Tekst om te onthouden: “En boven dit alles doet aan de liefde, welke is de band der volmaaktheid”
Kolossensen 3:14
“Wanneer toegewijde gelovigen samenkomen, zal hun gesprek niet gaan over de onvolkomenheden van anderen of de geur van mopperen of klagen; naastenliefde, of liefde, de band van volmaaktheid, zal hen omringen.” –Testimonies for the Church, vol. 1, blz. 509.
Aanvullende studie:: Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 128-131;; 446-448.
A. Waarom wordt naastenliefde pas genoemd na broederlijke vriendelijkheid?
2 Petrus 1:7 (laatste deel);
Romeinen 5:7–8;
Jakobus 3:17.
“We moeten mensen liefhebben omwille van Christus. Het is gemakkelijk voor het natuurlijke hart om enkele favorieten lief te hebben, en gesteld te zijn op deze bijzondere paar; maar Christus gebiedt ons elkaar lief te hebben, zoals Hij ons heeft liefgehad.” –Testimonies to Ministers, blz. 156.
B. Wat verbindt Jezus met volmaaktheid?
Matthéüs 5:43–48;
Lukas 6:36;
Kolossensen 3:14.
“De mensen waren onder de indruk van de zuiverheid en morele waardigheid van onze Verlosser, terwijl Zijn onzelfzuchtige liefde en vriendelijke goedheid hun hart wonnen. Hij was de belichaming van volmaaktheid.” –Gospel Workers, blz. 73.
“Koester geen superieure gevoelens, door te denken, dat u beter bent dan anderen. ‘Daarom, wie denkt te staan, laat hij ervoor oppassen, dat hij niet valt’. Je krijgt vrede en rust, naarmate jij je wil ondergeschikt maakt aan de wil van Christus. Dan regeert de liefde van Christus in ons hart.” –Boodschap aan Jonge Mensen, blz. 69.
A. Beschrijf de diepte van de houding van een ware christen ten opzichte van anderen.
Psalm 101:2;
Filippensen 2:1–4.
“Ons overhaast en prikkelbaar humeur wordt zacht en inschikkelijk door de zalfolie van de genade van Christus. Het besef, dat onze zonden vergeven zijn, geeft ons de vrede, die alle begrip te boven gaat. We streven er oprecht naar alles te overwinnen, wat tegen volmaaktheid als christen ingaat. Verdeeldheid zal verdwijnen. Iemand, die eerst de fouten bij de mensen om hem heen aanwees, gaat begrijpen, dat hij zelf veel grotere fouten in zijn karakter heeft.” –Boodschap aan Jonge Mensen, blz. 69.
B. Hoe alleen kan het soort houding, dat hierboven wordt beschreven, in het hart van ieder van ons wonen?
Filippensen 2:5–8;
1 Korinthe 2:16.
“Het is de eigenliefde, waardoor onze vrede verstoord wordt. Wanneer het eigen-ik levend is, staan wij voortdurend klaar om het te beschermen tegen vernederingen en beledigingen; maar wanneer wij dood zijn, en ons leven met Christus in God verborgen is, zullen wij ons beledigingen en vernederingen niet aantrekken. Wij zullen doof zijn voor scheldwoorden, en blind voor hoon en smaad…
De vrede van Christus is een voortvarende, blijvende vrede. Die is niet afhankelijk van bepaalde omstandigheden in het leven, van het aantal aardse goederen of het aantal aardse vrienden. Christus is de fontein van levend water, en het geluk, dat uit Hem komt, kan nooit vergaan.
De zachtmoedigheid van Christus zal, wanneer ze geopenbaard wordt in het gezin, de leden van dat gezin gelukkig maken; zij lokt geen twist uit, antwoordt niet toornig, maar kalmeert het geërgerde gemoed, en straalt een vriendelijkheid uit, die gevoeld wordt door allen, die zich binnen haar kring bebinden. Overal waar deze zachtmoedigheid gekoesterd wordt, maakt zij de gezinnen op aarde tot een deel van het ene grote gezin hierboven.
Het zou veel beter voor ons zijn te lijden onder valse beschuldigingen dan de schuld op ons te laden, die het wraaknemen op onze vijanden met zich mee zou brengen. De geest van haat en wraakzucht ontstond bij Satan, en kan slechts het kwade brengen aan hem, die deze geest koestert. Nederigheid van harte, die zachtmoedigheid die de vrucht is van een blijven in Christus, is het ware geheim van de zegen. Hij zal de zachtmoedigen zalig maken met verlossing.” –Gedachten van de Berg der Zaligsprekingen, blz. 21–22.
A. Beschrijf de echte naastenliefde, die God bereid is te geven aan iedereen, die er graag serieus beslag op legt, diep wil koesteren.
Matthéüs 5:6;
1 Korinthe 13:4–8.
“Als een gemeente zal bloeien, moeten de leden nauwgezet toe leggen op het koesteren van de kostbare plant der liefde. Geef dit alle voorrang zodat die kan bloeien in het hart. Ieder echt christen zal dan in zijn leven de eigenschappen van deze goddelijke liefde ontwikkelen; hij zal een geest openbaren van verdraagzaamheid, en weldadigheid en vrij zijn van afgunst en jaloezie. Als dit karakter in woord en daad tot stand is gekomen, zal het niet afstotend, ontoegankelijk en koud en onverschillig voor de belangen van anderen zijn. De persoon die de kostbare plant van de liefde verzorgt, zal een zichzelf verloochende geest hebben en zal zijn zelfbeheersing niet verliezen, zelfs niet onder provocerende omstandigheden. Hij zal anderen geen verkeerde motieven en bedoelingen toeschrijven, maar zal diep bewogen zijn wanneer hij, bij wie van de discipelen van Christus dan ook, een zonde ontdekt.
Liefde beroemt zich nergens op. Ze is een nederig beginsel, ze zet een mens nooit aan om te snoeven, om zichzelf te verhogen. Liefde voor God en onze naasten zal zich niet uiten in onbezonnen daden nog ons aanzetten om aanmatigend, vitterig of dictatoriaal te zijn. Liefde is niet opgeblazen. Het hart waar liefde heerst zal geleid worden naar een zachtaardig, beleefd, medelevend gedrag jegens anderen, of zij ons a dan niet sympathiek voorkomen, of zij ons waarderen dan wel slecht behandelen. Liefde is een actief beginsel; het houdt ons het goede van anderen voortdurend voor ogen om ons zo te weerhouden van ondoordachte daden, zodat wij niet ons doel missen, zielen te winnen voor Christus. Liefde zoekt zichzelf niet. Ze zal mensen niet aanzetten om uit te zijn op eigen gemakzucht en genot. Het is de eer die wij aan het eigen ik toe schrijven, die zo vaak groei van liefde hindert. (Getuigenissen voor de Gemeente deel 5 blz. 104)
B. Hoe worden we gewaarschuwd voor valse liefdadigheid?
Jakobus 2:19;
Judas 11–13.
“Ouderling B---t leek een zeer heilige man te zijn. Had veel te zeggen over liefdadigheid. Sprekend over geloof zei hij: “Het enige, wat we moeten doen, is geloven, dan zal, wat we ook aan God vragen, gegeven worden”. Broeder White antwoordde: “Zegeningen zijn beloofd onder voorwaarden. Johannes 15:7: ‘Indien gij in Mij blijft, en Mijn woorden in u blijven, zowat gij wilt, zult gij begeren, en het zal u geschieden’. Uw theorie van geloof is leeg als een meelvat zonder bodem. En wat ware naastenliefde betreft, zij is een zeer delicate persoonlijkheid, die nooit buiten het pad van de Bijbelse waarheid treedt”.”–Spiritual Gifts, vol. 2, blz. 46–47.
A. Hoe belangrijk is het voor ons om overvloedig te zijn in alle christelijke genaden, die genoemd worden als treden van de ladder van Petrus?
2 Petrus 1:8.
“Laat de christelijke deugden overvloedig uw deel worden. Wijdt aan uw Heiland uw beste en heiligste affecties. Bewijst een absolute gehoorzaamheid aan Zijn wil. Met minder dan dat is Hij niet tevreden. Laat u niet van uw stuk brengen door de spot en de schimpscheuten van hen, die zich overgeven aan ijdelheden. Volgt uw Heiland, of het u nu goed of slecht gaat; beschouwt het als een vreugde en een heilige eer het kruis van Christus te dragen. Jezus heeft u lief. Hij stierf voor u. Wanneer gij Hem niet dient met uw ongedeelde affecties, zult gij er niet in slagen in Zijn vreze volmaakte heiligheid te bereiken; en gij zult ten slotte het vreselijke woord moeten horen: Ga weg.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 1, blz. 245.
B. Wat zien we vaak over het hoofd in de stressvolle wereld van vandaag?
Hooglied 2:15.
“U wordt bestookt door dringende zorgen, lasten en plichten; maar hoe groter de druk op u is, en hoe zwaarder de lasten die u te dragen hebt, hoe groter uw behoefte aan goddelijke hulp. Jezus wil uw helper zijn. U hebt voortdurend het levenslicht nodig om uw eigen pad te verlichten, en dan zullen de goddelijke stralen ervan op anderen reflecteren. Het werk van God is een volmaakt geheel, omdat het volmaakt is in al zijn delen. Het is de gewetensvolle aandacht voor wat de wereld kleine dingen noemt, die de grote schoonheid en het succes van het leven maakt. Kleine daden van naastenliefde, kleine woorden van vriendelijkheid, kleine daden van zelfverloochening, een verstandige verbetering van kleine kansen, een ijverige ontwikkeling van kleine talenten, maken grote mensen in de ogen van God. Als er getrouw aandacht aan deze kleine dingen wordt besteed, als deze genaden in u zijn en overvloedig zijn, zullen ze u volmaakt maken in elk goed werk.
Het is niet voldoende om bereid te zijn uw middelen royaal aan de zaak van God te geven. Hij roept op tot een onvoorwaardelijke toewijding van al uw krachten. Uzelf achterhouden is de fout van uw leven geweest. U kunt denken, dat het in uw positie heel moeilijk is om een nauwe band met God te onderhouden, maar uw werk zal tien keer zo zwaar zijn, als u dit niet doet…
God roept op tot volledige en algehele toewijding, en alles wat minder is dan dit, zal Hij niet aannemen. Hoe moeilijker uw positie, hoe meer u Jezus nodig heeft.” –Testimonies for the Church, vol. 4, blz. 543–544.
A. Als het ons aan één van de christelijke genadegaven ontbreekt, wat is er dan gebeurd?
2 Petrus 1:9;
Openbaring 2:4.
“Hij, die de ladder van de vooruitgang niet beklimt en genade niet aan genade toevoegt ‘die is blind en van verre niet ziende’. Hij laat na om te onderscheiden, dat zonder deze opeenvolgende stappen te nemen bij het bestijgen van de ladder stap voor stap, het groeien in genade en de kennis van onze Heer Jezus Christus, hij zichzelf niet plaatst in een positie, waar het licht van God boven de ladder op hem wordt gereflecteerd. Omdat hij genade niet aan genade toevoegt, is hij de aanspraken van God op hem vergeten, en dat hij vergeving van zonden moet ontvangen door gehoorzaamheid aan de eisen van God. Hij bevindt zich in de positie van een zondaar voor God. Als hij de genaden van Christus heeft, zal hij deze uitoefenen en vergroten, maar als hij geen vrucht draagt in goede werken tot eer van God, blijft hij in een staat van blindheid en onwetendheid, genotzucht en zonde. Hij ‘is van verre niet ziende’. Zijn ogen zijn gericht op de aarde, niet op God boven de ladder.
Deze klasse kan aardse voordelen hebben, maar heeft geen onderscheidingsvermogen van het voorrecht en de zegeningen van het leven in het licht, dat van God boven de ladder schijnt. Zij kennen niet de dingen, die tot hun vrede dienen. Ze kunnen niet met helder geestelijk inzicht achteromkijken, omdat ze de dingen niet in het licht van de hemel bekijken. Ooit genoten ze de liefde van God; zij hadden berouw van hun zonden en meldden zich aan om dienaren van Jezus Christus te worden, maar zij vergaten alle geloften, die zij bij de doop aan God hadden afgelegd, alle plechtige verplichtingen, die zij op zich hadden genomen om heerlijkheid, eer en onsterfelijkheid te zoeken.” –Manuscript Releases, vol. 19, blz. 350–351.
1. Waarom en in welke soort situaties loop ik het gevaar van onterechte voorkeur?
2. Onder welke toestanden heeft mijn menslievende geest de neiging te falen?
3. Hoe kunnen we onderscheid maken tussen echte en valse liefdadigheid?
4. Welke kleine menslevende gebaren heb ik de neiging te verwaarlozen?
5. Waarom schiet ik nog steeds tekort op het gebied van liefdadigheid, en waarom is dit zo belangrijk?