Tekst om te onthouden: “De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten); maar is lankmoedig over ons, niet willende, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen”
2 Petrus 3:9
“Wanneer wij echter, samen met alle verlosten, aan de glazen zee staan, met gouden harpen en glorieuze kronen, terwijl de immense eeuwigheid zich voor ons uitstrekt, zullen wij zien, hoe kort de genadetijd was’ –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 397.
Aanvullende studie:: Testimonies for the Church, vol. 2, blz. 183-199.
A. Wat halen spotters vaak aan als een excuus voor hun twijfels, en welke invloed heeft deze houding zelfs op velen, die op de Heer wachten?
2 Petrus 3:4;
Jesaja 56:12.
“De liefde van de wereld heeft onze gedachten zo in beslag genomen, dat onze ogen niet naar boven zijn gericht, maar naar de aarde. We haasten ons en zijn met ijver en ernst bezig met verschillende ondernemingen, maar God wordt vergeten en de hemelse schat wordt niet gewaardeerd. Wij bevinden ons niet in een afwachtende positie. De liefde van de wereld en de bedrieglijkheid van rijkdom overschaduwen ons geloof, en we verlangen niet naar de verschijning van onze Verlosser en hebben er ook geen liefde voor. We proberen te hard om zelf voor onszelf te zorgen. We voelen ons ongemakkelijk en hebben een groot gebrek aan een vast vertrouwen in God. Velen maken zich zorgen en werken, bedenken en maken plannen, uit angst dat ze in nood terecht zullen komen. Zij kunnen zich geen tijd veroorloven om te bidden of godsdienstige bijeenkomsten bij te wonen en laten, in hun zorg voor zichzelf, geen kans open voor God om voor hen te zorgen. En de Heer doet niet veel voor hen, want ze geven Hem geen kans. Ze doen te veel voor zichzelf, en geloven en vertrouwen in God te weinig.
De liefde van de wereld heeft een vreselijke greep op de mensen, die de Heer geboden heeft om altijd te waken en te bidden, opdat Hij hen niet plotseling slapend aantreft.’ –Testimonies for the Church, vol. 2, blz. 195–196.
A. Leg uit, hoe spotten te vaak voorkomt, zelfs onder belijdende advent gelovigen.
Matthéüs 24:48–51;
Spreuken 26:20–22;
Romeinen 1:29–32.
“De slechte slaaf zegt in zijn hart: ‘Mijn heer blijft uit.’ Hij zegt niet, dat Christus niet komen zal. Hij spot niet met de gedachte van de tweede komst. Maar in zijn hart en door zijn daden en woorden verklaart hij, dat de komst des Heeren uitgesteld is. Hij verbant uit de gedachten van anderen de overtuiging, dat de Heere spoedig komt. Zijn invloed brengt de mensen tot een aanmatigend, zorgeloos uitstel. Zij worden gestijfd in hun wereldzin en bedwelming. Aardse hartstochten, verdorven gedachten nemen bezit van de geest. De slechte dienstknecht eet en drinkt met de dronkaards, sluit zich aan bij de wereld in zijn jacht naar plezier. Hij slaat zijn medeslaven en beschuldigt en veroordeelt hen, die trouw zijn aan hun Meester.” –De Wens der Eeuwen, blz. 555.
B. Hoe moeten wij in contrast staan met degenen, die de wederkomst van Christus als ver weg in de verre toekomst beschouwen?
Kolossensen 3:1–4.
“Terwijl de aandacht van wereldlingen op verschillende ondernemingen is gericht, moet de onze op de hemel gericht zijn; ons geloof moet steeds verder reiken in de glorieuze verborgenheden van de hemelse schat, en de kostbare, goddelijke lichtstralen uit het hemels heiligdom moeten aantrekken om in ons hart te schijnen, zoals ze op het gezicht van Jezus schijnen. De spotters bespotten de wachtende, toekijkende mensen en vragen: ‘Waar is de belofte van Zijn komst? U bent teleurgesteld. Verbindt u met ons, en u zult voorspoedig zijn in wereldse zaken. Krijgt winst, krijgt geld en wordt geëerd door de wereld.’ De wachtenden kijken naar boven en antwoorden: ‘Wij waken.’ En door zich af te keren van aardse genoegens en wereldse roem, en van de bedrieglijkheid van rijkdom, laten zij zien, dat ze zich in die positie bevinden. Door te waken worden ze sterk; ze overwinnen traagheid, egoïsme en liefde voor gemak. Het vuur van de verdrukking ontsteekt over hen, en de wachttijd lijkt lang. Soms treuren ze, en wankelt het geloof; maar ze komen weer bij elkaar, overwinnen hun angsten en twijfels, en terwijl hun ogen naar de hemel gericht zijn, zeggen ze tegen hun tegenstanders: ‘Ik waak, ik wacht op de terugkeer van mijn Heer. Ik zal roemen in beproeving, in verdrukking, in noden’.” –Testimonies for the Church, vol. 2, blz. 194–195.
A. Welke zeer belangrijke gebeurtenis in de wereldgeschiedenis wordt vaak terloops over het hoofd gezien?
Genesis 6:5–8;
Genesis 7:23;
2 Petrus 3:5–6.
“Vóór de verwoesting van de oude wereld door een zondvloed waren er talentvolle mannen, die kennis en vaardigheid bezaten. Maar ze werden verdorven in hun denken, omdat ze God niet kenden in hun plannen en besluiten. Ze waren wijs in het doen, van wat God hun nooit had gezegd te doen, wijs om het kwade te doen. De Heere zag, dat dit verderfelijk zou zijn voor hen, die later geboren zouden worden, en Hij greep in. Honderdtwintig jaar lang zond Hij hun waarschuwingen door Zijn knecht Noach. Maar ze weigerden de proeftijd, die hun zo genadig was toegestaan. Door Noach belachelijk te maken. Ze maakten van hem een karikatuur en bekritiseerden hem. Ze lachten hem uit om zijn bijzondere ernst en intense gevoelens met betrekking tot de oordelen, die, naar hij zei, God zeker zou doen komen. Ze spraken over wetenschap en natuurwetten. Toen hielden ze een zwelgpartij over, wat Noach had gezegd, en noemden hem een krankzinnige fanaticus. Gods geduld was uitgeput.” –Bijbelkommentaar, blz. 17.
B. Wat staat deze planeet uiteindelijk te wachten?
2 Petrus 3:7;
Psalm 11:6;
Psalmen 59:14.
“Het binnenste van de aarde vormde het arsenaal van de Heer, waaruit Hij de wapens haalde, die Hij gebruikte bij de vernietiging van de oude wereld. Wateren uit het binnenste van de aarde stroomden voort en verenigden zich met de wateren uit de hemel om het vernietigingswerk te volbrengen. Sinds de zondvloed heeft God zowel water als vuur op de aarde gebruikt als zijn agenten om goddeloze steden te vernietigen.” –Spiritual Gifts, vol. 3, blz. 82.
“Heel het werk van de vader der leugen wordt vermeld in de wetboeken van de hemel, en zij, die zich lenen voor de dienst van Satan, die aan de mensen de leugens van Satan voorhouden door woord en daad, zullen vergelding ontvangen naar hun werken. Wortel en takken zullen worden vernietigd door het vuur van de laatste dag. Satan, de grote aanvoerder van de afval, is de wortel, en al zijn werkers, die zijn leugens met betrekking tot Gods wet onderwijzen, zijn de takken.” –Bijbelkommentaar, blz. 298.
A. Hoe wordt de grenzeloze reikwijdte van onze Schepper samengevat om Gods kinderen vertrouwen te geven in Zijn beloften en hoop voor de eeuwigheid?
Psalm 90:4;
2 Petrus 3:8.
“De erfenis, die God beloofd heeft aan Zijn volk, is niet van deze wereld. Abraham bezat geen grondgebied, ‘zelfs geen voet’ (Handelingen 7:5). Hij bezat vele goederen, en gebruikte deze tot eer van God en tot voordeel van zijn medemens; maar hij beschouwde deze wereld niet als zijn tehuis. De Heere had hem geroepen om zijn afgodische vaderland de rug toe te keren, met de belofte dat het land Kanaän hem tot een eeuwig bezit gegeven zou worden; toch ontving hij, noch zijn zoon en kleinzoon dit land. Toen Abraham uitzag naar een begraafplaats voor zijn dode moest hij deze kopen van de Kanaänieten. Zijn enige bezit in het Land der Belofte was deze grafspelonk te Machpela.
Maar Gods woord had niet gefaald; al ging het ook niet in vervulling, toen het Joodse volk het land Kanaän veroverde. ‘Aan Abraham en aan zijn zaad werden de beloften gedaan’ (Galaten 3:16). Abraham zelf zou deelhebben aan de erfenis. Het kan lijken, dat de vervulling van Gods beloften lang wordt uitgesteld, want ‘bij de Heere is één dag als duizend jaar, en duizend jaar als één dag’ (2 Petrus 3:8); het kan lijken, dat de vervulling uitblijft; maar op de bepaalde tijd ‘zal het zeker komen, het zal niet uitgesteld worden’. *Habakuk 2:3).” –Patriarchen en Profeten, blz. 141–142.
B. Wat moeten wij beseffen over de wederkomst van Christus?
2 Petrus 3:9;
Nahum 1:3.
“Gods lankmoedigheid is wonderlijk. De gerechtigheid heeft lang geduld, terwijl genade bij de zondaar pleit…
De wereld overtreedt vol brutaliteit Gods wet. Op grond van Zijn lankmoedigheid hebben mensen Zijn gezag vertreden. Zij hebben elkaar aangemoedigd bij het verdrukken en wreed behandelen van Zijn erfdeel, terwijl zij zeggen: ‘Hoe zou God het weten; zou er ook wetenschap zijn bij de Allerhoogste?’ (Psalm 73:11). Maar er is een grens, die zij niet kunnen overschrijden. De tijd nadert, waarin zij de hun toegestane grens hebben bereikt. Reeds nu hebben zij bijna de grens van Gods verdraagzaamheid, van Zijn genade en Zijn barmhartigheid bereikt. De Heere zal tussenbeide komen om Zijn eer te rechtvaardigen, Zijn volk te verlossen en het tij van ongerechtigheid een halt toe te roepen.” –Lessen uit het Leven van Alledag, blz. 105–106.
A. Waarom kunnen wij heel dankbaar zijn voor Gods lankmoedigheid?
Psalm 86:12–15.
“De Heer is gewillig om ons te helpen, kracht te geven en ons te zegenen; maar wij moeten eerst door een proces van verfijning heen, tot alle onzuiverheden uit ons karakter zijn weggebrand. Ieder lid van de gemeente zal door de oven moeten, niet om te worden verteerd, maar om gereinigd te worden.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 397.
“Zie niet op mensen en vestig uw hoop niet op hen, met het gevoel dat zij onfeilbaar zijn; maar zie voortdurend op Christus. Zeg niets, dat een smet op ons geloof zou werpen. Belijd uw verborgen zonden uitsluitend aan uw God. Beken de afdwalingen van uw hart aan Hem, die weet, hoe Hij met uw geval moet omgaan. Als u uw naaste verkeerd hebt behandeld, belijd uw zonde aan hem en voeg door schadeloosstelling de daad bij het woord. Maak dan aanspraak op de zegen. Kom tot God, zoals u bent, en laat Hem al uw zwakheden genezen. Ga met uw geval naar de troon der genade en doe een grondig werk. Wees oprecht wat betreft God en uw ziel. Als u tot Hem komt met een oprecht berouwvol hart, zal Hij u de overwinning geven. Dan kunt u een lieflijk getuigenis geven van bevrijding, ‘om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht’. Hij zal u niet verkeerd begrijpen of verkeerd beoordelen. Uw naasten kunnen u niet vrijspreken van zonden of u van ongerechtigheid zuiveren. Jezus is de enige, die u vrede kan geven. Hij heeft u lief en gaf Zichzelf voor u. Zijn hart, vol van liefde, kent al onze zwakheden. Welke zonden zijn te groot om door Hem vergeven te worden? Welke ziel is te duister en door zonde te zeer onderdrukt om door Hem gered te worden? Hij is genadig en kijkt niet naar onze verdiensten, maar geneest ons uit Zijn grenzeloze goedheid van onze afvalligheid, en heeft ons bovenmate lief, terwijl wij nog zondaars zijn. Hij is ‘genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid’, ‘lankmoedig jegens u, daar Hij niet wil, dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen’.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 526–527.
1. Welke aspecten van de wereld kunnen mij wegtrekken van God?
2. Hoe kan ik mij schuldig maken aan het slaan van mijn mededienaren, geestelijk gesproken?
3. Waarom moet ik mij scherp bewust worden van het komende oordeel door vuur?
4. Leg de erfenis van Abraham en zijn kinderen uit (Galaten 3:29).
5. Waarom moet ik dankbaar zijn voor deze kleine extra tijd, en hoe zal ik die gebruiken?