Het Evangelie volgens Johannes (Deel Een) — Sabbat, 25 januari 2025

Les 4: Jezus in de tempel

Tekst om te onthouden

Tekst om te onthouden: “Maar de Heere is in Zijn heilige tempel. Zwijg voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde”

Habakuk 2:20

“De kerk en de directe omgeving ervan moeten omgeven zijn met een heilige eerbied.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 404.

Aanvullende studie:: -Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 401-409.

Zondag — 19 januari

1. DE TEMPEL VERONTREINIGD

A. Beschrijf de situatie, die heerste in de tempel van Jeruzalem aan het begin van Christus’ openbare bediening.

Johannes 2:13–14.

Johannes 2:13: En het pascha der Joden was nabij, en Jezus ging op naar Jeruzalem. Johannes 2:14: En Hij vond in den tempel, die ossen, en schapen, en duiven verkochten, en de wisselaars daar zittende.

“Van iedere Jood werd geëist, dat hij ieder jaar een halve sikkel betaalde als ‘een zoengeld voor zijn leven’… Bovendien werden er grote bedragen gebracht als vrijwillige offeranden, om in de schatkist te worden gestort. En het was vereist, dat iedere vreemde munt gewisseld zou worden voor een munt, die de tempelsikkel heette, en die werd aangenomen voor de dienst van het heiligdom. Het wisselen van het geld gaf gelegenheid tot bedrog en afpersing, en het was uitgegroeid tot een schandelijk bedrijf, dat een bron van inkomsten voor de priesters vormde.

De verkopers vroegen buitensporig hoge prijzen voor de dieren, die verkocht werden, en deelden de winst met de priesters en oversten, die zich op deze wijze verrijkten ten koste van het volk.” –

B. Hoe beïnvloedde dit de tempeldiensten?

Ezechiël 22:26 (laatste deel).

[Ezek.22.26.b]

“Een groot aantal offeranden werd gebracht in de tijd van het Pascha, en de verkoop in de tempel was zeer groot. De verwarring, die daaruit voortkwam, deed meer denken aan een rumoerige veemarkt dan aan de heilige tempel Gods. Men kon er luisteren naar het loven en bieden, naar het geloei van het vee, het blaten der schapen, het koeren van de duiven, en dit alles was vermengd met het rinkelen van munten en met boze onderhandelingen. De verwarring was zó groot, dat de tempelgangers gestoord werden en de woorden, die gericht waren aan de Allerhoogste, verloren gingen in het lawaai, dat de tempel binnendrong.” –

Maandag — 20 januari

2. EERBIED IN HET HUIS VAN GOD

A. Hoe beschouwt God de plaats, waar Hij Zijn tegenwoordigheid toont, en wat was Zijn eerste richtlijn op de berg Sinaï?

Exodus 3:1–5;

Exodus 3:1: En Mozes hoedde de kudde van Jethro, zijn schoonvader, de priester in Midian; en hij leidde de kudde achter de woestijn, en hij kwam aan den berg Gods, aan Horeb. Exodus 3:2: En de Engel des HEEREN verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van een braambos; en hij zag, en ziet, het braambos brandde in het vuur, en het braambos werd niet verteerd. Exodus 3:3: En Mozes zeide: Ik zal mij nu daarheen wenden, en bezien dat grote gezicht, waarom het braambos niet verbrandt. Exodus 3:4: Toen de HEERE zag, dat hij zich daarheen wendde, om te bezien, zo riep God tot hem uit het midden van het braambos, en zeide: Mozes, Mozes! En hij zeide: Zie, hier ben ik! Exodus 3:5: En Hij zeide: Nader hier niet toe; trek uw schoenen uit van uw voeten; want de plaats, waarop gij staat, is heilig land.

Exodus 19:12–13.

Exodus 19:12: En bepaal het volk rondom, zeggende: Wacht u op den berg te klimmen, en deszelfs einde aan te roeren; al wie den berg aanroert, zal zekerlijk gedood worden. Exodus 19:13: Geen hand zal hem aanroeren, maar hij zal zekerlijk gestenigd, of zekerlijk doorschoten worden; hetzij een beest, hetzij een man, hij zal niet leven. Als de ramshoorn langzaam gaat, zullen zij op den berg klimmen.

“Toen de Heere nederdaalde op de berg Sinaï, werd de plaats geheiligd door Zijn tegenwoordigheid… Zo leerden ze de les dat, waar God Zijn tegenwoordigheid openbaart, de plaats heilig is.” –

B. Hoe reageerde Christus op de ontheiliging van de tempel?

Johannes 2:15–16.

Johannes 2:15: En een gesel van touwtjes gemaakt hebbende, dreef Hij ze allen uit den tempel, ook de schapen en de ossen; en het geld der wisselaren stortte Hij uit, en keerde de tafelen om. Johannes 2:16: En Hij zeide tot degenen, die de duiven verkochten: Neemt deze dingen van hier weg; maakt niet het huis Mijns Vaders tot een huis van koophandel.

“Toen Jezus naar de tempel kwam, aanschouwde Hij dat hele toneel. Hij zag de oneerlijke zaken, die gedaan werden. Hij zag de ellende van de armen, die meenden, dat er zonder bloedstorting geen vergeving voor hun zonden kon zijn. Hij zag de buitenhof van Zijn tempel veranderd in een plaats van onheilig zakendoen. Het heilige gebied was één grote koopmansbeurs geworden.” –

“Terwijl Hij langzaam de trappen afdaalt en de zweep van touw, die hij bijeengebonden heeft, toen Hij de ruimte binnenkwam, opheft, geeft Hij de groep onderhandelaars bevel het gebied van de tempel te verlaten. Met een vuur en strengheid, die Hij nooit eerder aan de dag heeft gelegd, werpt Hij de tafels van de geldwisselaars omver. De munten vallen met veel gerinkel op het marmeren plaveisel. Niemand durft te blijven staan om zijn op oneerlijke wijze verkregen winst te verzamelen. Jezus slaat hen niet met de zweep van touw, maar in Zijn hand schijnt die eenvoudige gesel even verschrikkelijk als een vlammend zwaard. Tempeldienaars, berekenende priesters, handelaars en vee verkopers haasten zich samen met hun schapen en runderen weg van die plaats, met alleen nog in hun hart de gedachte te ontkomen aan de veroordeling van Zijn aanwezigheid.” –

C. Wat betekende Christus’ handeling bij het reinigen van de tempel? Maleáchi 3:1–3.

“De voorhoven van de tempel in Jeruzalem, die vol waren van het rumoer van onheilig zakendoen, gaven maar al te juist een voorstelling van het hart, dat bezoedeld was door de aanwezigheid van zinnelijke hartstochten en onheilige gedachten. Door de tempel te reinigen van kopers en verkopers, verklaarde Jezus, dat Hij gekomen was om het hart te reinigen van de bezoedeling der zonde, van aardse verlangens, de zelfzuchtige begeerten en slechte gewoonten, die de ziel verontreinigen.” –

Dinsdag — 21 januari

3. DE TEGENWOORDIGHEID VAN GOD

A. Wat was Gods oorspronkelijke doel bij het vestigen van Zijn heiligdom onder Zijn volk?

Exodus 25:8.

Exodus 25:8: En zij zullen Mij een heiligdom maken, dat Ik in het midden van hen wone.

“Die tempel, die was opgericht als woonplaats van de goddelijke Aanwezigheid, was bedoeld als een aanschouwelijke les voor Israël en voor de wereld. Van eeuwigheid af was het Gods bedoeling, dat elk geschapen wezen, vanaf de heerlijke, heilige seraf tot de mens toe, een tempel zou zijn, waarin de Schepper zou wonen.” –

B. Waarom worden gelovigen de tempel van God genoemd, en hoe moeten wij van ganser harte de heiligheid van deze tempel handhaven?

1 Korinthe 3:16–17;

1 Korinthe 3:16: Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt, en de Geest Gods in ulieden woont? 1 Korinthe 3:17: Zo iemand den tempel Gods schendt, dien zal God schenden; want de tempel Gods is heilig, welke gij zijt.

Jesaja 57:15.

Jesaja 57:15: Want alzo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien, die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden.

“Door de zonde was de mensheid niet langer een tempel voor God. Verduisterd en bezoedeld door het boze, openbaarde het hart van de mens niet langer de heerlijkheid van de Goddelijke. Maar door de vleeswording van de Zoon van God is het doel van de Hemel bereikt. God woont in het mensdom, en door de reddende genade wordt het hart van de mens opnieuw Zijn tempel.” –

“Als wij geloven, dat het einde van alle dingen nabij is, hoedanig hoort gij dan te zijn in heilige wandel en godsvrucht?

Iedere ziel, die de waarheid echt gelooft, zal zich overeenkomstig gedragen. Iedereen zal oprecht zijn en serieus, en onvermoeibaar in zijn inzet om zielen voor Christus te winnen. Als de waarheid eerst diep geplant is in hun eigen ziel, zullen zij die ook willen planten in het hart van anderen. De waarheid wordt in alle opzichten te veel buiten het leven gehouden. Breng haar in het binnenste van de zielentempel, geef haar een plaats op de troon van het hart, en laat haar het leven beheersen. Het woord van God moet bestudeerd en gehoorzaamd worden, dan zal het hart rust en vrede en vreugde vinden, en men zal op de hemel gericht zijn, maar wanneer de waarheid buiten het leven wordt gehouden, dan wordt het hart niet verwarmd door het gloeiende vuur van Gods goedheid.

De godsdienst van Jezus wordt door velen gereserveerd voor bepaalde dagen of bijzondere gelegenheden, en daarbuiten wordt ze opzij gelegd en genegeerd. De duurzame principes van de waarheid zijn niet enkel voor een paar uur op Sabbat, of voor enkele daden van liefdadigheid, maar ze moeten in het hart aanwezig zijn, waar ze het karakter kunnen verfijnen en heiligen.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 446.

Woensdag — 22 januari

4. HET ZUIVEREN VAN DE LEVENDE TEMPEL

A. Wat moeten we beseffen over onze hulpeloze toestand bij het proberen de tempel te zuiveren?

Jeremia 2:22;

Jeremia 2:22: Want, al wiest gij u met salpeter, en naamt u veel zeep, zo is toch uw ongerechtigheid voor Mijn aangezicht getekend, spreekt de Heere HEERE.

Job 14:4.

Job 14:4: Wie zal een reine geven uit den onreine? Niet een.

“Niemand kan uit zichzelf de boze menigte, die bezit heeft genomen van het hart, uitwerpen.” –

B. Wat is het geheim om in staat te zijn om voor een heilige God te staan met een gereinigd hart?

Ezechiël 36:25–27;

Ezechiël 36:25: Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen. Ezechiël 36:26: En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven. Ezechiël 36:27: En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen.

Zacharia 3:3–5.

Zacharia 3:3: Josua nu was bekleed met vuile klederen, als hij voor het aangezicht des Engels stond. Zacharia 3:4: Toen antwoordde Hij, en sprak tot degenen, die voor Zijn aangezicht stonden, zeggende: Doet deze vuile klederen van hem weg. Daarna sprak Hij tot hem: Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen, en Ik zal u wisselklederen aandoen. Zacharia 3:5: Dies zeg Ik: Laat ze een reinen hoed op zijn hoofd zetten. En zij zetten dien reinen hoed op zijn hoofd, en zij togen hem klederen aan; en de Engel des HEEREN stond daarbij.

“Jakob was schuldig aan een grote zonde in zijn gedrag jegens Ezau; maar hij had berouw gehad. Zijn overtreding werd vergeven en zijn zonde uitgewist; daarom kon hij de openbaring van Gods tegenwoordigheid doorstaan. Doch steeds wanneer de mensen voor God kwamen, terwijl zij opzettelijk de zonde koesterden, werden ze vernietigd. Bij de tweede komst van Christus zullen de goddelozen verteerd worden ‘door de adem Zijns monds’ en vernietigd ‘door Zijn verschijning, als Hij komt’ (2 Thessalonicensen 2:8). Het licht van de heerlijkheid van God, dat leven geeft aan de rechtvaardigen, zal de goddelozen doden.

In de tijd van Johannes de Doper stond Christus op het punt te verschijnen als Degene, Die het karakter van God zou openbaren. Alleen al Zijn aanwezigheid zou aan de mensen hun zonden openbaar maken. Alleen wanneer ze gewillig waren om van de zonde gereinigd te worden, konden ze gemeenschap met Hem hebben. Alleen de reinen van hart konden in Zijn tegenwoordigheid vertoeven.” –

“Alleen Christus kan de tempel der ziel reinigen. Maar Hij zal niet met geweld binnendringen. Hij komt niet in het hart als in de oude tempel; maar Hij zegt: ‘Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Indien iemand naar Mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen’ (Openbaring 3:20). Hij zal niet alleen maar voor één dag komen; want Hij zegt: ‘Ik zal onder hen wonen en wandelen; … en zij zullen Mijn volk zijn’. ‘Hij zal onze ongerechtigheden vertreden. Ja, Gij zult al onze zonden werpen in de diepten der zee’ (2 Korinthe 6:16; Micha 7:19). Zijn tegenwoordigheid zal de ziel reinigen en heiligen, opdat ze een heilige tempel mag zijn voor de Heere, en ‘een woonstede Gods in de Geest’ (Efeze 2:21–22.” –

“Terwijl Jezus dienst doet in het heiligdom hierboven, dient Hij door Zijn Geest nog steeds de gemeente op aarde.” –

Donderdag — 23 januari

5. HET ZUIVEREN VAN DE TEMPEL NU

A. Hoe houdt God de leiders van Zijn volk verantwoordelijk om ijverig de heiligheid van Zijn huis te handhaven?

Habakuk 2:20;

Habakuk 2:20: Maar de HEERE is in Zijn heiligen tempel. Zwijg voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde!

Ezechiël 44:23.

Ezechiël 44:23: En zij zullen Mijn volk onderscheid leren tussen het heilige en onheilige, en hun bekend maken het onderscheid tussen het onreine en reine.

“Gods tempel had daarom als heilig beschouwd moeten worden. Maar in het streven naar winst verloor men dit alles uit het oog.

De priesters en oversten waren geroepen om de vertegenwoordigers van God bij het volk te zijn; zij hadden de verkeerde gebruiken in de voorhof van de tempel moeten tegengaan. Zij hadden het volk een voorbeeld behoren te geven van onkreukbaarheid en mededogen.” –

“Het is maar al te waar, dat eerbied voor het huis van God bijna verdwenen is. Geheiligde dingen en plaatsen onderscheidt men niet meer; en er is geen waardering voor het heilige en verhevene… God heeft aan Zijn oude volk regels gegeven voor volmaakte en nauwkeurige orde. Is Zijn karakter veranderd? Is Hij niet de grote en machtige God, die de hemel der hemelen regeert? Zouden wij niet beter af zijn, als wij eens wat vaker de aanwijzingen zouden lezen, die God Zelf aan de Hebreeën gegeven heeft, zodat wij, op wie het licht van de heerlijke waarheid schijnt, hun eerbied voor het huis van God kunnen navolgen?” ­–Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 405.

B. Leg de essentiële overwinning uit, die behaald moet worden in de kracht van Christus.

Matthéüs 5:8;

Mattheüs 5:8: Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien.

1 Johannes 3:1–3.

1 Johannes 3:1: Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden. Daarom kent ons de wereld niet, omdat zij Hem niet kent. 1 Johannes 3:2: Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. 1 Johannes 3:3: En een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is.

“Ik roep iedereen op, die beweert een zoon van God te zijn, om deze grote waarheid nooit te vergeten, dat we de Geest van God in ons nodig hebben om de hemel te bereiken, en het werk van Christus zonder ons recht te geven op de onsterfelijke erfenis.” –Testimonies to Ministers, blz. 442.

Vrijdag — 24 januari

Terugblik

1. Wie waren de leiders van de onrechtvaardige handel in de tempel?

2. Welke houding moet iemand aannemen, die voor God verschijnt?

3. Leg uit, welke geestelijke betekenis de tempel in Jeruzalem moest hebben.

4. Wat verklaarde Christus, toen Hij de tempel reinigde?

5. Hoe alleen kan ons gebrekkige menselijke hart gereinigd worden?