Tekst om te onthouden: “Maar gelijk geschreven is: Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft voor hen, die Hem liefhebben”
1 Korinthe 2:9
“Toen God Christus aan onze wereld gaf, gaf Hij in deze ene gave alle schatten van de hemel. Hij hield niets achter. Hij kan niet meer doen, dan Hij heeft gedaan om mensen tot berouw te brengen. Hij heeft geen middelen achter de hand gehouden voor hun redding.” –The Review and Herald, 17 september 1901.
Aanvullende studie :: –De Grote Strijd, blz. 332–350.
A. Wat bereidde God voor het bekronende werk van Zijn schepping, en waarom?
Genesis 1:1;
Jesaja 45:18;
43:7.
“Boven al de lager geschapen wezens bestemde God de mens tot de kroon op Zijn scheppingswerk, die Zijn gedachten moest uitdrukken en Zijn heerlijkheid zou openbaren. Maar de mens mag zichzelf niet als God vereren.” –De Weg tot Gezondheid, blz. 248. “Nadat de aarde was geschapen en de beesten erop, voerden de Vader en de Zoon hun doel uit, dat was ontworpen vóór de val van Satan, om de mens naar hun eigen beeld te maken. Ze hadden samengewerkt in het scheppen van de aarde en al de levende have erop.” –The Spirit of Prophecy, vol. 1, blz. 24. B. Beschrijf wat er gebeurde als gevolg van rebellie (Genesis 3:9-14) tegen Gods oorspronkelijke doel? Genesis 2:17; Romeinen 6:23.
C. Waarom bleef de mens leven na zijn zonde, en wat is betrokken bij het verlossingsplan?
Lukas 19:10;
Openbaring 13:8;
Micha 4:8.
“Hij (Christus) was zowel vóór als na Zijn menswording de Verlosser. Zodra er zonde ontstond, was er een Heiland.” –De Wens der Eeuwen, blz. 169.
A. Hoeveel hemelen bestaan er?
2 Korinthe 12:2;
6:7.
B. Wat is er in de tweede hemel?
Genesis 15:5;
Psalm 8:4;
Deuteronomium 4:19.
C. Waar is de plaats, waar God Zijn volk naartoe brengt, en wie woont daar?
2 Korinthe 12:2, 4;
Openbaring 2:7;
22:1-2;
1 Koningen 8:30.
“Uit vrees voor een te materialistische voorstelling van ‘de toekomstige erfenis’ hebben velen de waarheid in verband met ons eeuwig tehuis vergeestelijkt. Christus gaf Zijn discipelen de verzekering, dat Hij heenging om hun plaats te bereiden in het huis van de Vader. Zij, die Gods Woord aannemen, kunnen al het een en ander te weten komen over hun hemelse tehuis. Toch heeft de Here voor degenen, die Hem liefhebben, iets weggelegd ‘wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en … in geen mensenhart is opgekomen’ (1 Korinthe 2:9). Wij kunnen met onze taal de beloning van de verlosten nooit volledig weergeven. Alleen zij, die het in werkelijkheid zien, zullen er zich ten volle rekenschap van kunnen geven. Ons begrensd verstand kan zich onmogelijk een beeld van de heerlijkheid van Gods paradijs vormen. In de Bijbel wordt de erfenis van de verlosten ‘een vaderland’ genoemd (Hebreeën 11:1416). Daar leidt de hemelse Herder Zijn kudde naar de rivier met ‘het water des levens’. De ‘boom des levens’ geeft elke maand zijn vrucht en de bladeren van de boom zijn ‘tot genezing der volkeren’. De rivieren stromen altijd en hun water is helder als kristal. Op hun oevers staan bomen, die zorgen voor schaduw op het pad van de verlosten. De uitgestrekte vlakten gaan over in prachtige heuvels en de bergen van God verheffen hun hoge toppen. Op de weidse vlakten en op de oevers van deze stromen van levend water zullen Gods kinderen, die zo lang als pelgrims hebben rondgezworven, eeuwig wonen.” –De Grote Strijd, blz. 621. D. Welk werk doet Jezus op die plaats? Hebreeën 8:1; 9:27; 1 Timótheüs 2:5.
“De bemiddeling van Christus in het hemelse heiligdom ten gunste van de mens is in het verlossingsplan van even groot belang als Zijn dood aan het kruis.” –De Grote Strijd, blz. 451. “De tussenkomst van Christus voor ons is die van het aanbieden van Zijn goddelijke verdiensten in het offeren van Zichzelf aan de Vader als onze Plaatsvervanger en Borg; want Hij is opgevaren naar omhoog om verzoening te doen voor onze overtredingen.” –Faith and Works, blz. 105.
A. Beloofde Jezus ons een echte plaats, en waar zullen we heengaan, als we getrouw worden bevonden?
Johannes 14:1-3;
Matthéüs 5:12.
B. Wat geeft de grootste vreugde in het leven, en wat was de hoop van onze getrouwe voorvaderen?
Lukas 10:20;
Hebreeën 11:13-16.
“Er heerst volmaakte orde en harmonie in de Heilige Stad. Al de engelen, die last ontvangen om naar de aarde te gaan, hebben een gouden kaart, die zij bij het in- en uitgaan aan de engelen bij de poorten van de stad tonen. De hemel is een goede plaats.” –Eerste Geschriften, blz. 34-35. C. Hoe lang zullen we op de nieuwe aarde doorbrengen? Matthéüs 5:5; Romeinen 4:13.
“Maar Gods woord had niet gefaald; al ging het ook niet in vervulling, toen het Joodse volk het land Kanaän veroverde. ‘Aan Abraham en zijn zaad werden de beloften gedaan’ (Galaten 3:16). Abraham zelf zou deelhebben aan de erfenis. Het kan lijken, dat de vervulling van Gods beloften lang wordt uitgesteld, want ‘bij de Heere is één dag als duizend jaar, en duizend jaar als één dag’ (2 Petrus 3:8); het kan lijken, dat de vervulling uitblijft, maar op de bepaalde tijd ‘zal het zeker komen, het zal niet uitgesteld worden’ (Habakuk 2:3). De gave aan Abraham en zijn zaad omvatte niet alleen het land Kanaän, maar de hele aarde. De apostel zegt: ‘Want niet door de wet had Abraham of zijn nageslacht de belofte, dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn, maar door gerechtigheid des geloofs’ (Romeinen 4:13). En de Bijbel leert duidelijk, dat de beloften aan Abraham door Christus in vervulling zullen gaan. Allen, die van Christus zijn, zijn ‘zaad van Abraham en naar de belofte erfgenamen’, erfgenamen van ‘een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis’, als de aarde bevrijd is van de vloek der zonde (Galaten 3:29; 1 Petrus 1:4). Want ‘het koningschap, de macht en de grootheid der koninkrijken onder de ganse hemel zal gegeven worden aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten’, en ‘de zachtmoedigen zullen de aarde erfelijk bezitten en zich verlustigen over grote vrede’ (Daniël 7:27; Psalm 37:11). Aan Abraham gaf God een visioen van deze onverderfelijke erfenis, en die was tevreden met deze hoop. ‘Door het geloof heeft hij vertoefd in het Land van Belofte, als in een vreemd land, waar hij in tenten woonde met Isaak en Jakob, die mede-erfgenamen waren van dezelfde belofte; want hij verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is’ (Hebreeën 11:9-10).” –Patriarchen en Profeten, blz. 141-142.
A. Waarom kwam Jezus om ons te redden, niet in onze zonden, maar van onze zonden?
Matthéüs 1:21;
Openbaring 21:27;
22:14.
“Jezus kwam naar deze wereld om Zijn volk van hun zonden te redden. Hij zal ons niet redden in onze zonden, want Hij is niet de dienaar van de zonde. Wij moeten reageren op de goddelijke aantrekkingskracht van Christus, berouw hebben van onze zonden en ons verenigen met Christus, zoals de rank verenigd is met de wijnstok. Jezus zegt: ‘En Ik, als Ik van de aarde verheven ben, zal Ik alle mensen tot Mij trekken’. Jezus trekt alle mensen, en wie zal op dit trekken reageren? Velen zullen sterk worden beïnvloed door het leven en voorbeeld van degenen, die beweren te hebben gereageerd op deze goddelijke liefde, die de harten van mensen trekt. Velen zullen naar u kijken, die Zijn naam belijdt, om te zien of u daardoor betere mannen en betere vrouwen wordt. Ze zullen in de gaten houden of u als Christus, vriendelijk en hoffelijk bent in uw gezin. De Heer heeft gezegd: ‘Aan hun vruchten zult u hen kennen’.” –The Signs of the Times, 15 februari 1892. “Het is geen echt bewijs, dat u een christen bent, omdat uw gevoel wordt beroerd, uw geest wordt beroerd door de waarheid. De vraag is: Groeit u op in Christus, uw levende hoofd? Komt de genade van Christus in uw leven tot uiting? God geeft Zijn genade aan mensen, opdat zij meer van Zijn genade mogen verlangen. Gods genade werkt altijd in het menselijk hart, en wanneer deze wordt ontvangen, zal het bewijs van ontvangst ervan verschijnen in het leven en karakter van de ontvanger, want geestelijk leven zal zich van binnenuit ontwikkelen. De genade van Christus in het hart zal altijd het geestelijk leven bevorderen en er zal geestelijke vooruitgang worden geboekt. Wij hebben allemaal een persoonlijke Verlosser nodig, anders zullen we in onze zonden omkomen. Laat de vraag gesteld worden aan onze ziel: Groeien wij op tot Christus, ons levende Hoofd? Krijg ik meer kennis van God en van Jezus Christus, die Hij heeft gezonden? We zien de planten niet groeien in het veld, en toch zijn we verzekerd, dat zij groeien, en mogen we niet weten van onze eigen geestelijke kracht en groei?” –That I May Know Him, blz. 163. B. Op wat voor ervaring kunnen we hopen in die nieuwe plaats? Jesaja 33:24; 35:1-10; Openbaring 21:4; 22:3.
“Aan alle ellende en strijd is een einde gekomen. Overwinningsliederen vullen de hele hemel, als de verlosten rond de troon van God staan.” –My Life Today, blz. 348.
A. Hoe kunnen we in onze menselijke taal de derde hemel beschrijven?
1 Korinthe 2:9.
“Reeds in dit leven kunnen we een glimp opvangen van Zijn (Gods) tegenwoordigheid en kunnen we ervaren welk een blijdschap de omgang met de hemel betekent, maar de volheid van deze vreugde en de zegeningen ervan zullen pas in het hiernamaals worden ervaren. Alleen de eeuwigheid zal openbaren tot welke heerlijke bestemming de mens kan komen, als Gods beeld in hem hersteld is.” –Patriarchen en Profeten, blz. 551. “Heel de eeuwigheid is nodig om de heerlijkheden te ontdekken en de kostbare schatten van Gods Woord uit te brengen.” –Bijbelkommentaar, blz. 524. B. Waarom heeft God ons een kans gegeven om deze wonderbare dingen over de hemel te horen? Johannes 3:16-17; Matthéüs 6:19-21.
“Christus schept er behagen in ogenschijnlijk hopeloos materiaal te nemen, degenen, die Satan heeft vernederd en door wie hij heeft gewerkt, tot onderwerp van Zijn genade te maken. Hij verheugt zich om hen te verlossen van lijden en van de toorn, die over de ongehoorzamen zullen komen. Hij maakt van Zijn kinderen Zijn werktuigen bij het voltooien van dit werk, en voor het succes ervan, zelfs in dit leven, vinden zij een kostbare beloning. Maar wat is dit vergeleken met de vreugde, die van hen zal zijn op de grote dag van de laatste openbaring? ‘Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien van aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben’ (1 Korinthe 13:12).” –Testimonies for the Church, vol. 6, blz. 308-309.