Tekst om te onthouden: “Welke (hoop) wij hebben als een anker der ziel, dat zeker en vast is, en ingaat in het binnenste van het voorhangsel. Waar de Voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening van Melchizédek, een Hogepriester geworden zijnde in eeuwigheid”
Hebreeën 6:19–20
“In de steengroeve van het Jodendom en van de heidenwereld werkten de apostelen, en hakten ze stenen uit om deze te metselen op het fundament.” –Van Jeruzalem tot Rome. blz. 433.
Aanvullende studie :: -De Wens der Eeuwen, blz. 356-362;; 704-706.
A. Wat maakt het priesterschap van Melchizédek beter dan het Levitische?
Hebreeën 6:19-20;
Hebreeën 7:7,
Hebreeën 7:11,
Hebreeën 7:19,
Hebreeën 7:22,
Hebreeën 7:27.
B. Hoe verhoudt zich dat tot de wetten voor het priesterschap?
Hebreeën 7:12,
Hebreeën 7:28.
C. Welke profetie laat zien, dat deze verandering gepland was en hoe weten we, dat dit alleen over Jezus gaat?
Psalm 110:1,
Psalmen 110:4;
Handelingen 2:34-36;
Hebreeën 6:20.
“Het was de bedoeling, dat de hogepriester op bijzondere wijze Christus zou voorstellen, Hij die voor altijd Hogepriester zou zijn naar de ordening van Melchizédek. Deze priesterordening zou niet overgaan op een ander, of door een andere worden vervangen.” –Bijbelkommentaar, blz. 593-594.
“Toen Christus stierf aan het kruis en met luide stem riep: ‘Het is volbracht’, was Zijn werk voltooid. De weg werd opengelegd, het voorhangsel scheurde in tweeën. De mens kon tot God naderen zonder offergaven, zonder de dienst van aardse priesters. Christus Zelf was voor eeuwig priester naar de ordening van Melchizédek. De hemel was Zijn thuis. Hij kwam naar deze wereld om de Vader te openbaren. Zijn werk op het gebied van Zijn vernedering en strijd was nu gedaan. Hij steeg op naar de hemel.” –The Signs of the Times, 16 augustus 1899.
A. Wat is de basis van het christelijk geloof?
Matthéüs 16:16-18;
1 Korinthe 10:4;
1 Korintiërs 3:11.
“De waarheid, die Petrus had beleden, is de grondslag voor het geloof van de gelovige. Dat is hetgene, waarvan Christus Zelf verklaarde, dat het eeuwige leven was. Maar het bezitten van deze kennis was geen reden tot zelfverheerlijking. Niet door eigen wijsheid of goedheid was het aan Petrus geopenbaard. Nooit kan een mens uit zichzelf kennis van het goddelijke verkrijgen.” –De Wens der Eeuwen, blz. 358.
B. Hoe weten we, dat het fundament niet Petrus is?
Matthéüs 16:21-23;
Jeremia 17:5.
“Velen beweren, dat een vertrouwenspost in de gemeente hen het gezag geeft om te dicteren, wat andere mensen moeten geloven en wat zij moeten doen. God keurt deze bewering niet goed. De Heiland verklaart : ’Gij zijt allen broeders’. Allen zijn blootgesteld aan verzoekingen en allen kunnen dwalen. We kunnen op geen enkel sterfelijk wezen bouwen als leider. De Rots van het geloof is de levende tegenwoordigheid van Christus in de gemeente. Daarop kan de zwakste bouwen, en zij, die menen, dat zij het sterkst zijn, zullen het zwakst blijken te zijn, tenzij ze Christus tot hun sterkte maken.” –De Wens der Eeuwen, blz. 360.
C. Hoe belangrijk is zuivere leer in dit fundament?
1 Johannes 2:21;
2 Johannes 1:10-11;
Spreuken 4:18.
D. Wat voor gemeente zal klaar zijn, als Jezus komt en waarom? Efeze 5:26-27;
1 Timótheüs 3:15.
“Toch zal God een volk op aarde hebben, dat de Bijbel en de Bijbel alleen zal hooghouden als maatstaaf voor alle leerstellingen en de grondslag voor alle hervormingen. De meningen van geleerden, de gevolgtrekkingen van de wetenschap, de geloofsbelijdenissen of beslissingen van kerkvergaderingen, die even talrijk en tegenstrijdig zijn als de kerken, die ze verdedigen, de stem van de meerderheid, niets van dit alles mag worden beschouwd als het bewijs vóór of tegen één of ander geloofspunt. Voordat men leerstellingen of geboden aanneemt, moet men het bewijs hebben, dat ze door een duidelijk ‘Zo spreekt de Here’ worden gestaafd.” –De Grote Strijd, blz. 549.
A. Wat zal een persoonlijk begrip van de waarheid voor ons doen en waar kunnen we een beknopt begrip ervan vinden?
Johannes 8:32;
Psalm 119:142.
“Onze Heer wilde, dat Zijn gemeente aan de wereld de volheid en de overvloed, die wij in Hem vinden, zou weerkaatsen. Wij ontvangen constant van Gods overvloed, en door deze met anderen te delen zullen wij de wereld de liefde en weldadigheid van Christus laten zien. Terwijl de hemel intensief bezig is met het uitzenden van boodschappers naar alle uithoeken van de aarde om het verlossingswerk uit te dragen, moet de gemeente van de levende God ook uit medewerkers van Christus bestaan. Wij zijn leden van Zijn mystieke lichaam. Hij is het hoofd, dat alle lichaamsdelen bestuurt. Door Zijn oneindige genade werkt Jezus Zelf aan het menselijke hart, en bewerkt Hij een geestelijke verandering, die zo verbazingwekkend, is dat engelen het met verbazing en vreugde gadeslaan. Dezelfde onzelfzuchtige liefde, die de Meester karakteriseert, wordt gezien in het karakter en het leven van Zijn ware volgelingen. Christus verwacht, dat mensen deel zullen hebben aan Zijn goddelijke natuur, terwijl zij nog in deze wereld zijn, en dat zij zo niet alleen Zijn heerlijkheid tot eer van God zullen weerkaatsen, maar de duisternis van de wereld zullen verlichten met de stralende gloed van de hemel. Zo zullen de woorden van Christus vervuld worden : ’Gij zijt het licht der wereld’.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 595.
B. Waar leidt de Heilige Geest uiteindelijk een individu naar toe en hoe wordt het anders genoemd in de Schrift?
Johannes 16:13;
Hebreeën 12:23.
“Zij, die Gods geboden bewaren, zij, die niet alleen leven van brood, maar van alle woord dat uit de mond Gods uitgaat, vormen de gemeente van de levende God.” –Bijbelkommentaar, blz. 626.
“O, hoevelen kwetsen het hart van Christus, omdat ze hun eigen weg en hun eigen wil willen volgen. Laat de strijd worden gekeerd tegen deze niet benijdenswaardige karaktertrekken, en dan zullen ze niet tegen elkaar zijn in de gemeente van de levende God. Als er in de gemeente alleen die elementen zouden bestaan, die het leven van Jezus Christus kenmerken, zou er een hechte eenheid zijn. De wereld is tegen de gemeente om haar te verzwakken en te vernietigen, maar laat de gemeente van God samenwerken, samenwerken, samenwerken. Laat Satan zich niet tussen de leden van de gemeente dringen. Geef geen slag aan de vijandelijke kant van de zaak. Weg met egoïsme. Denk niet, dat een of twee mensen in de gemeente alle mensen zijn, die gewetensvol zijn in de gemeente. U bent veel te bekrompen in uw gedachten en in uw daden.” –Manuscript Releases, vol. 15, blz. 147-148.
A. Wie maken nog meer deel uit van het christelijke fundament en waarom zijn ze daar? Efeze 2:19-20; 4:11-12.
B. Waarom moeten we deel uitmaken van deze structuur en hoe helpt lidmaatschap ons? Efeze 4:13-16.
C. Hoe belangrijk is onze verbinding met de gemeente en hoe weten we, dat het niet gaat om individuen, maar om leden, die een gemeenschappelijk lichaam vormen?
Matthéüs 16:18-19;
Mattheüs 18:17-20.
“Er is in alle opzichten te weinig respect voor de mening van de leden van dezelfde gemeente. Het is het gebrek aan eerbied voor het oordeel van de kerk, dat oorzaak is van veel problemen onder de broeders. De ogen van de kerk kunnen in haar individuele leden waarnemen wat degene, die dwaalt, niet zou kunnen zien. Enkele personen kunnen wellicht net zo blind zijn als degene, die dwaalt, maar de meerderheid van de kerk is een kracht, die haar individuele leden zou moeten leiden.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 91-92.
D. Welk gezag heeft de gemeente?
Johannes 20:21-23.
“’Wie gij hun zonden kwijtscheldt’, zei Jezus, ’die zijn ze kwijtgescholden ; wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend’. Christus geeft hier aan niemand het recht over anderen te oordelen. In de Bergrede verbood Hij dit. Dit recht behoort God toe. Maar op de gemeente als organisatie legt Hij de verantwoording voor de afzonderlijke leden. Tegenover degenen, die in zonde vallen, heeft de gemeente een plicht te waarschuwen, te onderrichten en, indien mogelijk, te herstellen. ’Wederleg, bestraf en bemoedig’, zegt de Here, ’met alle lankmoedigheid en onderrichting’ (2 Timótheüs 4:2). Treed getrouw op tegen verkeerde werken. Waarschuw iedere ziel die zich in gevaar bevindt. Laat niemand zichzelf misleiden. Noem de zonde bij zijn ware naam. Verkondig wat God gezegd heeft betreffende liegen, Sabbatschending, stelen, afgodendienst en andere verkeerde dingen. ’Wie dergelijke dingen bedrijven, zullen het koninkrijk Gods niet beërven’ (Galaten 5:21). Indien zij volharden in de zonde, wordt het oordeel, dat gij aan de hand van Gods Woord hebt uitgesproken, in de hemel bevestigd. Door de zonde te verkiezen, verloochenen zij Christus; de gemeente moet tonen, dat zij haar goedkeuring niet hecht aan hun daden, anders zal zij zelf haar Here oneer aandoen. Zij moet over de zonde zeggen, wat God daarover zegt. Zij moet deze behandelen, zoals God heeft voorgeschreven, en haar optreden wordt in de hemel bekrachtigd. Hij, die het gezag van de kerk minacht, minacht het gezag van Christus Zelf.” –De Wens der Eeuwen, blz. 705-706.
A. Hoe is deze gemeente het ware volk van Israël?
Matthéüs 21:43;
1 Petrus 2:9,
1 Petrus 2:5.
“De Farizeeën hadden verklaard, dat zij de kinderen van Abraham waren. Jezus zei hun, dat deze aanspraak alleen bevestigd kon worden door de werken van Abraham te doen. De ware kinderen van Abraham zouden, evenals Hij deed, een leven leiden van gehoorzaamheid aan God. Zij zouden niet trachten Iemand te doden, Die de waarheid, welke Hem van God gegeven was, verkondigde. Door tegen Christus samen te zweren, deden de rabbi’s niet de werken van Abraham. Een louter natuurlijke afstamming van Abraham was waardeloos. Zonder geestelijke verwantschap met hem, die geopenbaard zou worden door het bezit van dezelfde geest en door het doen van dezelfde werken, waren niet zijn kinderen.
Dit beginsel is evenzeer van kracht met betrekking tot een vraag, die de christelijke wereld lang heeft beziggehouden, de vraag van de apostolische opvolging. Afstamming van Abraham werd niet bewezen door naam of afkomst, maar door gelijkheid in karakter. Zo berust ook de apostolische opvolging niet op het overdragen van het kerkelijk gezag, maar op geestelijke verwantschap. Een leven, dat gedreven wordt door de geest der apostelen, door het geloof en het onderwijs in de waarheid, zoals zij die leerden, dit is het ware bewijs van apostolische opvolging. Dit maakt de mensen tot opvolgers van de eerste evangeliepredikers.” –De Wens der Eeuwen, blz. 405-406.
B. Hoe worden we een deel van dit volk?
Matthéüs 7:24-27;
Handelingen 2:37-41,
Handelingen 2:47;
Galaten 3:26-29.
“Zich bij de gemeente aansluiten is één zaak, maar een band aangaan met Christus is heel wat anders. Niet alle namen, die staan opgetekend in de kerkelijke registers, staan ook opgetekend in het boek des levens van het Lam. Velen, ofschoon schijnbaar oprechte gelovigen, onderhouden geen levende band met Christus. Zij staan als lid te boek, zij hebben hun naam opgeschreven in het register, maar de genade heeft op hun hart geen uitwerking gehad. Als gevolg daarvan zijn zij niet gelukkig en dienen God onder druk.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 226.
1. Waarom moest het priesterschap veranderen?
2. Wat is het enige fundament, dat we kunnen vertrouwen?
3. Hoe leidt het kennen van alle waarheid ons naar de gemeente van de levende God?
4. Hoe heeft de gemeente een verantwoordelijkheid voor haar leden?
5. Wat vormt het ware volk van Israël in deze tijd?