Tekst om te onthouden: “Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden. Zo laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, Zijn smaadheid dragende”
Hebreeën 13:12–13
“Christus moest, als onze plaatsvervanger, lijden buiten de grenzen van Jeruzalem. Hij stierf buiten de poort, waar misdadigers en moordenaars werden terechtgesteld. Vol betekenis zijn de woorden: ‘Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek der wet, door voor ons een vloek te worden’ (Galaten 3:13).”–De Wens der Eeuwen, blz. 649.
Aanvullende studie :: -Het Bijbels Gezin, blz. 371-376.
A. Wat was het specifieke probleem van de gemeente van Efeze?
Openbaring 2:4-5.
“De leden der gemeente (van Efeze) waren één in gevoelen, één in de arbeid. Liefde tot Christus was de gouden keten, die hen samenbond. Ze poogden hun Heer steeds beter te leren kennen, en in hun leven was de blijdschap en vrede van Christus zichtbaar. Ze bezochten de weduwen en de wezen in hun verdrukking, en bewaarden zich onbesmet van de wereld…
Maar na een tijd begon de ijver van de gelovigen te tanen, en hun liefde tot God en tot elkaar verkoelde. De gemeente werd koud. Sommigen vergaten de wonderbare wijze, waarop ze de waarheid hadden leren kennen. De ene leider na de andere viel op zijn post. Sommigen van de jongere arbeiders, die de last van deze pioniers hadden moeten verlichten, en op deze wijze voorbereid zouden zijn om de leiding over te nemen, kregen een afkeer van de steeds weer herhaalde waarheden. In hun verlangen naar iets nieuws en verrassends trachtten ze andere leerstellingen in te voeren, die voor velen aangenamer klonken, doch niet in overeenstemming waren met de grondbeginselen van het evangelie…
Toen deze valse leerstellingen naar voren kwamen, ontstonden er verschillen, en werden de ogen van velen afgewend van Jezus als de Leidsman en Voleinder van hun geloof. Het bespreken van onbelangrijke leerpunten en de overdenking van de aangename verdichtsels van de mens zelf, namen tijd in, die besteed had moeten worden in de verkondiging van het evangelie.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 422-423.
A. Welk christelijk kenmerk wordt door de apostel Paulus benadrukt?
Titus 1:7-8;
Hebreeën 13:1-2.
“”Gastvrij” wordt onder inspiratie van de Heilige Geest special genoemd als karaktertrek van iemand, die verantwoordelijkheid draagt in de gemeente. En ieder gemeentelid krijgt de opdracht: ‘wees gastvrij voor elkaar, zonder morren. Laat ieder de ander dienen met de genadegave, zoals hij die ontvangen heeft, als goede beheerders van de veelsoortige genade van God’.
Deze vermaningen worden vreemd genoeg erg verwaarloosd. Zelfs belijdende christenen zijn te weinig werkelijk gastvrij. Ons eigen volk beschouwt gastvrijheid niet, zoals het behoort: als voorrecht en zegen. We zijn over het algemeen niet sociaal genoeg. We missen de instelling om rekening te houden met twee of drie gasten aan tafel, zonder dat we óf ons schamen, óf ons uitsloven…
God houdt niet van dat egoïstich bezig zijn met “ik en mijn gezin”….
Als de geest van gastvrijheid sterft, raakt ons hart door zelfzucht verlamd.” –Het Bijbels Gezin, blz. 371, 372, 373.
B. Noem twee Oudtestamentische voorbeelden van christelijke gastvrijheid.
Genesis 18:1-8;
Genesis 19:1-3.
“De Bijbel legt veel nadruk op het tonen van gastvrijheid.We worden niet alleen aangespoord tot gastvrijheid, omdat het onze plicht is. De Bijbel laat ook veel moois zien over getoonde gastvrijheid, en wat voor zegeningen het brengt. Het leven van Abraham is hierin een voornaam voorbeeld…
God vond zijn gastvrijheid belangrijk genoeg om hiervan in Zijn woord melding te maken. En meer dan duizend jaar later werd door de geïnspireerde apostel erop gewezen: 'Vergeet de gastvrijheid niet, want hierdoor hebben sommigen zonder het te weten engelen onderdak verleend’.
Het voorrecht van Abraham en Lot wordt ons niet onthouden. Als wij gastvrijheid verlenen aan Gods kinderen, ontvangen wij ook Zijn engelen in onze woning. Ook in onze dagen betreden engelen in mensengestalte huizen van mensen,die hen onderdak verlenen. Christenen, die in het licht van Gods aangezicht leven, worden steeds door onzichtbare engelen begeleid. En deze heilige wezens laten een zegen in ons gezin achter.” –Het Bijbels Gezin, blz. 371.
A. Wanneer heeft God het instituut huwelijk ingesteld?
Genesis 1:26-28;
Genesis 2:18,
Genesis 2:21-24.
Hoe zegende Christus het huwelijk in Zijn bediening?
Johannes 2:1-5.
“God zegende het eerste huwelijk in. Deze instelling heeft dus de Schepper van het heelal als oorsprong. ‘Laat het huwelijk bij allen in ere zijn’. Het is één van de eerste geschenken van God aan de mens, en het is één van de twee instellingen, die Adam na de zondeval meenam uit het Paradijs. Als je de Goddelijke principes van deze relatie kent en gehoorzaamt, is het huwelijk een zegen. Het beschermt de reinheid en het geluk van de mens. Het biedt een vervulling voor de behoefte aan social contact en het brengt de mens lichamelijk, geestelijk en moreel op een hoger niveau.
Hij, die Eva aan Adam tot hulp gaf, verrichtte Zijn eerste wonder op een bruiloftsfeest. In de feestzaal waren vrienden en familie vrolijk bijeen, toen Christus Zijn officiële dienstwerk begon. Zo gaf Hij het huwelijk Zijn zegen en erkende het als een instituut, dat Hij Zelf heeft ingesteld.
Christus eerde de huwelijksrelatie door het tot symbool te maken van de eenheid tussen Hem en Zijn verlosten. Hij Zelf is de Bruidegom. De bruid is de hemeente. Hij zegt tot Zijn uitverkorene: 'Alles is schoon aan u, mijn liefste, zonder enig gebrek zijt gij’.” –Het Bijbels Gezin, blz. 20-21.
“Zijn (Christus’) eerste wonder deed Hij tijdens een bruiloftsfeest. Zo verkondigde Hij aan de wereld, dat het huwelijk, als het zuiver en onbevlekt gehouden wordt, een heilige instelling is.” –Het Bijbels Gezin, blz. 280.
B. Wat zei Christus tegen de Farizeeën, toen hem werd gevraagd over echtscheiding?
Matthéüs 19:1-8.
Hoe lang moet de huwelijksgelofte duren?
Romeinen 7:1-3;
1 Korinthe 7:39;
Maleáchi 2:14-16.
“Jongeren denken romantisch over het huwelijk. Hun fantasie gaat ermee aan de haal. Het valt niet mee om dit beeld te corrigeren, en hen bewust te maken van de grote verantwoordelijkheden, die de huwelijksgelofte met zich meebrengt. Deze gelofte bindt de bestemming van twee mensen samen; een band, die door niets anders dan alleen de dood verbroken kan worden.
Over het aangaan van een huwelijk moet je zorgvuldig nadenken, want het huwelijk is een stap voor heel je leven. Zowel man als vrouw moeten zorgvuldig overwegen, of zij zich voor heel hun leven, door alle wisselvalligheden van het leven heen, aan elkaar kunnen hechten.” –Het Bijbels Gezin, blz. 279.
A. Hoe moeten gemeenteleden, in overeenstemming met de Inspiratie, hun trouwe leiders beschouwen?
Hebreeën 13:7;
1 Thessalonicensen 5:12-13.
“Nadrukkelijk leert de Bijbel ons, dat we ons moeten wachten om niet lichtvaardig hen te beschuldigen, die God heeft geroepen als Zijn gezanten. De apostel Petrus zegt, als hij een klas van openbare zondaars beschrijft: ‘Zulke vermetelen, vol van zelfbehagen, schromen niet de heerlijkheden te lasteren, terwijl engelen, hun meerderen in sterkte en macht, bij de Heere geen smadelijk oordeel tegen deze inbrengen’ (2 Petrus 2:10-11). En Paulus zegt in zijn onderricht aan hen, die over de gemeente zijn geplaatst: 'Gij moet geen klacht tegen een oudste aannemen, tenzij er twee of drie getuigen zijn’ (1 Timótheüs 5:19). Hij, die op mensen de zware verantwoordelijkheid heeft gelegd van leiders en leraars voor Zijn volk, zal de mens aansprakelijk stellen voor de wijze, waarop men Zijn dienstknechten behandelt. We moeten hen eren, die door God geëerd worden.” –Patriarchen en Profeten, blz. 349.
B. Hoe ging God met hen om, toen Aäron en Mirjam in opstand kwamen tegen het leiderschap van Mozes?
Numeri 12:1-10;
Exodus 20:12.
“Het oordeel, waardoor Mirjam getroffen werd, noet een bestraffing zijn voor allen, die aan afgunst toegeven en die morren tegen hen, op wie God de last van Zijn werk heeft gelegd.” –Patriarchen en Profeten, blz. 349.
“Ouders hebben recht op een mate van liefde en eerbied, waarop geen ander recht heeft. God Zelf, die op hen de verantwoordelijkheid heeft gelegd voor zielen, die aan hen zijn toevertrouwd, heeft bepaald, dat in de vroege levensjaren ouders de plaats van God bij hun kinderen zullen innemen. Wie het rechtmatig gezag van zijn ouders verwerpt, verwerpt hiermee het gezag van God. Het vijfde gebod eist, dat kinderen niet slechts respect, onderdanigheid en gehoorzaamheid tonen jegens hun ouders, maar ook dat ze hun liefde en tederheid bewijzen, hun lasten verlichten, zorg dragen voor hun goede naam, en hen helpen en troosten als ze oud zijn. Tevens wordt gewezen op eerbied voor evangeliedienaars en heersers en anderen, aan wie God gezag heeft verleend.” –Patriarchen en Profeten, blz. 272-273.
C. Welk Bijbels begrip is op vreemde wijze vergeten in de moderne samenleving, en maar al te vaak, waarom?
Hebreeën 13:17-18;
Leviticus 19:32.
“U stelt uw mening vaak boven mannen en vrouwen, die veel meer jaren ervaring hebben dan uzelf, en die veel beter gekwalificeerd zijn om te leiden en woorden van wijs oordeel te geven dan uzelf.” –Testimonies for the Church, vol . 2, blz. 163.
A. Wat staat er geschreven over de twee naturen van Christus?
Jesaja 9:6;
Johannes 1:1-3,
Johannes 1:14;
Hebreeën 1:1-3,
Hebreeën 1:6-10.
“Door Zijn mensheid verbond Christus Zich met de mensheid, door Zijn goddelijkheid maakt Hij aanspraak op de troon van God. Als Zoon des mensen gaf Hij ons een voorbeeld van gehoorzaamheid; als Zoon van God geeft Hij ons de kracht om te gehoorzamen. Het was Christus, die vanuit de struik op de berg Horeb tot Mozes sprak, zeggende: ‘IK BEN, DIE IK BEN… Aldus zult gij tegen de kinderen Israëls zeggen: IK BEN heeft mij tot u gezonden’ (Exodus 3:14). Dit was de belofte van Israëls bevrijding. Toen Hij ‘de mensen gelijk’ werd, maakte Hij Zich dan ook bekend als de grote IK BEN. Het Kind van Bethlehem, de zachtmoedige en nederige Heiland, is God ‘geopenbaard in het vlees' (1 Timótheüs 3:16). En tot ons zegt Hij: ‘IK BEN de Goede Herder’. ‘IK BEN het levende Brood’. ‘IK BEN de Weg, de Waarheid en het Leven’. ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde’ (Johannes 10:11; 6:51; 14:6; Matthéüs 28:18). IK BEN de borg van iedere belofte. IK BEN; vreest niet. ‘God met ons’ is de zekerheid van onze verlossing van de zonde, de verzekering van onze kracht om de wet des hemels te gehoorzamen.” –De Wens der Eeuwen, blz. 13-14.
B. Verloor Christus tijdens Zijn incarnatie iets van Zijn goddelijke eigenschappen? Verklaar. Maleáchi 3:6;
Hebreeën 13:8;
Jakobus 1:17.
“God is er altijd geweest. Hij is de grote IK BEN. De psalmist verklaart: ‘Voordat de bergen werden voortgebracht, of ooit Gij de aarde en de wereld had gevormd, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid, zijt Gij God’. Hij is de hoge en verhevene, die de eeuwigheid bewoont… Hij is oneindig en alomtegenwoordig. Geen enkel woord van ons kan Zijn grootheid en majesteit beschrijven.” –Medical Ministry, blz. 92.
1. Hoe kan ik ontsnappen aan de valkuil, die zich in Efeze voordeed?
2. Waarom is gastvrijheid zo’n waardevol bezit in de gemeente?
3. Als we de Bijbel serieus nemen, hoe moeten we dan het huwelijk begrijpen?
4. Leg de verstrekkende reikwijdte van het vijfde gebod uit.
5. Waarom is het van levensbelang voor ons om de twee naturen van Christus te koesteren?