Tekst om te onthouden: “Maar wast op in de genade en kennis van onze Heere en Zaligmaker, Jezus Christus”
2 Petrus 3:18
“Als we ons de zegen van God toe-eigenen, zullen we in staat zijn een grotere mate van Zijn genade te ontvangen. Als we leren te volharden, terwijl we Hem zien, die onzichtbaar is, zullen we veranderd worden naar het beeld van Christus… Opwassen in genade zal er niet toe leiden, dat u trots, zelfverzekerd en opschepperig wordt, maar zal u meer bewust maken van uw eigen nietigheid, van uw volledige afhankelijkheid van de Heer.” –God's Amazing Grace , blz . 296.
Aanvullende studie :: -De Wens der Eeuwen, blz. 271-277.
A. Wat is geschreven over Jezus in Zijn kinderjaren?
Lukas 2:40.
“Hij, de Majesteit des hemels, de Koning der heerlijkheid, werd als een baby in Bethlehem geboren en was gedurende een tijd het hulpeloze kind in de zorgen van zijn moeder . In zijn kinderjaren sprak en deed Hij als een kind, eerde Zijn ouders en deed, wat Hem werd opgedragen. Maar vanaf de eerste vorming van het verstand, groeide Hij voortdurend op in genade en kennis der waarheid.” –Karaktervorming, blz. 106.
B. Hoe was het met het kind Johannes, de neef van Jezus?
Lukas 1:80.
Wat is eigenlijk Gods plan voor al Zijn kinderen?
1 Thessalonicensen 5:23-24.
“Heiligmaking. Hoevelen begrijpen de volledige betekenis van heiligmaking? De geest is beneveld door zinnelijke malaria. De gedachten moeten gezuiverd worden. Wat zouden mannen en vrouwen niet geweest kunnen zijn, als ze hadden beseft, dat de behandeling van het lichaam alles te maken heeft met de levenskracht en zuiverheid van gedachten en hart.
De ware christen doet een ervaring op, die heiligheid voortbrengt. Zijn geweten is vrij van elke smet van schuld, zijn ziel heeft geen spoor van verderf.” –Bijbelkommentaar, blz. 558.
A. Wat is de beangstigende toestand van degenen, die ooit van het licht uit de Hemel genoten, maar het later verwierpen?
Hebreeën 6:4-6.
B. Welke ernstige waarschuwing gaf Jezus aan de Joden, die Hem verwierpen?
Matthéüs 12:31-32.
“Niemand behoeft te zien op de zonde tegen de Heilige Geest als iets geheimzinnigs en onbeschrijfelijks. De zonde tegen de Heilige Geest is de zonde van de volhardende weigering om te antwoorden op de uitnodiging tot berouw en bekering.
Er bestaat geen hoop op het hogere leven, dan door de onderwerping van de ziel aan Christus.” –Het Geloof Waardoor Ik Leef, blz. 58.
“Zij, die gesproken hadden tegen Jezus Zelf, zonder Zijn goddelijk karakter te onderscheiden, zouden vergeving kunnen ontvangen; want door middel van de Heilige Geest zouden zij ertoe gebracht kunnen worden hun dwaling in te zien en berouw te tonen. Wat de zonde ook is, wanneer de ziel berouw toont en gelooft, wordt de schuld weggewassen in het bloed van Christus; maar hij die het werk van de Heilige Geest verwerpt, plaatst zichzelf in een positie, waar berouw en geloof hem niet kunnen bereiken. Juist door de Geest werkt God aan het hart; wanneer mensen moedwillig de Geest verwerpen en verklaren, dat deze van Satan komt, snijden ze het kanaal, waardoor God met hen in verbinding kan komen, af. Wanneer de Geest uiteindelijk verworpen wordt, kan God niets meer doen voor de ziel.” –De Wens der Eeuwen, blz. 271-272.
C. Welke invloed hebben onze woorden op ons karakter?
Matthéüs 12:36.
“Nauw verwant met Jezus’ waarschuwing, wat betreft de zonde tegen de Heilige Geest, is een waarschuwing tegen ijdele en boze woorden. De woorden zijn een aanwijzing van wat in het hart leeft. 'Uit de overvloed des harten spreekt de mond'. Maar woorden zijn meer dan een aanduiding van het karakter; zij hebben macht om te reageren op het karakter. Mensen worden beïnvloed door hun eigen woorden… Wanneer ze eenmaal uitdrukking gegeven hebbeb aan een mening of beslissing, zijn ze dikwijls te trots om die woorden terug te nemen, en ze trachten te bewijzen, dat ze gelijk hadden, totdat ze ertoe komen te geloven dat zij gelijk hebben. Het is gevaarlijk woorden van twijfel uit te spreken, en gevaarlijk om aan het goddelijk licht te twijfelen en er kritiek op uit te oefenen. De gewoonte van het ondoordacht en oneerbiedig kritiek uitoefenen heeft een terugwerkende invloed op het karakter, doordat het ongeloof en oneerbiedigheid voedt. Menig mens, die heeft toegegeven aan die gewoonte, is daarmede doorgegaan onbewust van het gevaar, totdat hij bereid was het werk van de Heilige Geest te bekritiseren en te verwerpen.” –De Wens der Eeuwen, blz. 272-273.
A. Hoe schrijft Paulus over de manier, waarop God onze daden ten behoeve van onze naasten ziet?
Hebreeën 6:10.
“Onze geestelijke kracht en zegen zullen evenredig zijn aan het werk van liefde en de goede werken, die we verrichten. Het gebod van de apostel is: ‘Draagt elkanders lasten, en vervult alzo de wet van Christus’ (Galaten 6:2). Het onderhouden van de geboden van God eist van ons goede werken, zelfverloochening, zelfopoffering en toewijding voor het welzijn van anderen. Niet dat onze goede werken alleen ons kunnen redden, maar dat we zeker niet gered kunnen worden zonder goede werken. Nadat we alles hebben gedaan, waartoe we in staat zijn, moeten we dan zeggen: We hebben niet meer gedaan dan onze plicht, en hoogstens zijn we nutteloze dienaren, die de kleinste gunst van God onwaardig zijn. Christus moet onze gerechtigheid zijn…
Overal om ons heen zijn er mensen, die zielenhonger hebben en die verlangen naar liefde, uitgedrukt in woorden en daden. Vriendelijke sympathie en echte gevoelens van tedere belangstelling voor anderen zouden onze ziel zegeningen brengen, die we nog nooit hebben ervaren, en zouden ons in nauwe verbinding brengen met onze Verlosser, wiens komst naar de wereld was met het doel goed te doen, en wiens leven wij moeten kopiëren. Wat doen wij voor Christus?” –That I May Know Him, blz. 334.
B. Ook al worden we niet gered door onze eigen werken, hoe belangrijk zijn zij dan op onze christelijke reis?
Titus 2:13-14;
Titus 3:8.
“Echt geloof werkt altijd door liefde. Als u naar Golgotha kijkt, is het niet om uw ziel tot rust te brengen bij het niet vervullen van uw plicht, niet om uzelf in slaap te brengen, maar om geloof in Jezus te creëren, een geloof dat zal werken en de ziel zuivert van het slijm van egoïsme. Wanneer wij Christus door geloof aangrijpen, is ons werk nog maar net begonnen. Ieder mens heeft verdorven en zondige gewoonten, die overwonnen moeten worden door krachtige strijd. Van iedere ziel wordt vereist de strijd van het geloof te strijden. Als iemand een volgeling van Christus is, kan hij niet scherp zijn in de omgang, hij kan niet hardvochtig zijn, verstoken van sympathie. Hij kan niet grof zijn in zijn spreken. Hij kan niet vol gewichtigdoenerij en eigendunk zijn. Hij kan niet aanmatigend zijn, noch kan hij harde woorden gebruiken, bekritiseren en veroordelen… We moeten ijverig zijn in goede werken en zorgvuldig zijn in het volhouden van goede werken. En de ware Getuige zegt: ‘Ik weet uw werken’ (Openbaring 2:2).” – Selected Messages, bk. 2, blz. 20.
A. Wat kunnen we leren over de zekerheid van Gods beloften ?
Hebreeën 6:13-15.
B. Wat verklaart God over Zijn beloften?
Hebreeën 6:16-18.
“God kan en wil ‘meer dan overvloedig’ (Hebreeën 6:17) Zijn dienstknechten de kracht schenken, die ze nodig hebben, als ze beproefd worden. De plannen van de vijanden van Zijn werk kunnen goed gemaakt zijn, maar God kan ze onmogelijk maken. En dit doet Hij op het moment, dat Hij het juist acht, en op Zijn eigen wijze, als Hij ziet, dat het geloof van Zijn knechten voldoende is beproefd.” –Profeten en Koningen, blz. 101-102.
C. Waar is ons anker van de ziel?
Hebreeën 6:19-20.
“ Ons geloof moet tot binnen het voorhangsel reiken en dingen zien, die onzichtbaar zijn. Niemand anders kan voor u zien. U moet zelf aanschouwen. In plaats van te morren over de zegeningen, die onthouden zijn, moeten wij ons de zegeningen, die reeds ontvangen zijn, herinneren.” –Bijbelkommentaar, blz. 593.
“ We kunnen de meningen van wie dan ook, hoe geleerd ook, niet met zekerheid aanvaarden, tenzij ze in harmonie zijn met de woorden van de Grote Leraar. De meningen van dwalende mensen zullen voor onze aanvaarding worden gepresenteerd, maar Gods Woord is onze autoriteit, en we mogen nooit menselijke leringen aanvaarden zonder het meest overtuigende bewijs, dat deze in overeenstemming zijn met de leringen van Gods Woord. We moeten weten, dat we weten dat we op het platform van de eeuwige waarheid staan: het Woord van de levende God.
Waarheid, kostbare waarheid uit het Woord van God moet gepresenteerd worden, zowel in het openbaar als in gezinnen. Wij hebben een boodschap, die een volk moet voorbereiden om stand te houden te midden van de gevaren van de laatste dagen… De waarheid zal elke test doorstaan. die erop wordt uitgeoefend. Het kan niet omvergeworpen worden door de drogredenen van Satan. Hoe meer deze wordt aangevallen, hoe helderder en duidelijker deze zal schijnen. Zullen we, als we aanwijzingen zien van de actieve, serieuze inspanningen van de vijand, geen vastberaden pogingen ondernemen om de boodschap in duidelijke, vastberaden lijnen over te brengen? Zullen wij niet naar voren treden in de kracht en Geest van God, en lessen ontvangen en doorgeven van de Grote Leraar?... ‘Heere, Gij zijt mijn God; U zal ik verhogen, Uw naam zal ik loven; want Gij hebt wonder gedaan; Uw raadslagen van verre zijn waarheid en vastheid’ (Jesaja 25:1)… Laten we ons verankeren in de woorden van de Heere God van Israël.” –That I May Know Him, blz. 210.
A. Welke familie was door God gekozen voor het priesterschap in het aardse heiligdom, en waarom?
Exodus 28:1-2;
Exodus 32:7-8,
Exodus 32:25-26.
“Op Gods bevel werd de stam van Levi afgezonderd voor de dienst in het heiligdom. Vroeger was elke man de priester van zijn eigen gezin. In de dagen van Abraham werd het priesterschap beschouwd als het recht van de oudste zoon. Nu aanvaardde de Heere, in plaats van de eerstgeborene van Israël, de stam van Levi om het werk in het heiligdom te verrichten. Hiermee openbaarde Hij Zijn goedkeuring over hun trouw, zowel in het vasthouden aan Zijn dienst als in het voltrekken van Zijn oordelen, toen Israël had gezondigd door het gouden kalf te aanbidden. Het priesterschap bleef echter beperkt tot de familie van Aäron. Alleen Aäron en zijn zonen mochten dienen voor het aangezicht des Heeren; de verdere leden van de stam moesten zorgen voor de tabernakel en zijn gebruiksvoorwerpen, ze moesten de priesters bijstaan in hun dienst, maar mochten niet offeren, wierook branden of de heilige dingen zien, tenzij ze bedekt waren.” –Patriarchen en Profeten, blz. 313.
B. Waarom werd dit plan vervangen door een ander priesterschap, dat een voorafschaduwing was van Christus?
Hebreeën 7:11,
Hebreeën 7:15-17,
Hebreeën 7:21-23.
C. Vergelijk het aardse priesterschap met dat van Christus en leg uit hoe doeltreffend het priesterschap van Christus is voor onze verlossing.
Hebreeën 7:25-28.
“Christus was in staat tot het uiterste te redden, omdat Hij altijd leeft om voor ons te bemiddelen. Het enige wat de mens mogelijkerwijs kan doen voor zijn eigen verlossing is de uitnodiging aannemen: ‘en die wil, neme het water des levens om niet’ (Openbaring 22:17). Er kan geen zonde door de mens worden begaan, waarvoor op Golgotha geen genoegdoening is verkregen.” –Selected Messages, bk. 1, blz. 343.
1. Hoe kan het onderwijs van Jezus en Johannes de Doper een inspiratie voor ons zijn?
2. Verklaar het neerwaartse proces van de zonde tegen de Heilige Geest.
3. Hoe worden echte goede werken gemotiveerd?
4. Welk bewijs heb ik in mijn leven gezien, dat Gods beloften waar zijn?
5. Waarom is het priesterschap van Christus belangrijk voor mij bij het zoeken naar verlossing?