Tekst om te onthouden: “Maar wilt gij weten, o ijdel mens, dat het geloof zonder de werken dood is?”
Jakobus 2:20
“Hoewel goede werken zelfs niet één ziel zullen redden, is het toch onmogelijk, dat zelfs maar één ziel gered wordt zonder goede werken.” –Faith and Works, blz. 111.
Aanvullende studie:: -Eerste Geschriften, blz. 268-272;; 324-328.
A. Waarom is het absoluut essentieel om in volledige harmonie te leven met het geloof, dat we belijden?
1 Korinthe 4:9;
1 Johannes 5:3;
Jakobus 2:14.
“Laat niemand zichzelf misleiden door te geloven, dat men heilig kan worden, terwijl men opzettelijk één van Gods geboden overtreedt. Als men willens en wetens zondigt, legt men de stem van de Geest het zwijgen op en brengt men scheiding tussen zichzelf en God.” –De Grote Strijd, blz. 437.
“Het getuigenis van iemands leven verkondigt de wereld, of hij al dan niet trouw is aan het geloof, dat hij belijdt. Uw gedrag doet afbreuk aan Gods wet in de ogen van uw wereldse vrienden. Dat zegt hun: ‘Gij moogt de geboden al of niet gehoorzamen. Ik geloof, dat de wet van God in zekere zin bindend is voor de mensen; maar per slot van rekening neemt de Heere het niet zo nauw met strikte waarneming van haar geboden, en komt een overtreding eens voor, dan treedt Hij daar Zijnerzijds niet zo streng tegen op.’
Velen verontschuldigen zich ten aanzien van Sabbatsschending door te verwijzen naar een voorbeeld. Zij beweren dat,wanneer zo’n goed mens, die gelooft dat de zevende dag de Sabbat is, zich op die dag kan bezighouden met wereldse zaken en wanneer omstandigheden dat schijnen te vereisen, zij hetzelfde kunnen doen zonder daarvoor veroordeeld te worden. Vele zielen zullen in het oordeel met u van aangezicht tot aangezicht staan en zullen uw invloed als excuus voor hun ongehoorzaamheid tegenover Gods wet aanvoeren. Hoewel dit niet als een verdediging van hun zonden zal beschouwd worden, zo zal dit toch op vreselijke wijze tegen u getuigen.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 1, blz. 515–516.
A. Welk voorbeeld geeft Jakobus om de huichelarij van lege praatjes zonder daden te illustreren?
Jakobus 2:15–17.
“De meest welsprekende preek, die over de wet van de Tien Geboden kan worden gehouden, is door deze te doen. Gehoorzaamheid moet een persoonlijke plicht worden. Het nalaten van deze plicht is een in het oog springende zonde. God legt ons niet alleen verplichtingen op om de hemel zelf veilig te stellen voor ons, maar om het ook als een bindende plicht te voelen om anderen de weg te wijzen en, door onze zorg en belangeloze liefde, degenen tot Christus te leiden, die binnen de sfeer van onze invloed komen. De bijzondere afwezigheid van principes, dat de levens van vele belijdende christenen kenmerkt, is alarmerend. Hun veronachtzaming van Gods wet ontmoedigt degenen, die de heilige aanspraken ervan erkennen, en heeft de neiging degenen van de waarheid af te keren, die anders deze zouden aannemen.” –Testimonies for the Church, vol. 4, blz. 58.
B. Wat betekent oprecht geloof in Christus werkelijk?
Jakobus 2:18;
Matthéüs 6:24.
“God heeft gesproken en het is Zijn bedoeling, dat de mens zal gehoorzamen. Hij vraagt Zich niet af, of het Hem nu wel schikt om zo te doen. De Heere des levens en der heerlijkheid ging niet te rade, of het Hem nu wel schikte of paste, toen Hij Zijn verheven plaats verliet om een Man van smarten te worden, verzocht in krankheden, Zich onderwerpende aan schande en dood om de mens te bevrijden van de consequentie van zijn ongehoorzaamheid. Jezus stierf, niet om de mens te verlossen in zijn zonden, maar van zijn zonden. De mens moet de dwaling zijns wegs loslaten, het voorbeeld van Christus volgen, zijn kruis op zich nemen en Hem navolgen, door het eigen-ik te verzaken en God te gehoorzamen, wat het ook koste…
Wanneer we trouwe dienstknechten Gods zijn, dan zullen we ons niet afvragen, of we nu Zijn geboden zullen gehoorzamen, of dat we rekening zullen houden met onze eigen tijdelijke belangen. Wanneer de gelovigen in de waarheid niet geschraagd worden door hun geloof in deze betrekkelijk vredevolle tijd, wat zal hen dan staande houden, wanneer de grote beproeving komt en het decreet uitgaat tegen allen, die het beeld van het beest niet willen aanbidden, noch zijn merkteken aan hun voorhoofd of aan hun hand zullen ontvangen? Die indrukwekkende periode is niet ver af. In plaats van zwak en aarzelend te worden, moet het volk Gods kracht en moed verzamelen voor de tijd der benauwdheid.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 1, blz. 516–517.
A. Voor welke ernstige geestelijke toestand worden wij plechtig gewaarschuwd?
Jakobus 2:19.
“Velen geven toe, dat Jezus Christus de Verlosser van de wereld is, maar tegelijkertijd houden zij zich van Hem weg en slagen er niet in berouw te hebben van hun zonden, en slagen er niet in Jezus als hun persoonlijke Verlosser aan te nemen. Hun geloof is eenvoudigweg de instemming van de geest en het oordeel over de waarheid; maar de waarheid wordt niet in het hart gebracht, zodat zij de ziel zou kunnen heiligen en het karakter zou kunnen veranderen.” –Selected Messages, bk. 1, blz. 389–390.
“U kunt de hele waarheid geloven; maar als de beginsels ervan niet in uw leven worden uitgevoerd, zal uw verklaring u niet redden. Satan gelooft en beeft. Hij werkt. Hij weet. dat zijn tijd kort is, en dat hij in grote macht is neergedaald om zijn kwade werken te doen in overeenstemming met zijn geloof. Maar Gods belijdende volk ondersteunt hun geloof niet door hun werken. Zij geloven in de kortheid van de tijd, maar grijpen toch net zo gretig naar de goederen van deze wereld, alsof de wereld duizend jaar zou blijven bestaan, zoals zij nu is.” –Testimonies for the Church, vol. 2, blz. 161.
B. Hoe kunnen wij gemotiveerd worden door het voorbeeld van Abraham?
Romeinen 4:1–3;
Jakobus 2:20–22.
“Abraham geloofde God. Hoe weten wij, dat hij geloofde? Zijn werken getuigden van de aard van zijn geloof, en zijn geloof werd hem tot rechtvaardigheid gerekend.
Wij hebben het geloof van Abraham nodig in onze dagen, om het duister, dat zich om ons heen verdicht, dat het lieflijke zonlicht van Gods liefde buitensluit en de geestelijke groei tegenhoudt, te verlichten… Elke verrichte plicht, elk offer dat in de naam van Jezus is gebracht, heeft een uitnemend groot loon. Zelfs in het vervullen van de plicht spreekt God en geeft Zijn zegen.” –Bijbelkommentaar, blz, 603–604.
“Mensen worden gerechtvaardigd door geloof, maar beoordeeld en beloond naar hun werken.” –The Signs of the Times, 20 november 1884.
“De gerechtigheid van Christus bestaat uit goede daden en goede werken vanuit zuivere, onzelfzuchtige motieven.” –Testimonies for the Church, vol. 3, blz. 528.
‘Het onderhouden van de geboden van God vereist van ons goede werken, zelfverloochening, zelfopoffering en toewijding voor het welzijn van anderen, niet dat onze goede werken alleen ons kunnen redden, maar dat we zeker niet gered kunnen worden zonder goede werken. Nadat we alles hebben gedaan, waartoe we in staat zijn, moeten we zeggen: we hebben niet meer gedaan dan onze plicht, en zijn op zijn best onrendabele dienaren, die de kleinste gunst van God onwaardig zijn. Christus moet onze gerechtigheid zijn en de kroon van onze vreugde.” –Testimonies for the Church, vol. 3, blz. 526.
A. Leg uit, hoe het patroon van Abrahams leven weerspiegeld moet worden in ons eigen leven als gelovigen in Christus.
Genesis 26:5;
Jakobus 2:23–24.
“Goede werken zijn de vruchten van geloof. Terwijl God in het hart werkt, en de mens zijn wil aan God overgeeft en met God samenwerkt, brengt hij in het leven tot uiting, waar God door de Heilige Geest in werkt, en is er harmonie tussen het doel van het hart en de praktijk van het leven. Elke zonde moet verworpen worden als iets hatelijks, dat de Heer van leven en heerlijkheid kruisigde, en de gelovige moet een voortschrijdende ervaring hebben door voortdurend de werken van Christus te doen. Het is door voortdurende overgave van de wil, door voortdurende gehoorzaamheid, dat de zegen van de rechtvaardiging behouden blijft.
Degenen, die gerechtvaardigd zijn door geloof, moeten een hart hebben om de weg van de Heer te volgen. Het is een bewijs, dat een mens niet gerechtvaardigd wordt door geloof, als zijn werken niet overeenkomen met zijn belijdenis. Jakobus zegt: ‘Ziet gij wel, dat het geloof mede gewerkt heeft met zijn werken,en het geloof volmaakt is geweest uit de werken?’ (Jakobus 2:22).
Het geloof, dat geen goede werken voortbrengt, rechtvaardigt de ziel niet.” –Selected Messages, bk. 1, blz. 397.
B. Waarom kunnen allen, die nu getuigen aan de heidenen, bemoedigd worden door de manier, waarop Rachab, de hoer, wordt aangehaald als degene die God rechtvaardigde?
Jakobus 2:25;
Hebreeën 11:31.
“In het goddeloze Jericho getuigde een heidense vrouw: ‘De Heere, uw God, is een God in de hemel boven en op de aarde beneden’ (Jozua 2:11). Het kennen van de Heere, dat ze op deze wijze te weten was gekomen, bleek haar behoud te zijn… Haar bekering was geen afzonderlijk geval van Gods barmhartigheid jegens afgodendienaars, die Zijn goddelijk gezag hadden erkend.” –Profeten en Koningen, blz. 227.
“Allen die zich evenals Rachab de kanaänitische en Rut de Moabitische van hun afgodendienst zouden afwenden naar het aanbidden van de ware God, moesten zich verenigen met zijn uitverkoren volk.” –Lessen uit het Leven van Alledag, blz. 176.
“Er moet een groot werk worden gedaan in onze steden, en de velden zijn allemaal rijp voor de oogst. Onze aandacht zal van alle kanten getrokken worden, want berouwvolle zielen in zowel christelijke als heidense landen zullen hun stem verheffen om hulp. Er moet geen enkel stukje zelfverheffing zijn; uw enige veiligheid is vertrouwen op God.” –The General Conference Bulletin, 1 april 1895.
A. Leg uit, hoe we de overwinning in Christus kunnen behalen.
Jakobus 2:26;
2 Petrus 1:3–4.
“Het is van belang om geloof in Jezus te hebben en te geloven, dat u door Hem gered bent; maar er schuilt gevaar in het innemen van het standpunt, dat velen innemen als ze zeggen: ‘Ik ben gered’. Velen hebben gezegd: ‘U moet goede werken doen, en u zult leven’; maar buiten Christus kan niemand goede werken doen. Velen zeggen tegenwoordig: ‘Geloof, geloof alleen en leef’. Geloof en werken gaan samen, geloven en doen zijn vermengd. De Heer verlangt nu niet minder van de ziel dan Hij van Adam in het Paradijs verlangde, voordat hij viel: volmaakte gehoorzaamheid, onberispelijke gerechtigheid. De eis van God onder het verbond der genade is net zo breed als de eis, die Hij in het Paradijs stelde: harmonie met Zijn wet, die heilig, rechtvaardig en goed is… Laat niemand zich bezighouden met de waanvoorstelling, die zo aangenaam is voor het natuurlijke hart, dat God oprechtheid zal aanvaarden, ongeacht wat het geloof mag zijn, ongeacht hoe onvolmaakt het leven ook mag zijn. God verlangt van Zijn kind volmaakte gehoorzaamheid.
Om aan de vereisten van de wet te voldoen, moet ons geloof de gerechtigheid van Christus grijpen, het aannemen als onze gerechtigheid. Door vereniging met Christus, door aanvaarding van Zijn gerechtigheid door geloof, kunnen wij gekwalificeerd worden om de werken van God te verrichten, om medewerkers van Christus te zijn. Als u bereid bent mee te drijven met de stroom van het kwaad, en niet meewerkt met de hemelse machten om overtredingen in uw gezin en in de gemeente tegen te gaan, zodat eeuwige gerechtigheid kan worden ingevoerd, dan heeft u geen geloof. Geloof werkt door liefde en zuivert de ziel. Door geloof werkt de Heilige Geest in het hart om daarin heiligheid te scheppen; maar dit kan niet gedaan worden, tenzij de menselijke tussenpersoon met Christus wil samenwerken… Opdat we de gerechtigheid van Christus kunnen hebben, moeten we dagelijks veranderd worden door de invloed van de Geest, om deel te hebben aan de goddelijke natuur.” –Selected Messages, bk. 1, blz. 373–374.
1. Wat moet ik beseffen over mijn invloed, als ik beweer Gods wet te houden?
2. Wat vraagt de Hemel van christelijke gelovigen?
3. Waarom wordt Abraham vaak de vader van de gelovigen genoemd?
4. Wie van mijn kennissen zou als een bekeerde Rachab kunnen eindigen?
5. Hoe kan ik een zegevierende christelijke ervaring hebben?