Tekst om te onthouden: “Dat u niemand verleide op enigerlei wijze, want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens der zonde, de zoon des verderfs”
2 Thessalonicensen 2:3
“We zijn bezig met een belangrijk en essentieel werk, en we moeten een agressieve oorlogsvoering voeren. We moeten staan voor ware protestantse principes; want het beleid van het pausdom zal zich een weg banen naar alle mogelijke plaatsen om gewetensvrijheid te verbieden.” –The Review and Herald, 9 september 1909.
Aanvullende studie :: –De Grote Strijd, blz. 45–57, 404–418.
A. Welke beschrijving wordt gegeven van het volgende profetische beest, het machtige Romeinse rijk, en hoe werd zijn wreedheid getoond in de behandeling van de Verlosser der wereld?
Daniël 7:7;
Matthéüs 27:27-35.
“Het bevel van het keizerlijke Rome, dat de volken van zijn uitgestrekt machtsgebied moeten worden ingeschreven, heeft ook de bewoners van de heuvels van Galilea bereikt…Er is geen plaats voor hen in de drukbezochte herberg. In een primitief gebouw, waar de dieren zijn ondergebracht, vinden ze tenslotte een toevlucht, en hier wordt de Verlosser der wereld geboren.” –De Wens der Eeuwen, blz. 27. “De menigte riep om het bloed van Jezus. Zij geselden Hem op wrede wijze, en deden Hem een oude purperen koninklijke mantel om, en zetten een kroon van doornen op Zijn heilig hoofd… Jezus stond zachtmoedig en nederig voor de woedende menigte, terwijl zij Hem op de laagste wijze mishandelden. Ze spuwden Hem in het aangezicht, dat aangezicht, voor hetwelk zij zich eenmaal zullen wensen te kunnen verbergen; dat licht zal geven aan de stad Gods en helderder schijnen dan de zon.”–Eerste Gezichten, blz. 198, 199. B. Welk vreemd onderscheid deed zich uiteindelijk voor in dat rijk? Daniël 7:19–24.
A. Hoe weten we, dat de wet van God niet veranderd kan worden?
Psalm 111:7-8;
Matthéüs 5:17-19;
Lukas 16:17;
Openbaring 22:14.
“De wet van God werd met Zijn eigen vinger op stenen tafelen geschreven, zo aantonende, dat hij deze nooit veranderd of afgeschaft kon worden. Hij moet door de eeuwen heen bewaard blijven, onveranderlijk als de principes van Zijn regering.” –Counsels to Parents, Teachers, and Students, blz. 248. “De dood is het loon van de zonde, en de wet kan niet in het minst worden veranderd om een ontsnappingsmogelijkheid te creëren voor de overtreder. De smart van Christus aan het kruis van Golgotha spreekt luider dan enig argument, dat kan worden aangevoerd om de onveranderlijkheid van de wet te bewijzen.” –The Review and Herald, 19 juli 1892. “Satan heeft de christelijke wereld misleid met het verhaal dat, toen Christus stierf, Hij de wet afschafte. Het was het kruis van Golgotha, dat de wet van God verhief en eervol maakte… Als God ook maar één jota van Zijn wet had kunnen veranderen, had Jezus niet naar onze wereld hoeven komen om te lijden en te sterven.” –The Signs of the Times, 24 november 1887. B. Welke macht moest zich ontwikkelen in het Romeinse Rijk? Wat denkt deze te doen en om welke geboden gaat het specifiek? Daniël 7:23-25; Exodus 20:4-6, 8-11.
“Om het godslasterlijke werk af te ronden, heeft Rome zich het recht toegeëigend het tweede gebod, dat de beeldendienst verbied, uit Gods wet te schrappen en het tiende gebod te splitsen om toch het juiste aantal te behouden.” –De Grote Strijd, blz. 47. “Maar pausgezinden beweren, dat het tweede gebod is weggelaten, omdat het niet nodig is, daar het in het eerste gebod besloten ligt en dat zij de wet uitleggen, zoals God het bedoelt. Dit kan dus niet de verandering zijn, die de profeet heeft voorgezegd. Er is sprake van een opzettelijke, weloverwogen verandering: ‘Hij zal er op uit zijn tijden en wet te veranderen’. De verandering van het vierde gebod beantwoordt precies aan deze profetie. Om deze verandering te rechtvaardigen wordt er uitsluitend een beroep gedaan op het gezag van de kerk. In dit geval verheft de pauselijke macht zich openlijk boven God.” –De Grote Strijd, blz. 414. “De grote afvallige was erin geslaagd zich te verheffen ‘tegen al wat God of voorwerp van verering heet’ (2 Thessalonicensen 2:4). Hij had het enige gebod van de heilige wet, dat het hele mensdom duidelijk wijst op de ware en enige God, veranderd. In het vierde gebod wordt God geopenbaard als de Schepper van hemel en aarde. Het maakt daardoor een onderscheid tussen Hem en de afgoden.” –De Grote Strijd, blz. 51.
A. Hoe spreekt de macht van de hoorn in Daniël 7 ‘grote woorden tegen de Allerhoogste’, godslasterlijk de autoriteit toekennend aan mensen en uitdagend om zonden te vergeven, en meer?
Daniël 7:25;
2 Thessalonicensen 2:4.
“Volgens één van de belangrijkste leerstellingen van de rooms-katholieke kerk is de paus het zichtbare hoofd van Christus’ wereldkerk en is hij bekleed met de hoogste macht over bisschoppen en priesters in alle delen van de wereld. Maar daar blijft het niet bij: men heeft de paus de namen en aanspreektitels van de Godheid gegeven. De paus wordt ‘,Here God de Paus’ genoemd en hij is onfeilbaar verklaard. Hij wil, dat alle mensen hem eer bewijzen. Zo wordt dezelfde eis, die Satan in de woestijn heeft gesteld, nog altijd herhaald door bemiddeling van de kerk van Rome. Zeer veel mensen zijn bereid hem deze eer inderdaad ook te bewijzen.” ¬–De Grote Strijd, blz. 46. “De mensen vertrouwden niet meer op de Zoon van God voor de vergeving van hun zonden en hun eeuwige zaligheid, maar richtten hun blik naar de paus en naar de priesters en prelaten, die hij met macht had bekleed. Men leerde aan hen, dat de paus hun aardse middelaar was en dat niemand tot God kon komen dan door hem; men zei ook, dat hij Gods vertegenwoordiger was en dat de mensen hem daarom onvoorwaardelijk moesten gehoorzamen.” –De Grote Strijd, blz. 52. “God heeft nergens in Zijn woord ook maar enige aanwijzing gegeven, dat Hij een mens heeft aangesteld tot hoofd van de gemeente. De leer van de pauselijke heerschappij druist lijnrecht in tegen de leer van de Bijbel.” –De Grote Strijd, blz. 46. “In de elfde eeuw werd er nog een stap gezet op de weg van de pauselijke aanmatiging, toen paus Gregorius VII de volmaaktheid van de rooms-katholieke kerk afkondigde. Een van de stellingen, die hij verdedigde, luidde: ‘De kerk heeft volgens de Schrift nooit gedwaald en kan ook nooit dwalen’. Maar hij staafde zijn bewering niet met bewijzen uit het Schrift.” –De Grote Strijd, blz. 54. B. Hoe weten we, dat deze manifestatie van de antichrist niet alleen een toekomstige gebeurtenis is, maar al was begonnen in de dagen van de apostelen en vanaf het vestigen van het christendom? 2 Thessalonicensen 2:3, 7; 1 Johannes 2:18-19; 4:1-3; Handelingen 20:28-30.
“In zijn tweede brief aan de Tessalonicensen voorzegde de apostel Paulus de grote afval, die zou leiden tot de vestiging van het pausdom. (Zie Thessalonicensen 2:3-4, 7).” –De Grote Strijd, blz. 45. “De valse Sabbat is in stand gehouden door middel van bovenmenselijke tussenkomst, opdat God onteerd zou worden. Het is een teken van Satans overmacht op de aarde.” –The Signs of the Times, 12 maart 1894.
A. Waardoor verwondert de profeet zich bij het aanschouwen van zulke daden van zogenaamde christenen?
Daniël 7:25;
Matthéüs 24:21-22;
Openbaring 13:7;
17:6.
“In de dertiende eeuw werd het vreselijkste werktuig van het pausdom in gebruik genomen: de Inquisitie. De vorst van de duisternis werkte samen met de leiders van de pauselijke hiërarchie. In hun geheime beraadslagingen beheersten Satan en zijn engelen de geesten van de mensen, terwijl ongemerkt een engel van God in hun midden was en het vreselijke verslag van hun schandelijke besluiten opmaakte en de geschiedenis optekende van daden, die te verschrikkelijk zijn om door de ogen van mensen te worden gezien. ‘Het grote Babylon’ was ‘dronken van het bloed der heiligen’. De verminkte lichamen van miljoenen martelaren riepen tot God om wraak op deze afvallige macht.” –De Grote Strijd, blz. 56. “Het pausdom beantwoordt volkomen aan de beschrijving van de profetie: het is de afval, die in de eindtijd zal komen (zie 2 Thessalonicensen 2:3-4). Het neemt altijd de gedaante aan, die het best aan zijn doel beantwoordt. Onder de veranderende verschijningsvorm van de kameleon verbergt het pausdom echter het onveranderlijke gif van de slang.” –De Grote Strijd, blz. 525. B. Wat moeten christenen, die geconfronteerd worden met dergelijke wreedheden van andere zogenaamde gelovigen, onthouden, dat hun hoop zal geven? 2 Timótheüs 3:12; Openbaring 2:10; Lukas 21:28.
“Spoedig zouden gevaarlijke wolven komen, die de kudde niet zouden sparen. Maar geen van deze dingen zou ontmoediging brengen aan hen, wier hoop gevestigd was op Christus. Met woorden vol bemoediging en opgewektheid richtte Petrus de geest der gelovigen van de beproevingen, die hun deel waren, en van de toekomstige tonelen van lijden ‘naar een onvergankelijke en onbevlekte en onverwelkelijke erfenis’.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 385. “God heeft in Zijn genade deze periode van wrede beproevingen voor Zijn volk ingekort… Dankzij de invloed van de Hervorming eindigden de vervolgingen vóór 1798.” –De Grote Strijd, blz. 253. “In alle eeuwen heeft Satan Gods volk vervolgd. Hij heeft ze gemarteld en ter dood gebracht, maar in hun sterven werden ze overwinnaars. Ze getuigden van de macht van Eén, machtiger dan Satan. Goddeloze mensen mogen het lichaam pijnigen en doden, maar het leven, dat met Christus in God verborgen is, kunnen ze niet aanroeren. Ze kunnen mannen en vrouwen opsluiten in kerkers, maar de geest kunnen ze niet binden. Door beproeving en vervolging wordt de heerlijkheid, het karakter, van God geopenbaard in Zijn uitverkorenen.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 420.
A. Omdat we weten, dat een dag in de profetie een jaar vertegenwoordigt (Numeri 14:34; Ezechiël 4:6), hoe lang kon deze macht dan zo’n vervolgend gezag hebben?
Daniël 7:25;
Openbaring 12:6, 14;
13:5.
“In de zesde eeuw had het pausdom al een stevige positie verworven. De zetel van zijn macht was gevestigd in de hoofdstad van het keizerrijk en de bisschop van Rome werd tot hoofd van de hele kerk uitgeroepen. Het heidendom had plaats gemaakt voor het pausdom. ‘En de draak gaf hem zijn kracht en zijn troon en grote macht’ (Openbaring 13:2). Toen begonnen de 1260 jaren van pauselijke onderdrukking, die waren aangekondigd in de profetieën van Daniël en de Openbaring. (Daniël 7:25; Openbaring 13:5-7). De christenen werden door de paus gesteld hun geloof de rug toe te keren en de roomse ceremoniën en eredienst te aanvaarden, of de rest van hun leven door te brengen in kerkers en ter dood gebracht te worden op de pijnbank, de brandstapel of het schavot. Toen gingen de woorden van Jezus in vervulling: ‘Gij zult overgeleverd worden, zelfs door ouders en broeders en verwanten en vrienden; en zij zullen sommigen van u doden, en gij zult door allen gehaat worden om Mijns naams wil’ (Lukas 21:16-17). De vervolgingen, die over de gelovigen losbarstten, waren heviger dan ooit tevoren, en de wereld werd één groot slagveld. Eeuwenlang vond de gemeente van Christus een toevlucht in de afzondering en de eenzaamheid.” –De Grote Strijd, blz. 51-52. “De hier vermelde tijdperken, ‘twee en veertig maanden lang’ en ‘twaalfhonderdzestig dagen lang’, zijn dezelfde periode, namelijk de tijd van onderdrukking van Christus’ gemeente door Rome. De 1260 jaar van de pauselijke suprematie begonnen in 538 na Chr. En eindigden dus in 1798. In dat jaar trok het Franse leger Rome binnen, nam de paus gevangen en voerde hem in ballingschap. Toen de paus stierf, was hij nog altijd uit Rome verbannen. Hoewel er onmiddellijk na zijn dood een nieuwe paus werd verkozen, zijn zijn opvolgers er nooit in geslaagd dezelfde macht uit te oefenen als vroeger.” –De Grote Strijd, blz. 253.