Lessen uit de brieven van Petrus (I) — SABBAT, 11 mei 2024

Les 6: Getuigen aan de wereld

Tekst om te onthouden

Tekst om te onthouden: “Want alzo is het de wil van God, dat gij, weldoende, de mond stopt aan de onwetendheid der dwaze mensen”

1 Petrus 2:15

“De kroon van Christus moet boven de diademen van aardse machthebbers worden verheven.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 50.

Aanvullende studie :: -Testimonies for the Church, vol. 1, blz. 358-361.

ZONDAG — 5 mei

1. Het vermijden van dat, wat strijdt tegen de ziel

A. Wat is één van de belangrijkste en toch meest moeilijke veldslagen voor elke pelgrim?

1 Petrus 2:11;

1 Petrus 2:11: Geliefden, ik vermaan u als inwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleselijke begeerlijkheden, welke krijg voeren tegen de ziel;

1 Johannes 2:15-16.

1 Johannes 2:15: Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. 1 Johannes 2:16: Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen, en de grootsheid des levens, is niet uit den Vader, maar is uit de wereld.

“De apostel Petrus begreep de onderlinge verhouding van geest en lichaam, en verhief waarschuwend zijn stem tot zijn broeders: ‘Geliefden, ik vermaan u als bijwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleselijke begeerten, die strijd voeren tegen uw ziel’. Velen beschouwen deze tekst als een waarschuwing uitsluitend tegen losbandigheid; maar zij heeft een wijdere betekenis. Zij verbiedt elk schadelijk toegeven aan eetlust of hartstocht. Alle eetlust, die ontaardt, wordt tot een begeerte, die strijd voert. Eetlust is ons voor een goede reden gegeven, niet om tot dienaar van de dood te worden door te worden verdraaid en zo te ontaarden in ‘begeerten, die strijd voeren tegen de ziel’…

De macht van de verleiding om aan eetlust toe te geven kan slechts worden afgemeten aan de onuitsprekelijke zielsangst van onze Verlosser tijdens dat lange vasten in de woestijn. Hij wist, dat het toegeven aan een ontaarde eetlust het waarnemingsvermogen van de mens zó zou doen afsterven, dat heilige zaken niet langer kunnen worden onderscheiden… Als de macht van het toegeven aan eetzucht zo sterk over het menselijk geslacht heerste, dat de verheven Zoon van God, een vasten van bijna zes weken moest doorstaan om die macht te breken, wat een taak ligt er dan voor de christen! Toch kan hij de overwinning behalen, hoe zwaar ook de worsteling. Met de hulp van die goddelijke macht… kan ook deze een volslagen succes behalen in zijn strijd met het kwade, en uiteindelijk de overwinnaarskroon dragen in het koninkrijk van God.” –Adviezen over Dieet en Voeding, blz. 149.

MAANDAG — 6 mei

2. Prediken door goede werken

A. Waarom worden alle ware christenen gezien als vreemdelingen en zelfs als vijanden van deze wereld?

1 Petrus 2:12;

1 Petrus 2:12: En houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen; opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken, die zij in u zien, God verheerlijken mogen in den dag der bezoeking.

1 Korinthe 1:18,

1 Korinthe 1:18: Want het woord des kruises is wel dengenen, die verloren gaan, dwaasheid; maar ons, die behouden worden, is het een kracht Gods;

1 Korintiërs 1:23;

1 Korinthe 1:23: Doch wij prediken Christus, den Gekruisigde, den Joden wel een ergernis, en den Grieken een dwaasheid;

1 Korintiërs 2:14.

1 Korinthe 2:14: Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.

“Onder de Joodse toehoorders waren er velen, die zich aan de boodschap, die Paulus verkondigde, zouden ergeren. Naar de mening van de Grieken zouden zijn woorden ongerijmde dwaasheid zijn. Men zou hem als een zwakzinnige aanmerken, wanneer hij zou trachten te betogen, dat het kruis in enigerlei verband kon staan met de geestelijke verheffing van het geslacht of de redding van het mensdom.

Maar voor Paulus was het kruis het enige voorwerp van het allerhoogste belang.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 181.

“De geest van de wereld is tegenwoordig niet méér in overeenstemming met de geest van Christus dan vroeger. Zij, die het Woord van God in al zijn zuiverheid verkondigen, zullen nu niet beter worden ontvangen dan toen. De vormen van het verzet tegen de waarheid kunnen veranderen, en de vijandschap is misschien minder openlijk, omdat zij sluwer is, maar dezelfde tegenstand bestaat nog altijd en zal tot het einde der tijden tot uiting komen.” –De Grote Strijd, blz. 132-133.

B. Waarop wijst Petrus als de beste techniek bij het prediken van het Evangelie en het omgaan met de “onwetendheid van dwaze mensen”?

1 Petrus 2:12,

1 Petrus 2:12: En houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen; opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken, die zij in u zien, God verheerlijken mogen in den dag der bezoeking.

1 Petrus 2:15.

1 Petrus 2:15: Want alzo is het de wil van God, dat gij, weldoende, den mond stopt aan de onwetendheid der dwaze mensen;

“Onze predikanten en leraren moeten de liefde van God vertegenwoordigen aan een gevallen wereld. Laat het woord van de waarheid gesproken worden, met harten vol van tederheid. Laat allen, die dwalen, behandeld worden met de zachtmoedigheid van Christus. Als degenen voor wie u werkt de waarheid niet onmiddellijk begrijpen, berisp dan niet, bekritiseer of oordeel niet. Bedenk, dat u Christus moet vertegenwoordigen in Zijn zachtmoedigheid, vriendelijkheid en liefde. We moeten verwachten, dat we op ongeloof en tegenstand zullen stuiten. De waarheid heeft altijd aan deze elementen moeten voldoen. Maar hoewel u op de bitterste tegenstand stuit, moet u uw tegenstanders niet aan de kaak stellen…

U moet u zachtmoedig gedragen tegenover degenen, die dwalen, want was u zelf onlangs niet blind in uw zonden? En zou u, vanwege het geduld van Christus jegens u, niet teder en geduldig jegens anderen moeten zijn? God heeft ons veel vermaningen gegeven om grote vriendelijkheid aan de dag te leggen tegenover degenen die ons tegenwerken, anders beïnvloeden we een ziel in de verkeerde richting.” –Testimonies for the Church, vol. 6, blz. 120-121.

DINSDAG — 7 mei

3. Christelijke nederigheid

A. Beschrijf de houding, die we moeten hebben ten opzichte van de burgerlijke autoriteiten en de wetten van het land.

1 Petrus 2:13-17.

1 Petrus 2:13: Zijt dan alle menselijke ordening onderdanig, om des Heeren wil; hetzij den koning, als de opperste macht hebbende; 1 Petrus 2:14: Hetzij den stadhouderen, als die van hem gezonden worden, tot straf wel der kwaaddoeners, maar tot prijs dergenen, die goed doen. 1 Petrus 2:15: Want alzo is het de wil van God, dat gij, weldoende, den mond stopt aan de onwetendheid der dwaze mensen; 1 Petrus 2:16: Als vrijen, en niet de vrijheid hebbende als een deksel der boosheid, maar als dienstknechten van God. 1 Petrus 2:17: Eert een iegelijk; hebt de broederschap lief; vreest God; eert den koning.

“De apostel omschreef duidelijk de houding, die gelovigen moeten aannemen jegens de burgerlijke autoriteiten: ‘Onderwerpt u aan alle menselijke instellingen’.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 381.

B. Geef voorbeelden van wat er gedaan moet worden in gevallen, wanneer de wet van het land in strijd is met de wet van God, en met welke houding.

Handelingen 5:29;

Handelingen 5:29: Maar Petrus en de apostelen antwoordden, en zeiden: Men moet Gode meer gehoorzaam zijn, dan den mensen.

Exodus 1:15-17;

Exodus 1:15: Daarenboven sprak de koning van Egypte tot de vroedvrouwen der Hebreinnen, welker ener naam Sifra, en de naam der andere Pua was; Exodus 1:16: En zeide: Wanneer gij de Hebreinnen in het baren helpt, en ziet haar op de stoelen; is het een zoon, zo doodt hem; maar is het een dochter, zo laat haar leven! Exodus 1:17: Doch de vroedvrouwen vreesden God, en deden niet, gelijk als de koning van Egypte tot haar gesproken had, maar zij behielden de knechtjes in het leven.

Daniël 6:7-10,

Daniël 6:7: Zo kwamen deze vorsten en de stadhouders met hopen tot den koning, en zeiden aldus tot hem: O koning Darius, leef in eeuwigheid! Daniël 6:8: Al de vorsten des rijks, de overheden en stadhouders, de raadsheren en landvoogden hebben zich beraadslaagd een koninklijke ordonnantie te stellen, en een sterk gebod te maken, dat al wie in dertig dagen een verzoek zal doen van enigen god of mens, behalve van u, o koning! die zal in den kuil der leeuwen geworpen worden. Daniël 6:9: Nu, o koning! gij zult een gebod bevestigen, en een schrift tekenen, dat niet veranderd worde, naar de wet der Meden en der Perzen, die niet mag wederroepen worden. Daniël 6:10: Daarom tekende de koning Darius dat schrift en gebod.

Daniël 6:21-22.

Daniël 6:21: Als hij nu tot den kuil genaderd was, riep hij tot Daniel met een droeve stem; de koning antwoordde en zeide tot Daniel: O Daniel, gij knecht des levenden Gods! heeft ook uw God, Dien gij geduriglijk eert, u van de leeuwen kunnen verlossen? Daniël 6:22: Toen sprak Daniel tot den koning: O koning, leef in eeuwigheid!

“Ik zag, dat het in elk opzicht onze plicht is de wetten van ons land te gehoorzamen, tenzij deze in conflict komen met de hogere wet, die God met luide stem verkondigd heeft van de Sinaï.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 3, blz. 47.

“Van ons wordt niet geëist, dat wij gezagsdragers zullen trotseren. Onze woorden, hetzij gesproken of geschreven, moeten zorgvuldig worden overdacht, opdat van ons niet kan worden gezegd, dat we vijandig staan tegenover wet en orde. Wij moeten niets zeggen of doen, dat ons de weg onnodig zou blokkeren. Wij moeten in de naam van Christus voorwaarts gaan met de verkondiging van de waarheden, die ons zijn toevertrouwd. Als ons door mensen wordt verboden dit werk te doen, kunnen we zeggen, wat de apostelen zeiden.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 50.

“Hij, die Gods wet in het hart heeft, zal God meer gehoorzamen dan mensen… De wijsheid en het gezag van de goddelijke wet zijn boven alles verheven.

Mij werd getoond, dat Gods volk, dat Zijn bijzondere schat is, niet kan deelnemen aan deze verbijsterende oorlog (de Amerikaanse Burgeroorlog, 1861-1865), omdat deze in strijd is met elk principe van hun geloof. In het leger kunnen ze niet de waarheid gehoorzamen en tegelijkertijd gehoorzamen aan de eisen van hun officieren. Er zou sprake zijn van een voortdurende schending van het geweten.” –Testimonies for the Church, vol. 1, blz. 361.

C. Als we ‘dienaren’ zijn op onze werkplek, wat voor soort werknemers moeten we dan zijn?

1 Petrus 2:18;

1 Petrus 2:18: Gij huisknechten, zijt met alle vreze onderdanig den heren, niet alleen den goeden en bescheidenen, maar ook den harden.

Kolossensen 3:23.

Kolossenzen 3:23: En al wat gij doet, doet dat van harte als den Heere en niet den mensen;

“Er is wetenschap in het nederigste soort werk, en als iedereen het zo zou beschouwen, zouden ze nobelheid in arbeid zien.” –Fundamentals of Christian Education, blz. 315.

WOENSDAG — 8 mei

4. Onrechtmatig lijden

A. Wat moet onze houding zijn tegenover degenen, die ons slecht behandelen, beledigen, verachten of bespotten?

1 Petrus 2:19-20;

1 Petrus 2:19: Want dat is genade, indien iemand om het geweten voor God zwarigheid verdraagt, lijdende ten onrechte. 1 Petrus 2:20: Want wat lof is het, indien gij verdraagt, als gij zondigt, en daarover geslagen wordt? Maar indien gij verdraagt, als gij weldoet, en daarover lijdt, dat is genade bij God.

Romeinen 12:19-21.

Romeinen 12:19: Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft den toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heere. Romeinen 12:20: Indien dan uw vijand hongert, zo spijzigt hem; indien hem dorst, zo geeft hem te drinken; want dat doende, zult gij kolen vuurs op zijn hoofd hopen. Romeinen 12:21: Wordt van het kwade niet overwonnen, maar overwint het kwade door het goede.

“Wij kunnen het ons niet veroorloven ons op te winden over enig werkelijk of vermeend onrecht, ons aangedaan. Het eigen-ik is de vijand, die wij het meest moeten vrezen. Geen vorm van ondeugd heeft een meer onheilbrengend effect op het karakter dan de menselijke hartstocht, die niet onder beheersing van de Heilige Geest is gebracht. Geen andere overwinning, die wij zouden kunnen maken, is zo waardevol als de overwinning over onszelf.

Wij moeten ons niet zo snel gekrenkt voelen. Wij moeten niet leven om onze gevoelens te bewaken of onze reputatie, maar om onze ziel te redden… Wat anderen van ons mogen denken of ons aandoen, hoeft onze eenheid met Christus … niet te verstoren…

Neemt geen wraak. Verwijdert, zo veel u kunt alle oorzaken tot misverstand. Vermijdt de schijn van kwaad. Doe alles wat in uw macht ligt, zonder dat u uw principes opgeeft om anderen gunstig te stemmen…

Als ongeduldige woorden tot u gesproken worden, antwoordt nooit op dezelfde toon.” –De Weg tot Gezondheid, blz. 416.

B. Waarom staat God toe, dat wij lijden onder de handen van wrede en slechte mensen?

Matthéüs 5:11-12,

Mattheüs 5:11: Zalig zijt gij, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil. Mattheüs 5:12: Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u geweest zijn.

Mattheüs 5:43-48.

Mattheüs 5:43: Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben, en uw vijand zult gij haten. Mattheüs 5:44: Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen; Mattheüs 5:45: Opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, Die in de hemelen is; want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Mattheüs 5:46: Want indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde? Mattheüs 5:47: En indien gij uw broeders alleen groet, wat doet gij boven anderen? Doen ook niet de tollenaars alzo? Mattheüs 5:48: Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is.

“De ondoorgrondelijke beschikking van God, waardoor Hij toelaat, dat rechtvaardigen verdrukking lijden door de wreedheid van de goddelozen, heeft velen, die zwak staan in het geloof, voor onoplosbare problemen gesteld. Sommigen zijn zelfs bereid hun vertrouwen in God te laten varen, omdat Hij toestaat, dat de ergste ongelovigen voorspoed hebben, terwijl de beste en reinste gelovigen worden gekweld en gemarteld door hun wrede macht. ‘Hoe kan Iemand, die rechtvaardig, barmhartig en almachtig is zo’n onrechtvaardigheid en verdrukking toestaan?’, vragen ze. Deze vraag mag ons niet verontrusten. God heeft ons genoeg bewijzen van Zijn liefde gegeven, en we mogen Zijn goedheid niet in twijfel trekken, omdat we de werking van Zijn voorzienigheid niet begrijpen…

Hij (de Heer) vergeet noch verlaat Zijn kinderen, maar laat de ongelovigen hun ware aard tonen, zodat niemand, die Zijn wil wenst te doen, zich hoeft te vergissen. De rechtvaardigen worden ook in het vuur van de verdrukking geplaatst, opdat zij zelf gelouterd zouden worden.” –De Grote Strijd, blz. 43-44.

DONDERDAG — 9 mei

5. Het Voorbeeld volgen

A. Wat brengt Petrus, nadat hij christenen heeft bemoedigd om verdrukkingen en vervolging met vreugde tegemoet te treden, als het sterkste argument om dit te doen?

1 Petrus 2:21-24.

1 Petrus 2:21: Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij Zijn voetstappen zoudt navolgen; 1 Petrus 2:22: Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden; 1 Petrus 2:23: Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Dien, Die rechtvaardiglijk oordeelt; 1 Petrus 2:24: Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt.

“Jezus heeft meer voor ons geleden, dan één van Zijn volgelingen ooit zal kunnen lijden door de wreedheid van slechte mensen. Zij, die folteringen en de marteldood moeten ondergaan, lopen slechts in de voetsporen van Gods geliefde Zoon.” –De Grote Strijd, blz. 43.

B. Welke bemoedigende illustratie geeft de apostel aan het einde van zijn gedachten over hoe we pijniging het hoofd moeten bieden?

1 Petrus 2:25;

1 Petrus 2:25: Want gij waart als dwalende schapen; maar gij zijt nu bekeerd tot den Herder en Opziener uwer zielen.

Johannes 10:11.

Johannes 10:11: Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen.

“Christus wordt voorgesteld als uitgaande en zoekende naar het schaap, dat verloren was. Het is Zijn liefde, die ons omringt en ons terugbrengt tot de kudde. Zijn liefde geeft ons het voorrecht met Hem te zitten in de hemelse plaatsen.” –Uit de Schatkamer der Getuigenissen 3, blz. 77-78.

“Onze werkers, predikanten, leraren, artsen, directeuren, moeten allemaal bedenken, dat zij beloofd hebben met Christus samen te werken… Zij moeten een voortdurend gevoel koesteren van de liefde van de Heiland, van Zijn doeltreffendheid, Zijn waakzaamheid en Zijn tederheid. Zij moeten naar Hem opzien als de Herder en Raadsheer van hun ziel. Dan zullen ze de sympathie en steun krijgen van de hemelse engelen. Christus zal hun vreugde en kroon van vreugde zijn. Hun hart zal beheerst worden door de Heilige Geest, en zij zullen een kennis van de waarheid hebben die louter naamgelovigen nooit kunnen verkrijgen.” –Counsels to Parents, Teachers, and Students, blz. 284.

VRIJDAG — 10 mei

Terugblik

1. Hoe kan ik bevrijd worden van de slavernij van eetlust en hartstochten?

2. Wat zal van mijn leven een levend getuigenis maken van de kracht van het Evangelie?

3. Wat zijn enige manieren, dat ik beter gehoorzaamheid aan het gezag kan tonen?

4. Wat moet mijn antwoord zijn, als ik vals word beschuldigd of zelfs word uitgescholden?

5. Wat zal mij werkelijk bereid maken om voor Jezus te lijden?