Het Evangelie volgens Johannes (Deel Een) — Sabbat, 22 februari 2025

Les 8: Jezus en de Samaritaanse vrouw

Tekst om te onthouden

Tekst om te onthouden: “Maar zo, wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven al, zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven”

Johannes 4:14

“Hij, die zijn dorst tracht te lessen aan de bronnen van deze wereld, zal slechts drinken om opnieuw dorst te krijgen. Overal zijn de mensen ontevreden. Zij verlangen naar iets, dat zal voorzien in de behoefte van de ziel. Slechts Eén kan in die nood voorzien. De behoefte van de wereld, ‘De Wens aller volken’, is Christus.” –

Aanvullende studie:: -Testimonies for the Church, vol. 4, blz. 384-387.

Zondag — 16 februari

1. JEZUS IN SICHAR

A. Waar stopten Jezus en Zijn discipelen op Zijn reis naar Galilea?

Johannes 4:6.

Johannes 4:6: En aldaar was de fontein Jakobs. Jezus dan, vermoeid zijnde van de reize, zat alzo neder nevens de fontein. Het was omtrent de zesde ure.

“Terwijl Jezus bij de bron zat, was Hij uitgeput door honger en dorst. De reis sinds de vroege morgen was lang geweest, en nu brandde de middagzon op Hem. Zijn dorst nam toe bij de gedachte aan koel, fris water, dat zo dichtbij was, maar onbereikbaar voor Hem; want Hij had geen touw en geen waterkruik, en de put was diep. Hij deelde het menselijk lot, en Hij wachtte tot er iemand zou komen om te putten.” –

B. Wie kwam er naar de bron, en welke gunst vroeg Jezus van haar, en wat moeten wij hieruit leren?

Johannes 4:7.

Johannes 4:7: Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten. Jezus zeide tot haar: Geef Mij te drinken.

“De haat tussen Joden en Samaritanen verhinderde de vrouw Jezus een gunst te verlenen; de Heiland echter trachtte de sleutel tot dit hart te vinden, en met een tact, die voortvloeide uit goddelijke liefde, vroeg Hij om een gunst, en bood er geen aan. Het aanbieden van een gunst zou misschien verworpen kunnen worden; maar vertrouwen wekt vertrouwen. De Koning der hemelen kwam tot deze verstoten ziel, en vroeg om een dienst van haar handen. Hij, Die de oceaan gemaakt heeft, Die de wateren van de grote diepte regeert, Die de bronnen en stromen der aarde deed ontspringen, rustte van Zijn vermoeidheid aan de Jakobsbron, en was afhankelijk van de gunst van een vreemdelinge om een dronk water te verkrijgen.” –

Maandag — 17 februari

2. EEN ANDER SOORT WATER

A. Hoe vestigde Jezus de aandacht van de vrouw op de gave van verlossing?

Johannes 4:10.

Johannes 4:10: Jezus antwoordde en zeide tot haar: Indien gij de gave Gods kendet, en Wie Hij is, Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, zo zoudt gij van Hem hebben begeerd, en Hij zoude u levend water gegeven hebben.

“Het water, waar Christus naar verwees, was de openbaring van Zijn genade in Zijn woord; Zijn Geest, Zijn leer, is als een bevredigende fontein voor elke ziel. Elke andere bron, waartoe zij hun toevlucht nemen, zal onbevredigend blijken te zijn. Maar het woord der waarheid is als koele stromen, voorgesteld als de wateren van Libanon, die altijd bevredigend zijn. In Christus is de volheid van vreugde voor altijd.” –Testimonies to Ministers, blz. 390.

B. Wat was de reactie van de vrouw op Christus’ aanbod?

Johannes 4:11–12.

Johannes 4:11: De vrouw zeide tot Hem: Heere! Gij hebt niet om mede te putten, en de put is diep; van waar hebt Gij dan het levend water? Johannes 4:12: Zijt Gij meerder dan onze vader Jakob, die ons den put gegeven heeft, en hijzelf heeft daaruit gedronken, en zijn kinderen en zijn vee?

“Het begrip van de vrouw bevatte de betekenis van Christus niet; zij veronderstelde, dat Hij sprak over de bron, die voor hen lag.” –The Spirit of Prophecy, vol. 2, blz. 140–141.

C. Hoe maakte Jezus onderscheid tussen het ene soort water en het andere, en hoe moet deze boodschap ook ons zegenen?

Johannes 4:13–14;

Johannes 4:13: Jezus antwoordde, en zeide tot haar: Een ieder, die van dit water drinkt, zal wederom dorsten: Johannes 4:14: Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.

Openbaring 22:17.

Openbaring 22:17: En de Geest en de Bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.

“Wij moeten liefde en dankbaarheid koesteren, wij moeten opzien naar Jezus en veranderd worden naar Zijn beeld. Het gevolg hiervan zal toegenomen vertrouwen, hoop, geduld en moed zijn. Wij zullen drinken van het water des levens, waarvan Christus sprak tot de vrouw uit Samaria. Hij zei: ‘Indien gij de gave Gods kendet, en Wie hij is, Die tot u zegt: Geef Mij te drinken; zo zoudt gij van Hem hebben begeerd, en Hij zou u levend water gegeven hebben… Een ieder, die van het water drinkt, zal weer dorsten. Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem zal geven, die zal in eeuwigheid niet dorsten, maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven’. Dit water vertegenwoordigt het leven van Christus, en elke ziel moet het hebben door in een levende verbinding met God te komen. Dan zal gezegend, nederig, dankbaar vertrouwen een blijvend beginsel in de ziel zijn. Ongelovige angst zal worden weggevaagd voor levend geloof. Wij zullen het karakter van Hem, die ons eerst liefhad, overdenken.” –Testimonies to Ministers, blz. 226.

Dinsdag — 18 februari

3. LEVEND WATER

A. Hoe liet de Samaritaanse vrouw zien, dat ze de woorden van Christus nog steeds niet begreep?

Johannes 4:15.

Johannes 4:15: De vrouw zeide tot Hem: Heere, geef mij dat water, opdat mij niet dorste, en ik hier niet moet komen, om te putten.

“De goddelijke genade, die Hij alleen kan schenken, is als levend water, dat de ziel reinigt, verfrist en versterkt.

Jezus bedoelde niet dat één enkele teug van het water des levens voldoende zou zijn voor degene, die het ontving. Hij, die de liefde van Christus gesmaakt heeft, zal voortdurend meer verlangen; maar hij zoekt niets anders. De rijkdommen, eerbewijzen en genoegens van de wereld hebben geen aantrekkingskracht voor hem. De voortdurende kreet van zijn hart luidt: Meer van U. En Hij, Die de ziel haar nood openbaart, staat gereed de honger te stillen en dorst te lessen. Alle menselijke hulpmiddelen en steun zullen falen. De bakken zullen leeg worden, poelen zullen opdrogen; maar onze Verlosser is een onuitputtelijke fontein. Wij mogen steeds weer drinken, en steeds weer nieuwe voorraad vinden. Hij, in wie Christus woont, heeft een bron van zegen binnen in zich, ‘een fontein van water dat springt ten eeuwigen leven’. Uit deze bron kan hij kracht en genade putten, voldoende voor al zijn noden.” –

B. Hoe lukt het ons vaak niet, net als de Samaritaanse vrouw en de woestijnbewoners in de Exodus, de wonderbaarlijke genade te herkennen, die van Christus stroomt?

Psalm 78:15–16,

Psalmen 78:15: Hij kliefde de rotsstenen in de woestijn, en drenkte hen overvloedig, als uit afgronden. Psalmen 78:16: Want Hij bracht stromen voort uit de steenrots, en deed de wateren afdalen als rivieren.

Psalmen 78:19–20 (eerste deel);

Psalmen 78:19: En zij spraken tegen God, zij zeiden: Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn?

Psalmen 114:7–8.

Psalmen 114:7: Beef, gij aarde! voor het aangezicht des Heeren, voor het aangezicht van den God Jakobs; Psalmen 114:8: Die den rotssteen veranderde in een watervloed, den keisteen in een waterfontein.

“Mozes sloeg de rots, maar het was de Zoon van God, die, gehuld in de wolkkolom, naast Mozes stond en het leven gevend water deed vloeien. Niet alleen Mozes en de oudsten, maar heel de vergadering, die van verre stond, aanschouwde de heerlijkheid des Heren; maar zou de wolk zijn weggenomen, dan waren ze gedood door de verschrikkelijke heerlijkheid van Hem, die daarin woonde.” –Patriarchen en Profeten, blz. 263.

“Christus’ genadige aanwezigheid in Zijn woord spreekt altijd tot de ziel, en vertegenwoordigt Hem als de bron van levend water om de dorstige ziel te verfrissen. Het is ons voorrecht om een levende, blijvende Verlosser te hebben. Hij is de bron van geestelijke kracht, die in ons is geplant, en Zijn invloed zal in woorden en daden uitstromen, allen binnen de sfeer van onze invloed verfrissen, in hen verlangens en aspiraties opwekken voor kracht en zuiverheid, voor heiligheid en vrede, en voor die vreugde die geen verdriet met zich meebrengt. Dit is het gevolg van een inwonende Heiland.” –Testimonies to Ministers, blz. 390.

Woensdag — 19 februari

4. JEZUS BEGINT ZIJN IDENTITEIT TE ONTHULLEN

A. Welk nieuw onderwerp introduceerde Jezus in Zijn gesprek met de Samaritaanse vrouw, en hoe reageerde zij?

Johannes 4:16–17 (eerste deel).

Johannes 4:16: Jezus zeide tot haar: Ga heen, roep uw man, en kom hier.

“Nu gaf Jezus een scherpe wending aan het gesprek. Voordat deze ziel de gave kon ontvangen, die Hij zo gaarne wilde schenken, moest ze ertoe gebracht worden haar zonden te erkennen en in Hem haar Heiland te zien. Hij ‘zeide tot haar: Ga heen, roep uw man en kom hier’. Ze antwoordde: ‘Ik heb geen man’. Op deze wijze hoopte zij alle vragen in die richting te voorkomen.” –

B. Hoe vulde Jezus haar antwoord aan, en wat herinnert ons dit aan alles wat Hij weet over ieder van ons?

Johannes 4:17 (laatste deel)

[John.4.17.b]

Johannes 4:-18;

[John.4]

Psalm 139:7–8,

Psalmen 139:7: Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht? Psalmen 139:8: Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar.

Psalmen 139:11–12.

Psalmen 139:11: Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken; dan is de nacht een licht om mij. Psalmen 139:12: Ook verduistert de duisternis voor U niet; maar de nacht licht als de dag; de duisternis is als het licht.

“De grootheid van God is voor ons ondoorgrondelijk. ‘De Heere heeft in de hemel Zijn Troon’ (Psalm 11:4); en toch is Hij door Zijn Geest overal aanwezig. Hij heeft een nauwkeurige kennis van, en een persoonlijke belangstelling in, al de werken van Zijn hand.” –

“Hemelse engelen doorzoeken het werk, dat in onze handen gelegd wordt; en waar sprake is van afwijking van de beginselen van eerlijkheid, wordt in de registers ‘Gebrekkig, onvoldoende’ geschreven.” –Hoe Leid Ik Mijn Kind, blz. 179.

“Gods wet dringt door tot de gevoelens en drijfveren, zowel als naar de uiterlijke daden. De wet openbaart de verborgenheden van het hart, door licht te werpen op zaken, die in duisternis waren begraven. God kent elke gedachte, elke doelstelling, elk plan, iedere drijfveer. De hemelse boeken vermelden de zonden, die bedreven zouden zijn, als er gelegenheid was geweest. God zal ieder werk in het gericht brengen, met al wat verborgen is. Zijn wet is de maatstaf voor het karakter van alle mensen. Zoals de kunstenaar de gelaatstrekken op het doek overbrengt, zo worden de individuele karaktertrekken overgebracht naar de hemelse boeken. God heeft een volmaakt beeld van het karakter van ieder mens, en dit beeld vergelijkt Hij met Zijn wet. Hij openbaart aan de mens de gebreken, die zijn leven ontsieren, en roept hem op zich te bekeren en zich van de zonde af te wenden.” –Bijbelkommentaar, blz. 314–315.

Donderdag — 20 februari

5. JEZUS OPENBAART ZICHZELF ALS DE VERLOSSER

A. Wat besefte de vrouw bij de bron uiteindelijk over Jezus?

Johannes 4:19.

Johannes 4:19: De vrouw zeide tot Hem: Heere, ik zie, dat Gij een profeet zijt.

Was deze erkenning voldoende?

“De toehoorster beefde. Een geheimzinnige hand sloeg de bladzijden van haar levensgeschiedenis om, en bracht naar voren, wat zij hoopte, dat voor altijd verborgen zou blijven. Wie was Hij, dat Hij de geheimen van haar leven kon lezen? Gedachten aan de eeuwigheid kwamen bij haar op, aan het toekomstig oordeel, wanneer alles, wat nu verborgen is, openbaar zal worden. In het licht daarvan werd haar geweten wakker.

Ze kon niets ontkennen; maar ze trachtte te vermijden, dat een onderwerp, dat zo onwelkom was, ook maar aangeroerd zou worden. Met diepe eerbied zei ze: ‘Here, ik zie, dat Gij een profeet zijt’. En in de hoop haar schuldbesef tot zwijgen te brengen, begon ze godsdienstige geschilpunten aan te halen. Wanneer dit een profeet was, zou Hij haar zeker aanwijzingen kunnen geven betreffende deze zaken, waarover men reeds zolang redetwistte.” –

B. Toen de vrouw hoop uitte in de komst van de Messias, wat zei Jezus tegen haar?

Johannes 4:25–26.

Johannes 4:25: De vrouw zeide tot Hem: Ik weet, dat de Messias komt (Die genaamd wordt Christus); wanneer Die zal gekomen zijn, zo zal Hij ons alle dingen verkondigen. Johannes 4:26: Jezus zeide tot haar: Ik ben het, Die met u spreek.

“De uitnodiging van het evangelie moet niet beperkt worden tot, en moet niet gegeven worden aan alleen maar een bepaald aantal uitverkorenen, die, naar we veronderstellen, ons zullen eren, wanneer zij het aannemen. De boodschap moet aan allen gegeven worden. Overal waar harten openstaan voor de waarheid, staat Christus gereed hen te onderwijzen. Hij openbaart hun de Vader en de wijze van aanbidden, die aannemelijk is voor Hem, Die het hart doorzocht. Voor dezulken gebruikt Hij geen gelijkenissen. Tegen hen, evenals tot de vrouw aan de bron, zegt Hij: ‘Ik, Die met u spreek, ben het’. ” –

Vrijdag — 21 februari

Terugblik

1. Waarom heeft Jezus nooit een wonder voor Zichzelf verricht?

2. Welke hulpbron gebruikte Jezus om de Samaritaanse vrouw naar het evangelie te leiden?

3. Wat zei de Meester over het water des levens?

4. Waarom noemde Christus het persoonlijke leven van de Samaritaanse vrouw?

5. Noem een belofte, die verband houdt met de komst van de Messias.