Het Evangelie volgens Paulus: Hebreeën — SABBAT, 16 maart 2024

Les 11: Geloofshelden

Tekst om te onthouden

Tekst om te onthouden: “Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet. Want daardoor hebben de ouden getuigenis bekomen”

Hebreeën 11:1–2

“Reddend geloof is een overeenkomst, waarbij zij, die Christus aannemen, een verbond aangaan met God. Wezenlijk geloof is leven. Een levend geloof betekent een toenemen van kracht, een vast vertrouwen, waardoor de ziel tot een overwinnende macht wordt.” –De Wens der Eeuwen, blz. 294-295.

Aanvullende studie :: -Gospel Workers, blz. 258-263.

ZONDAG — 10 maart

1. ABEL

A. Waarom aanvaardde God Abel en zijn offer?

Hebreeën 11:4.

Hebreeën 11:4: Door het geloof heeft Abel een meerdere offerande Gode geofferd dan Kain, door hetwelk hij getuigenis bekomen heeft, dat hij rechtvaardig was, alzo God over zijn gave getuigenis gaf; en door hetzelve geloof spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.

“Abel verstond de grote beginselen van het verlossingswerk. Hij zag zich als een zondaar, en hij zag zonde en de dood als de straf op de zonde, tussen zijn ziel en de omgang met God staan. Hij bracht het offerdier, het geofferde leven, en erkende op deze wijze de aanspraken van de wet, die geschonden was. Door het vergoten bloed zag hij heen naar het toekomstig offer, Christus, stervend aan het kruis op Golgotha; en in vertrouwen op de verzoening, die daar tot stand kwam had hij het getuigenis, dat hij rechtvaardig was, en dat zijn offer werd aanvaard.” –Patriarchen en Profeten, blz. 46.

B. Waarom verwierp God Kaïn en zijn offer?

Hebreeën 9:22.

Hebreeën 9:22: En alle dingen worden bijna door bloed gereinigd naar de wet, en zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving.

“Abel koos geloof en gehoorzaamheid; Kaïn, ongeloof en opstand. Hier lag de kern van de zaak.

Kaïn en Abel stellen twee klassen voor, die in deze wereld tot het einde toe bestaan. Eén groep aanvaardt het aangewezen offer voor de zonde; de anderen vertrouwen op hun eigen verdiensten; hun offer maakt geen aanspraak op goddelijke tussenkomst, en kan daarom de mens nooit met God verzoenen. Alleen door de verdiensten van Jezus kunnen onze overtredingen vergeven worden.” –Patriarchen en Profeten, blz. 46-47.

MAANDAG — 11 maart

2. NOACH

A. Wat staat er over Noach geschreven?

Genesis 6:8-9,

Genesis 6:8: Maar Noach vond genade in de ogen des HEEREN. Genesis 6:9: Dit zijn de geboorten van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijn geslachten. Noach wandelde met God.

Genesis 6:22;

Genesis 6:22: En Noach deed het; naar al wat God hem geboden had, zo deed hij.

Hebreeën 11:7.

Hebreeën 11:7: Door het geloof heeft Noach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen, die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin; door welke ark hij de wereld heeft veroordeeld, en is geworden een erfgenaam der rechtvaardigheid, die naar het geloof is.

“Terwijl Noach zijn waarschuwende boodschap aan de wereld bracht, getuigden zijn daden van zijn oprechtheid. Op deze wijze werd zijn geloof volmaakt en was het zichtbaar. Hij gaf aan de wereld een voorbeeld van het feit, dat hij God geloofde. Alles, wat hij bezat, besteedde hij voor de ark. Toen hij begon met de bouw van deze enorme boot op het land, kwamen er van her en der grote menigten om dat vreemde schouwspel te zien en te luisteren naar de ernstige, dringende woorden van de eigenaardige prediker. Elke hamerslag was een prediking tot het volk.” –Patriarchen en Profeten, blz. 64.

B. Welke vergelijking gaf Jezus over deze laatste dagen?

Matthéüs 24:37-39.

Mattheüs 24:37: En gelijk de dagen van Noach waren, alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen. Mattheüs 24:38: Want gelijk zij waren in de dagen voor den zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe, in welken Noach in de ark ging; Mattheüs 24:39: En bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam; alzo zal ook zijn de toekomst van de Zoon des mensen.

“De zonden, die oorzaak waren van Gods toorn ten tijde van de vloed, bestaan ook heden. Gods vrees is geweken uit de harten der mensen, en Zijn wet wordt met onverschilligheid en verachting beschouwd. De hedendaagse mensheid is even werelds als toen… God veroordeelde die mensen niet, omdat ze aten en dronken; Hij had hun de voortbrengselen van de aardbodem gegeven om te benutten. Hun zonde was, dat ze deze gaven gebruikten zonder de Gever dank te zeggen en zichzelf verlaagden door toe te geven aan hun eetlust. Het stond hun vrij te trouwen. God had het huwelijk ingesteld; het was één van de eerste dingen, die Hij instelde. Hij gaf speciale aanwijzingen omtrent deze instelling, en hulde deze in heiligheid en schoonheid; maar deze aanwijzingen had men vergeten, en het huwelijk werd misbruikt om hartstochten te bevredigen.

Een soortgelijke toestand bestaat ook nu. Datgene, wat op zichzelf goed is, wordt misbruikt. De eetlust wordt niet beteugeld. Belijdende volgelingen van Christus eten en drinken met de dronkaards, terwijl hun namen voorkomen op de ledenlijst van de kerk. Onmatigheid stompt de morele en geestelijke krachten af en baant de weg voor het toegeven aan lage hartstochten. Velen vinden het onnodig hun zinnelijke verlangens te beteugelen, en worden de slaven van hun hartstocht. Ze leven alleen voor werelds genot en zinnelust. Buitensporigheid komt in alle kringen voor. Oprechtheid wordt opgeofferd aan luxe en vertoon. Zij, die streven naar rijkdommen, verdraaien het recht en verdrukken de armen, en nog steeds worden zielen van mensen gekocht en verkocht. Bedrog, omkoperij en diefstal vinden overal plaats. De dagbladen staan vol berichten van moord, van misdaden die de schijn geven, dat alle menselijk gevoel zo geweken is.” –Patriarchen en Profeten, blz. 70-71.

DINSDAG — 12 maart

3. JAKOB

A. Welke vreselijke zonde heeft een donkere vlek op Jakobs ervaring gemaakt?

Genesis 25:29-33;

Genesis 25:29: En Jakob had een kooksel gekookt; en Ezau kwam uit het veld, en was moede. Genesis 25:30: En Ezau zeide tot Jakob: Laat mij toch slorpen van dat rode, dat rode daar, want ik ben moede; daarom heeft men zijn naam genoemd Edom. Genesis 25:31: Toen zeide Jakob: Verkoop mij op dezen dag uw eerstgeboorte. Genesis 25:32: En Ezau zeide: Zie, ik ga sterven; en waartoe mij dan de eerstgeboorte? Genesis 25:33: Toen zeide Jakob: Zweer mij op dezen dag! en hij zwoer hem; en hij verkocht aan Jakob zijn eerstgeboorte.

Genesis 27:18-24.

Genesis 27:18: En hij kwam tot zijn vader, en zeide: Mijn vader! En hij zeide: Zie, hier ben ik; wie zijt gij, mijn zoon? Genesis 27:19: En Jakob zeide tot zijn vader: Ik ben Ezau uw eerstgeborene; ik heb gedaan, gelijk als gij tot mij gesproken hadt; sta toch op, zit, en eet van mijn wildbraad, opdat uw ziel mij zegene. Genesis 27:20: Toen zeide Izak tot zijn zoon: Hoe is dit, dat gij het zo haast gevonden hebt, mijn zoon? En hij zeide: Omdat de HEERE uw God dat heeft doen ontmoeten voor mijn aangezicht. Genesis 27:21: En Izak zeide tot Jakob: Nader toch, dat ik u betaste, mijn zoon! of gij mijn zoon Ezau zelf zijt, of niet. Genesis 27:22: Toen kwam Jakob bij, tot zijn vader Izak, die hem betastte; en hij zeide: De stem is Jakobs stem, maar de handen zijn Ezau's handen. Genesis 27:23: Doch hij kende hem niet, omdat zijn handen harig waren, gelijk zijns broeders Ezau's handen; en hij zegende hem. Genesis 27:24: En hij zeide: Zijt gij mijn zoon Ezau zelf? En hij zeide: Ik ben het!

“Jakob en Rebekka slaagden in hun opzet, maar ze gewonnen alleen moeite en verdriet door hun bedriegerij. God had gezegd, dat Jakob de zegen zou ontvangen, en Zijn woord zou in vervulling zijn gegaan, als ze in geloof hadden afgewacht, tot Hij voor hen zou werken. Maar evenals zovelen, die nu voorgeven kinderen van God te zijn, waren ze niet bereid de zaak aan Hem over te laten. Rebekka had bittere spijt, dat ze haar zoon een verkeerde raad gegeven had; het gevolg was, dat ze van hem gescheiden werd. Nooit zag ze hem weer. Vanaf het moment dat Jakob het eerstgeboorterecht ontving, werd hij door zelfverwijt gekweld. Hij had gezondigd tegen zijn vader, zijn broer, zijn eigen ziel en tegen God. In een kort ogenblik had hij iets gedaan, waarover hij zijn leven lang berouw zou hebben. In latere jaren stond dit toneel hem levendig voor de geest, toen de slechte handelwijze van zijn zonen zijn ziel terneerdrukte.” –Patriarchen en Profeten, blz. 152.

B. Wanneer werd Jakob volledig vergeven en gerechtvaardigd?

Genesis 32:24-31.

Genesis 32:24: Doch Jakob bleef alleen over; en een man worstelde met hem, totdat de dageraad opging. Genesis 32:25: En toen Hij zag, dat Hij hem niet overmocht, roerde Hij het gewricht zijner heup aan, zodat het gewricht van Jakobs heup verwrongen werd, als Hij met hem worstelde. Genesis 32:26: En Hij zeide: Laat Mij gaan, want de dageraad is opgegaan. Maar hij zeide: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent. Genesis 32:27: En Hij zeide tot hem: Hoe is uw naam? En hij zeide: Jakob. Genesis 32:28: Toen zeide Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israel; want gij hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overmocht. Genesis 32:29: En Jakob vraagde, en zeide: Geef toch Uw naam te kennen. En Hij zeide: Waarom is het, dat gij naar Mijn naam vraagt? En Hij zegende hem aldaar. Genesis 32:30: En Jakob noemde den naam dier plaats Pniel: Want, zeide hij, ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest. Genesis 32:31: En de zon rees hem op, als hij door Pniel gegaan was; en hij was hinkende aan zijn heup.

“Met ernstig geroep en tranen legde hij (Jakob) zijn gebeden voor aan God. Plotseling greep een krachtige hand hem beet… Terwijl hij zo om zijn leven streed, drukte het gevoel van zijn schuld zwaar op hem; zijn zonden stonden hem voor de geest, en stonden tussen hem en God in. Maar in deze vreselijke strijd herinnerde hij zich de beloften van God, en heel zijn hart ging in smeking naar God uit… Het was Christus, 'de Engel des verbonds’, die Zich aan Jakob had geopenbaard. De patriarch was invalide en leed felle pijn, maar hij wilde zijn greep niet loslaten. Berouwvol en gebroken klemde hij zich vast aan de Engel: 'Hij weende en smeekte Hem om genade’ (Hosea 12:4), en bad om een zegen. Hij moest de zekerheid hebben, dat zijn zonden vergeven waren. Lichamelijke pijn kon zijn geest niet afbrengen van dit doel. Zijn vastbeslotenheid nam toe, zijn geloof werd ernstiger en volhardender, tot het einde toe. De Engel trachtte zich te bevrijden en zei: ‘Laat Mij gaan, want de dageraad is gekomen’, maar Jakob gaf ten antwoord: 'Ik laat U niet gaan, tenzij Gij mij zegent’. Als dit een aanmatigende eis was geweest, zou Jacob op dat moment zijn verteerd; maar hier sprak de overtuiging van iemand, die zijn eigen onwaardigheid belijdt en toch rekent op de trouw van een God, die vasthoudt aan zijn verbond.

Jakob ’streed met de engel en overwon’ (Hosea 12:4). Door vernedering, berouw en overgave van zichzelf overwon deze zondige, dwalende sterveling de Majesteit des hemels. Hij had bevend beslag gelegd op Gods beloften, en het hart vol oneindige Liefde kon geen weerstand bieden aan de smeekbede van de zondaar.” –Patriarchen en Profeten, blz. 168.

WOENSDAG — 13 maart

4. SIMSON

A. Verklaar Gods plan voor Simson.

Richteren 13:4-5.

Richteren 13:4: Zo wacht u toch nu, en drink geen wijn noch sterken drank, en eet niets onreins. Richteren 13:5: Want zie, gij zult zwanger worden, en een zoon baren, op wiens hoofd geen scheermes zal komen; want dat knechtje zal een Nazireer Gods zijn, van moeders buik af; en hij zal beginnen Israel te verlossen uit der Filistijnen hand.

“Aan de kinderloze vrouw van Manoach verscheen de Engel des Heren met de boodschap, dat ze een zoon zou ontvangen, door wie God Israël zou verlossen. Met het oog hierop onderrichtte de Engel haar over haar leefwijze, en over de behandeling van het kind… Vanaf zijn jeugd kreeg het kind dezelfde beperkingen opgelegd, met de toevoeging dat zijn haar niet afgeknipt mocht worden; want hij zou aan God gewijd worden vanaf zijn geboorte als een Nazireeër.” –Patriarchen en Profeten, blz. 509.

B. Hoe worden wij gewaarschuwd door de eerste grote fout van Simson?

Richteren 14:1-3

Richteren 14:1: En Simson ging af naar Thimnath, en gezien hebbende een vrouw te Thimnath, van de dochteren der Filistijnen, Richteren 14:2: Zo ging hij opwaarts, en gaf het zijn vader en zijn moeder te kennen, en zeide: Ik heb een vrouw gezien te Thimnath, van de dochteren der Filistijnen; nu dan, neem mij die tot een vrouw. Richteren 14:3: Maar zijn vader zeide tot hem, mitsgaders zijn moeder: Is er geen vrouw onder de dochteren uwer broeders, en onder al mijn volk, dat gij heengaat, om een vrouw te nemen van de Filistijnen, die onbesnedenen? En Simson zeide tot zijn vader: Neem mij die, want zij is bevallig in mijn ogen.

.

“Juist bij het bereiken van de mannelijke leeftijd, de tijd, dat hij aan zijn goddelijke zending gehoor moest geven, de tijd dat hij meer dan ooit trouw had moeten zijn aan God, verbond Simson zich met de vijanden van Israël. Hij vroeg zich niet af of hij God beter verheerlijken kon door zijn verbintenis met het voorwerp van zijn liefde, of dat hij zich daar plaatste, waar hij niet kon beantwoorden aan het doel, dat door zijn leven bereikt kon worden. Aan allen, die in de eerste plaats trachten God te eren, heeft Hij wijsheid beloofd; maar er is geen belofte voor hen, die erop uit zijn zichzelf te behagen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 511.

“Velen houden sterke hartstochten abusievelijk voor een sterk karakter, maar in werkelijkheid is iemand, die zich door zijn hartstochten laat beheersen, een zwakkeling. De ware grootheid van een mens wordt afgemeten naar de kracht van de gevoelens, die hij beheerst, niet naar de gevoelens, waardoor hij beheerst wordt…

Zij, die op het pad der plicht met verzoeking in aanraking komen, kunnen verzekerd zijn, dat God hen wil beschermen; maar als iemand zich opzettelijk blootstelt aan verleiding, zal hij vroeg of laat vallen.

Satan doet zijn uiterste best om juist hen, die door God bedoeld zijn als werktuigen voor een bijzonder werk, te doen afdwalen. Hij valt ons aan op onze zwakke punten, probeert door de gebreken in het karakter zeggenschap over de gehele mens te krijgen; en hij weet, dat hij zal slagen, als men vasthoudt aan deze gebreken.” –Patriarchen en Profeten, blz. 517-518.

C. Wat gebeurde er met Simson, nadat hij zijn gelofte niet trouw was nagekomen?

Richteren 16:4,

Richteren 16:4: En het geschiedde daarna, dat hij een vrouw lief kreeg, aan de beek Sorek, welker naam was Delila.

Rechters 16:21.

Richteren 16:21: Toen grepen hem de Filistijnen, en groeven zijn ogen uit; en zij voerden hem af naar Gaza, en bonden hem met twee koperen ketenen, en hij was malende in het gevangenhuis.

Hoe diep berouwde hij zijn zonden?

Richteren 16:22,

Richteren 16:22: En het haar zijns hoofds begon weder te wassen, gelijk toen hij geschoren werd.

Rechters 16:28-30;

Richteren 16:28: Toen riep Simson tot den HEERE, en zeide: Heere, HEERE! gedenk toch mijner, en sterk mij toch alleenlijk ditmaal, o God! dat ik mij met een wrake voor mijn twee ogen aan de Filistijnen wreke. Richteren 16:29: En Simson vatte de twee middelste pilaren, op dewelke het huis was gevestigd, en waarop het steunde, de enen met zijn rechterhand, en den anderen met zijn linkerhand; Richteren 16:30: En Simson zeide: Mijn ziel sterve met de Filistijnen; en hij boog zich met kracht, en het huis viel op de vorsten, en op al het volk, dat daarin was. En de doden, die hij in zijn sterven gedood heeft, waren meer, dan die hij in zijn leven gedood had.

Hebreeën 11:32.

Hebreeën 11:32: En wat zal ik nog meer zeggen? Want de tijd zal mij ontbreken, zou ik verhalen van Gideon, en Barak, en Samson, en Jeftha, en David, en Samuel, en de profeten;

“In lijden en vernedering, een sport voor de Filistijnen, leerde Simson meer van zijn eigen zwakheid kennen dan hij ooit tevoren had geweten; en zijn beproevingen brachten hem tot berouw.” –Conflict and Courage, blz. 136.

DONDERDAG — 14 maart

5. JOZEF

A. Welke fouten hebben Jozef en zijn vader Jakob begaan met betrekking tot de overige zonen?

Genesis 37:2-3.

Genesis 37:2: Dit zijn Jakobs geschiedenissen. Jozef, zijnde een zoon van zeventien jaren, weidde de kudde met zijn broeders (en hij was een jongeling), met de zonen van Bilha, en de zonen van Zilpa, zijns vaders vrouwen; en Jozef bracht hun kwaad gerucht tot hun vader. Genesis 37:3: En Israel had Jozef lief, boven al zijn zonen; want hij was hem een zoon des ouderdoms; en hij maakte hem een veelvervigen rok.

Wat deden zijn broers hem aan door hun haat tegen Jozef?

Genesis 37:28-36.

Genesis 37:28: Als nu de Midianietische kooplieden voorbijtogen, zo trokken en hieven zij Jozef op uit den kuil, en verkochten Jozef aan deze Ismaelieten voor twintig zilverlingen; die brachten Jozef naar Egypte. Genesis 37:29: Als nu Ruben tot den kuil wederkeerde, ziet, zo was Jozef niet in den kuil; toen scheurde hij zijn klederen. Genesis 37:30: En hij keerde weder tot zijn broederen, en zeide: De jongeling is er niet; en ik, waar zal ik heengaan? Genesis 37:31: Toen namen zij Jozefs rok, en zij slachtten een geitenbok, en zij doopten den rok in het bloed. Genesis 37:32: En zij zonden den veelvervigen rok, en deden hem tot hun vader brengen, en zeiden: Dezen hebben wij gevonden; beken toch, of deze uws zoons rok zij, of niet. Genesis 37:33: En hij bekende hem, en zeide: Het is mijns zoons rok! een boos dier heeft hem opgegeten! voorzeker is Jozef verscheurd! Genesis 37:34: Toen scheurde Jakob zijn klederen, en legde een zak om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen. Genesis 37:35: En al zijn zonen, en al zijn dochteren maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zeide: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf nederdalen. Alzo beweende hem zijn vader. Genesis 37:36: En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, overste der trawanten.

“Maar ook deze (van Jakob) genegenheid zou aanleiding worden tot moeilijkheden en verdriet. Op een niet verstandige wijze toonde Jakob zijn voorkeur voor Jozef, en dit wekte de afgunst van de andere zonen op. Als Jozef het verkeerde gedrag van zijn broers zag, deed dit hem verdriet; zachtmoedig waagde hij het hen erop te wijzen, maar dit wekte alleen maar hun haat en afkeer op. Hij kon niet verdragen,dat ze tegen God zondigden, en hij legde de zaak voor aan zijn vader, in de hoop dat diens gezag hen ertoe zou brengen zich te veranderen.” –Patriarchen en Profeten, blz. 178.

“Een slaaf worden was erger dan de dood. In doodsangst deed hij (Jozef) een beroep op elk van zijn broers, maar tevergeefs… Terwijl ze zich verhardden tegen zijn smeekbeden, gaven ze hem over in de handen van de heidense handelaars.” –Patriarchen en Profeten, blz. 180.

B. Hoe veranderde God het lot van Jozef?

Romeinen 8:28;

Romeinen 8:28: En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn.

Genesis 45:4-8

Genesis 45:4: En Jozef zeide tot zijn broederen: Nadert toch tot mij! En zij naderden. Toen zeide hij: Ik ben Jozef, uw broeder, dien gij naar Egypte verkocht hebt. Genesis 45:5: Maar nu, weest niet bekommerd, en de toorn ontsteke niet in uw ogen, omdat gij mij hierheen verkocht hebt; want God heeft mij voor uw aangezicht gezonden, tot behoudenis des levens. Genesis 45:6: Want het zijn nu twee jaren des hongers in het midden des lands; en er zijn nog vijf jaren, in welke geen ploeging noch oogst zijn zal. Genesis 45:7: Doch God heeft mij voor uw aangezicht henen gezonden, om u een overblijfsel te stellen op de aarde, en om u bij het leven te behouden, door een grote verlossing. Genesis 45:8: Nu dan, gij hebt mij herwaarts niet gezonden, maar God Zelf, Die mij tot Farao's vader gesteld heeft, en tot een heer over zijn ganse huis, en regeerder in het ganse land van Egypte.

.

“Het leven van Jozef is een beeld van het leven van Christus…

Jozef werd door zijn slavernij in Egypte de redder van het geslacht van zijn vader. Dit feit verminderde echter de schuld van zijn broers niet. Zo werd Jezus, die door Zijn vijanden aan het kruis genageld werd, de Verlosser en Redder van het gevallen mensdom, en Heerser over heel de wereld. Maar de misdaad van Zijn moordenaars was in Gods oog even afschuwelijk, alsof Gods voorziening niet de gebeurtenissen had geleid tot Zijn eigen heerlijkheid en het bestwil van de mens.” –Patriarchen en Profeten, blz. 206-207.

VRIJDAG — 15 maart

Terugblik

1. Hoe kunnen we het geestelijke pad van Abel volgen in plaats van Kaïn?

2. Wat zou ons tonen, dat wij christenen zijn op het pad van Noach?

3. Leg de sleutel uit tot Jakobs overwinning ondanks zijn grote zonde.

4. Hoe kunnen ouders hun kinderen begeleiden om Simsons ondergang te voorkomen ?

5. Waarom kunnen we bemoedigd worden door Gods werken in het leven van Jozef?