Tekst om te onthouden: “Alle dingen zijn wel rein voor de reinen, maar voor de bevlekten en ongelovigen is geen ding rein, maar beide hun verstand en geweten zijn bevlekt”
Titus 1:15
“Wees bedachtzaam en ingetogen, niet vrijpostig. Accepteer geen ongeoorloofde attenties. Door een moreel hoogstaande en waardige houding kan veel kwaad vermeden worden.” –Het Bijbels Gezin, blz. 272.
Aanvullende studie:: Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 115-123;; 157-164.
A. Hoe strafte God de zuster van Mozes voor afgunst, en hoe is dit ook een waarschuwing voor vandaag?
Numeri 12:1–2,
Numeri 12:6–10;
Jakobus 4:11;
2 Petrus 2:9 (tweede helft)
2 Petrus 2:-10.
“Als de afgunst en de ontevredenheid van Mirjam niet op duidelijk zichtbare wijze waren bestraft, zou daaruit groot kwaad voortgekomen zijn. Afgunst is één van de meest satanische trekken, die in het menselijk hart kunnen opkomen, en heeft uiterst nadelige gevolgen. De wijze man zegt: ‘Gramschap is wreed en toorn is overstelpend, maar wie zal voor jaloersheid bestaan?’ (Spreuken 27:4). Afgunst was aanleiding tot de eerste onenigheid in de hemel, en het toegeven daaraan heeft onuitsprekelijk veel kwaad onder de mensen gebracht. ‘Waar na-ijver en zelfzucht heerst, daar is wanorde en allerlei kwade praktijk’ (Jakobus 3:16).
Men moet kwaadspreken jegens anderen of oordelen over de drijfveren of daden van anderen niet licht achten. Wie van zijn broeder kwaadspreekt of hem oordeelt, spreekt kwaad van de wet, en oordeelt haar; en indien gij de wet oordeelt, zijt gij geen dader, doch een rechter der wet’ (Jakobus 4:11). Er is slechts één Rechter… Eenieder, die het waagt zijn medemens te oordelen en te veroordelen, matigt zich het recht van de Schepper aan.
Nadrukkelijk leert de Bijbel ons, dat we ons moeten wachten om niet lichtvaardig hen te beschuldigen, die God heeft geroepen als Zijn getuigen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 348–349.
A. Hoe waarschuwt God tegen de arrogant, die opschept over zijn begeerten, vooral als men probeert binnen te dringen onder Zijn volk?
2 Petrus 2:11–13.
“Wanneer Satans betoverende macht iemand beheerst, wordt God vergeten en de mens, die vervuld is met verdorven bedoelingen, wordt verheerlijkt. Verborgen losbandigheid wordt door deze bedrogen mensen als een deugd bedreven. Dit is een soort toverij. De vraag van de apostel aan de Galaten kan zeer wel toegepast worden: ‘Wie heeft u betoverd, zodat gij aan de waarheid niet meer gehoorzaamt, wie Jezus Christus toch als gekruisigde voor ogen geschilderd is?’ Er schuilt altijd een betoverende kracht in ketterijen en losbandigheid. Het verstand is zo verblind, dat het niet meer intelligent kan redeneren, en verbeelding leidt het voortdurend af van wat zuiver is. Het geestelijk gezichtsvermogen wordt vertroebeld, en personen met een tot dan toe onbesmette moraal raken in verward vanwege de begoochelende misleidingen van deze handlangers van Satan, die voorgeven boodschappers van het licht te zijn. Het is deze begoocheling, die deze agenten macht geeft. Als zij er openlijk mee voor de dag zouden komen en openlijk toenadering zouden zoeken, zouden zij zonder aarzeling worden afgewezen; zij proberen echter eerst sympathie te winnen en het vertrouwen te bevestigen. Dat zij heilige, opofferingsgezinde mannen van God zijn. Als Zijn bijzondere boodschappers beginnen zij vervolgens met hun sluwe werk om zielen weg te lokken van het rechte pad door de wet van God te ontkrachten.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 118–119.
B. Waar moeten we ons op concentreren, als we met dergelijke gevaren worden geconfronteerd?
Jesaja 51:7–8;
Titus 1:15.
“In deze tijd van verdorvenheid, nu onze tegenstander, de duivel, als een brullende leeuw rondgaat om te zien, wie hij zal verslinden, zie ik het als een noodzaak om mijn stem te verheffen in waarschuwing. ‘Waakt en bidt, dat gij niet in verzoeking komt’. Er zijn velen, die briljante talenten bezitten en deze op en verdorven wijze inzetten in dienst van Satan. Welke waarschuwing kan ik geven aan een volk, dat belijdt de wereld te hebben verlaten en zegt zijn duistere werken achter zich te hebben gelaten? … Velen van hen koesteren onzuivere gedachten, onheilige fantasieën, ongeheiligde verlangens en lage hartstochten. God haat de vruchten, die zo’n boom draagt. Engelen, die zuiver en heilig zijn, zien met afgrijzen op het gedrag van zulke mensen, terwijl Satan jubelt. O, dat mannen en vrouwen eens zouden nadenken over de gevolgen van het overtreden van Gods wet! Onder alle omstandigheden is overtreding een schande voor God en een vloek voor de mens. Zo moeten wij de overtreding zien, hoe redelijk ook de vermomming, en door wie ook begaan.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 121–122.
A. Hoe beschrijft de Inspiratie het lot van roofdieren, die Gods volk willen verontreinigen?
2 Petrus 2:14;
2 Timótheüs 3:5–9.
“Het ongeluk en de ontaarding als gevolg van losbandigheid is niet te overzien. De wereld wordt door haar inwoners bezoedeld. Zij hebben de maat van hun ongerechtigheid bijna volgemaakt; wat echter de zwaarste straf zal brengen is de praktijk van ongerechtigheid onder de dekmantel van godsvrucht. De Verlosser der wereld heeft oprecht berouw nooit afgewezen, hoe groot de schuld ook was; Farizeeën en huichelaars veroordeelt Hij echter openlijk. Er is meer hoop voor de openlijke zondaar dan voor deze groep.
‘En daarom (het niet ontvangen van de liefde voor de waarheid) zendt God hun een dwaling, die bewerkt, dat zij de leugen geloven, opdat zij allen worden geoordeeld, die de waarheid niet geloofd hebben, doch een welgevallen hebben gehad in de ongerechtigheid’. Deze man en degenen, die door hem zijn misleid, hebben de waarheid niet lief, maar hebben een welgevallen in ongerechtigheid. Aan welke grotere misleiding kunnen zij zich schuldig maken dan te geloven, dat losbandigheid en overspel God niet mishagen? De Bijbel bevat vele waarschuwingen tegen deze zonden.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 120.
“Als gezant van Christus smeek ik hen, die de tegenwoordige waarheid belijden, om prompt elke eerste stap tot onreinheid te weerstaan en het gezelschap te mijden van hen, die onreine suggesties doen. Verfoei met een intense haat deze onterende zonden…
Daar degenen, die deze bezoedelende zonden bedrijven langzaam naar zeker in aantal toenemen in de wereld en onze gemeenten zouden willen binnendringen, waarschuw ik u om hun geen kans te geven. Wend u af van de verleider. Ofschoon hij een belijdende volgeling is van Christus, is hij Satan in de gedaante van een mens.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 122.
B. Noem een specifiek gevaar voor degenen, die beweren groter licht te hebben.
Romeinen 2:21–23.
“De meest plechtige boodschap, die ooit aan stervelingen is gegeven, is aan dit volk toevertrouwd, en zij kunnen een krachtige invloed hebben, als zij erdoor worden geheiligd. Zij belijden op het verheven platform van de eeuwige waarheid te staan en al Gods geboden te onderhouden; daarom, als zij zich overgeven aan zonde, als zij hoererij en overspel plegen, is hun misdaad tien keer zo groot als die van de klassen, die ik heb genoemd, die niet erkennen dat de wet van God voor hen bindend is.” –Testimonies for the church, vol. 2, blz. 450–451.
A. Met wie worden we vergeleken, als we hardnekkig toegeven aan een zondige gewoonte, en waarom?
2 Petrus 2:15–16;
Numeri 22:9,
Numeri 22:12,
Numeri 22:21,
Numeri 22:27–28;
Numeri 31:16.
“Hier is een ernstige waarschuwing voor Gods volk in deze tijd, om geen onchristelijke karaktertrek toe te laten in hun leven. Een zonde, die gekoesterd wordt, wordt een gewoonte; en, door herhaling gesterkt, oefent deze zonde al spoedig een overheersende invloed uit, die de edele hoedanigheden ondergeschikt maakt. Bileam beminde het loon der ongerechtigheid. Hij bood geen weerstand aan de zonde van hebzucht, die God gelijkstelt met afgoderij, en overwon deze zonde niet. Satan kreeg volledige zeggenschap over hem door deze ene zonde, die zijn karakter naar beneden haalde.” –Bijbelkommentaar, blz. 60–61.
B. Op welke manier kunnen onoplettende christenen worden verleid tot corruptie?
2 petrus 2:17, 18,
Romeinen 6:12,
Efeze 6:12.
“De opschepperige spiritist claimt grote vrijheid, en probeert in vlotte, bloemrijke taal onoplettende zielen te boeien en te misleiden om het brede pad van plezier en zondige toegeeflijkheid te kiezen, in plaats van het smalle pad en de rechte weg. Spiritisten noemen de vereisten van Gods wet slavernij, en zeggen, dat degenen, die deze gehoorzamen, een leven leiden van slaafse angst. Met vlotte woorden en eerlijke toespraken scheppen zij op over hun vrijheid en proberen zij hun gevaarlijke ketterijen te bedekken met de klederen van gerechtigheid. Ze zouden ervoor zorgen, dat de meest weerzinwekkende misdaden als een zegen voor het ras worden beschouwd.
Ze openen een brede deur voor de zondaar om de stem van het vleselijke hart te volgen, en overtreden de wet van God, vooral het zevende gebod. Degenen, die deze grote, verheven woorden van ijdelheid spreken en die triomferen in hun vrijheid in zonde, beloven degenen, die zij misleiden, het genot van de vrijheid in een koers van rebellie tegen de geopenbaarde wil van God. Deze misleide zielen zijn zelf in de diepste slavernij aan Satan en worden beheerst door zijn macht, en beloven toch vrijheid aan degenen die dezelfde zondekoers durven te volgen die zij zelf hebben gekozen.
“De Schrift wordt hierin inderdaad vervuld, dat de blinden de blinden leiden. Want door wie een mens wordt overwonnen, wordt hij ook in slavernij gebracht. Deze misleide zielen staan onder de meest rampzalige slavernij aan de wil van demonen. Ze hebben zich verbonden met de machten der duisternis en hebben geen kracht om tegen de wil van demonen in te gaan.” –The Review and Herald, 15 april 1875.
A. Leg uit welke keuze we hebben.
2 Petrus 2:19;
Romeinen 6:16,
Romeinen 6:19;
Spreuken 10:17.
“Tijdens de jaren van zijn omgang met Christus werd hij dikwijls door de Heiland gewaarschuwd en vermaand; en deze vermaningen nam hij ter harte. Doordat het karakter van de Godheid aan hem werd getoond, zag Johannes zijn eigen gebreken, en dit maakte hem nederig. Dag aan dag zag hij de tederheid en verdraagzaamheid van jezus, in tegenstelling tot zijn eigen felle geest, en hoorde hij Zijn lessen over nederigheid en geduld. Van dag tot dag voelde zijn hart zich meer tot Christus aangetrokken, tot hij eindelijk zichzelf helemaal vergat uit liefde voor zijn meester. De macht en de liefde, de majesteit en de zachtheid, de kracht en het geduld die hij aanschouwde in het dagelijks leven van de Zoon van God vervulde zijn ziel met bewondering. Hij onderwierp zijn lichtgeraaktheid, zijn eerzuchtige aard aan de vormende macht van Christus, en goddelijke liefde bewerkte in hem een verandering van karakter.
Een treffende tegenstelling met de heiligmaking die werkte in het leven van Johannes is de ervaring van zijn medediscipel, Judas. Dikwijls, als hij luisterde naar de woorden van de Heiland, werd hij zich vaan zijn zonde bewust. Maar hij wilde zijn hart niet buigen of zijn zonde belijden. Door de goddelijke invloed te weerstaan, onteerde hij zijn Meester, die hij voorgaf te dienen en lief te hebben. Johannes streed ernstig tegen zijn gebreken maar Judas deed zijn geweten geweld aan en luisterde naar de verzoeking.
Johannes en Judas zijn vertegenwoordigers van hen die voorgeven volgelingen van Jezus te zijn. Beide discipelen hadden dezelfde mogelijkheden om het goddelijke voor beeld te bestuderen en na te volgen. Beiden waren nauw verbonden met Jezus en mochten luisteren naar Zijn woorden. Beiden bezaten ernstige karaktergebreken, en beiden konden beslag leggen op de goddelijke genade die het karakter verandert. De één die dagelijks stierf voor de zonde en deze overwon, werd geheiligd door de waarheid; de ander, die de veranderende macht der genade weerstond en toegaf aan zelfzuchtige verlangens, werd een slaaf van satan. (Van Jeruzalem tot Rome blz. 406–407)
1. Hoe had Mirjam de schande van melaatsheid bespaard kunnen blijven?
2. Hoe maakt de huidige samenleving de waarschuwingen van Petrus zo toepasselijk voor ons nu?
3. In welke opzichten zal Gods volk uniek zijn in een verdorven wereld?
4. Hoe alleen kan ik het lot van Bileam vermijden?
5. Verklaar het verschil in houding tussen de dwalende Johannes en de dwalende Judas.