Heb Ik u niet gezegd, dat gij, indien gij gelooft, de heerlijkheid Gods zien zult?’ Waarom zou je twijfel hebben betreffende Mijn macht? Waarom zou je argumenten aanvoeren tegen Mijn eisen? Je hebt Mijn woord. Als je wilt geloven, zul je de heerlijkheid Gods zien. Natuurlijke onmogelijkheden kunnen het werk van de Almachtige niet verhinderen. Twijfelzucht en ongeloof duiden niet op nederigheid. Onvoorwaardelijk geloof in de woorden van Christus is ware nederigheid, ware zelfovergave.
‘Neemt gij de steen weg!’ Christus had de steen kunnen gebieden zich te verwijderen, en de steen zou Zijn stem hebben gehoorzaamd. Hij had de engelen, die aan Zijn zijde waren, bevel kunnen geven dit te doen. Op Zijn bevel zouden onzichtbare handen de steen hebben verwijderd. Maar de steen moest door mensenhanden worden weggenomen. Zo wilde Christus aantonen, dat de mens moet samenwerken met God. Wat menselijke kracht kan doen, wordt goddelijke kracht niet opgeroepen te doen. God handelt niet zonder de hulp van mensen. Hij geeft hun kracht en werkt met hen samen, wanneer zij de hun gegeven krachten en bekwaamheden gebruiken.” –De Wens der Eeuwen, blz. 462-463.
B. Welke woorden van Christus berispen vriendelijk ons ongeloof nu?
Johannes 11:40.
“Velen hebben echter geen levend geloof. Dit is waarom zij niet meer van de kracht van God zien. Daarom zien zij niet meer van Gods macht. Hun zwakheid is het gevolg van hun ongeloof… Zij maken plannen en bedenken dingen, maar bidden weinig en hebben weinig echt vertrouwen in God. Zij menen, dat zij geloof hebben, maar dit is slechts de impuls van een ogenblik. Omdat zij hun eigen nood niet beseffen, of niet Gods bereidwilligheid om te geven, inzien, volharden zij niet in het voorleggen van hun beden voor God.” –Lessen uit het Leven van Alledag, blz. 84.
A. Welk gebed sprak Jezus uit naast het graf?
Johannes 11:41-42.
“Aan het bevel wordt gevolg gegeven. De steen wordt afgewenteld. Alles wordt openlijk en weloverwogen gedaan. Aan allen wordt de kans gegeven te zien, dat hier geen bedrog wordt gepleegd. Daar ligt het lichaam van Lazarus in zijn rotsgraf, koud en stil in de dood. De kreten van de klaagzangers verstommen. Verbaasd en in afwachting staan de mensen rond het graf, wachtend om te zien wat gaat volgen…
Maar hier beweert Christus, dat God Zijn Vader is, en met een volmaakt vertrouwen verklaart Hij, dat Hij de Zoon van God is.” –De Wens der Eeuwen, blz. 463.
B. Met welke woorden wekte Jezus Lazarus op?
Johannes 11:43.
Wat gebeurde er onmiddellijk?
Johannes 11:44.
“Zijn (Christus’) stem, helder en doordringend, dringt door in het oor van de dode. Terwijl Hij spreekt, flitst de goddelijkheid door het menselijke heen. Op Zijn gelaat, dat verlicht is door de heerlijkheid van God, zien de mensen de verzekering van Zijn kracht. Alle ogen zijn gericht op de opening van het graf. Alle oren zijn gespannen om het minste gerucht op te vangen. Met intense en pijnlijke belangstelling wachten allen op de toets van de goddelijkheid van Christus, het bewijs, dat Zijn bewering, de Zoon van God te zijn, moet waar maken, of voor altijd de hoop zal blussen.
Er beweegt iets in het stille graf, en hij, die dood was, staat aan de ingang van de grafstede… De mens moet arbeiden voor de mens. Lazarus wordt ontbonden en staat voor de schare, niet als iemand die uitgeteerd is door ziekte en zwak en wankel in de benen is, maar als een man in de bloei van zijn leven, als een man die op het hoogtepunt van zijn kracht is. Zijn ogen stralen van bevatting en liefde voor zijn Heiland. Hij werpt zich in aanbidding aan de voeten van Jezus.” –De Wens der Eeuwen, blz. 463-464.
1. Beschrijf het vertrouwen, dat de zusters van Lazarus in Jezus hadden.
2. Wat beloofde Jezus aan Martha, aan Maria en aan alle gelovigen?
3. Waarom weende Jezus?
4. Hoe werkte de mensheid samen met de goddelijkheid in dit wonder?
5. Beschrijf de daden van Lazarus op de roeping van Jezus.