Schatten der Waarheid, deel 1 - Redeneren met onze Schepper — SABBAT, 25 februari 2023

Les 8: Genageld aan Zijn Kruis

Tekst om te onthouden

Tekst om te onthouden: “Uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft dat uit het midden weggenomen, het aan het kruis genageld hebbende”

Kolossensen 2:14

“De wet der tien geboden bestaat en zal door alle eeuwen heen blijven bestaan. De behoefte aan de dienst van brandoffers en slachtoffers eindigde, toen schaduw en werkelijkheid elkaar ontmoetten in de dood van Christus. In Hem ging de schaduw in de werkelijkheid op. Het Lam van God was het volledige en volkomen offer.” –Bijbelkommentaar, blz. 538.

Aanvullende studie :: -Selected Messages, bk. 1, blz. 229-235.

ZONDAG — 19 februari

1. Een andere wet

A. Hoe beschrijft de Bijbel een wet, die in strijd was met ons en aan het kruis werd genageld?

Kolossensen 2:14;

Kolossenzen 2:14: Uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende;

Efeze 2:15. Omdat de principes van de tien geboden bestonden in de volmaaktheid van Eden, hoe weten wij dan, dat deze beschrijving niet naar die wet kan verwijzen?

Genesis 1:31.

Genesis 1:31: En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de zesde dag.

B. Wat zijn enkele van de specifieke dingen, die in deze wet van verordeningen staan?

Kolossensen 2:16,

Kolossenzen 2:16: Dat u dan niemand oordele in spijs of in drank, of in het stuk des feest dags, of der nieuwe maan, of der sabbatten;

Kolossensen 2:21.

Kolossenzen 2:21: Namelijk raak niet, en smaak niet, en roer niet aan.

Zijn deze sabbatten en andere wetten verbonden met de oorspronkelijke morele wet, die bij de schepping was gegeven, of zijn ze een schaduw van een gebeurtenis, die in de toekomst zou plaatsvinden, nadat ze waren gegeven?

Kolossensen 2:17.

Kolossenzen 2:17: Welke zijn een schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus.

“In Eden richtte God het gedenkteken op van Zijn scheppingswerk, door Zijn zegen te verbinden aan de zevende dag. De Sabbat werd aan Adam, de vader en vertegenwoordiger van het mensdom, toevertrouwd. De waarneming ervan zou een daad van dankbare erkentelijkheid inhouden van allen, die de aarde bewonen, waardoor ze zouden zien, dat God hun Schepper en rechtmatige Heerser was en dat zij het werk Zijner handen waren en Zijn onderdanen. In dit opzicht was de instelling van de Sabbat volledig bedoeld als een herdenking, en bestemd voor alle mensen. Niets hierin was schaduwachtig of beperkt tot een bepaald volk.” –Patriarchen en Profeten, blz. 22.

MAANDAG — 20 februari

2. De wet van verordeningen

A. Worden deze dingen, die een schaduw waren van een latere gebeurtenis eigenlijk een wet genoemd, en zo ja, wat voor soort wet?

Hebreeën 10:1.

Hebreeën 10:1: Want de wet, hebbende een schaduw der toekomende goederen, niet het beeld zelf der zaken, kan met dezelfde offeranden, die zij alle jaren geduriglijk opofferen, nimmermeer heiligen degenen, die daar toegaan.

“Gods volk, dat Hij roept als een bijzondere schat, was bevoorrecht met een tweeledig stelsel van wetten, de morele en de ceremoniële wet. De ene, die terugwees naar de schepping om de levende God, die de wereld had geschapen in herinnering te houden, waarvan de aanspraken bindend zijn voor alle mensen in elke bedeling en die bestaan zal voor tijd en eeuwigheid. De ander, die gegeven was vanwege de overtreding van de zedenwet en waarvan de gehoorzaamheid wees naar de slachtoffers en offeranden, die naar de toekomstige verlossing heenwezen. Elk van deze is duidelijk en verschilt van de andere.” –Bijbelkommentaar, blz. 502-503.

B. Terwijl het offeren van dieren aan de oude Hebreeën was onderwezen om het offer van het Lam van God, dat zou komen, uit te beelden (voorafschaduwing), welk punt moest dan worden begrepen?

Hebreeën 10:2-4,

Hebreeën 10:2: Anderszins zouden zij opgehouden hebben, geofferd te worden, omdat degenen, die den dienst pleegden, geen geweten meer zouden hebben der zonden, eenmaal gereinigd geweest zijnde; Hebreeën 10:3: Maar nu geschiedt in dezelve alle jaren weder gedachtenis der zonden. Hebreeën 10:4: Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme.

Hebreeën 10:6.

Hebreeën 10:6: Brandofferen en offer voor de zonde hebben U niet behaagd.

“Christus zelf had dit Joodse stelsel van aanbidding ingesteld, waarin door zinnebeelden en symbolen geestelijke en hemelse dingen werden afgebeeld. Velen vergaten de ware betekenis van deze offeranden; en de grote waarheid, dat alleen door Christus vergeving van zonden mogelijk is, ging aan hen voorbij. De vele offeranden, het bloed van stieren en bokken, kon de zonde niet wegnemen.” –Bijbelkommentaar, blz. 597-598.

C. Wat heeft alleen de macht om te reinigen van de schuld van de zonde?

1 Johannes 1:7.

1 Johannes 1:7: Maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkander, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.

“In elke offerande lag een les verborgen, benadrukt door elke ceremonie…, dat alleen door het bloed van Christus vergeving van zonden mogelijk is.” –Bijbelkommentaar, blz. 598.

“De dood van Christus voor de verlossing van de mens neemt de sluier weg en werpt een stroom van licht over het hele Joodse stelsel van de godsdienst, honderden jaren in het verleden. Zonder de dood van Christus was dit hele stelsel zinloos. De Joden verwerpen Christus en daarom is hun hele stelsel voor hen onbepaald, onverklaarbaar en onzeker. Zij hechten evenveel waarde aan schaduwachtige ceremoniën van zinnebeelden, die hun tegenbeeld hebben ontmoet, als aan de wet der tien geboden, die geen schaduw was, maar even werkelijk en blijvend als Gods troon.” –Bijbelkommentaar, blz. 506.

DINSDAG — 21 februari

3. Het ceremoniële systeem

A. Wie moest als eerste op deze manier dieren offeren?

Genesis 3:21,

Genesis 3:21: En de HEERE God maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen, en toog ze hun aan.

Genesis 3:24;

Genesis 3:24: En Hij dreef de mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten des hofs van Eden, en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren den weg van den boom des levens.

Genesis 4:2-4;

Genesis 4:2: En zij voer voort te baren zijn broeder Habel; en Habel werd een schaapherder, en Kain werd een landbouwer. Genesis 4:3: En het geschiedde ten einde van enige dagen, dat Kain van de vrucht des lands den HEERE offer bracht. Genesis 4:4: En Habel bracht ook van de eerstgeborenen zijner schapen, en van hun vet. En de HEERE zag Habel en zijn offer aan;

Hebreeën 11:4.

Hebreeën 11:4: Door het geloof heeft Abel een meerdere offerande Gode geofferd dan Kain, door hetwelk hij getuigenis bekomen heeft, dat hij rechtvaardig was, alzo God over zijn gave getuigenis gaf; en door hetzelve geloof spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.

“Het offerstelsel werd door God ingesteld om de mens gedurig te herinneren aan de zonde om daardoor deze te belijden en geloof te tonen in de beloofde Verlosser. Het was bedoeld om het gevallen mensdom te doordringen van het feit, dat zonde dood veroorzaakt. Voor Adam was het offeren van het eerste slachtoffer een pijnlijke aangelegenheid. Hij moest het leven nemen, dat alleen God kon geven. Voor de eerste maal aanschouwde hij dood, en hij wist dat, wanneer hij God gehoorzaamd had, er nooit een mens of dier zou zijn gestorven. Toen hij het onschuldige offer doodde, beefde hij bij de gedachte, dat zijn zonde het leven kostte van het vlekkeloos Lam van God. Dit schouwspel bracht hem tot een levendiger besef van de grootte van zijn schuld, die alleen door de dood van Gods geliefde Zoon kon uitgedelgd worden. En hij verwonderde zich over de oneindige goedheid, die zulk een losprijs wilde betalen om de schuldigen te redden. Een ster van hoop verlichtte het duister van de verschrikkelijke toekomst, en verlichtte de wanhoop ervan.” –Patriarchen en Profeten, blz. 42.

B. Welk systeem werd verder ontwikkeld, nadat het volk het verlossingsplan bij de berg Sinaï niet begreep?

Exodus 25:8.

Exodus 25:8: En zij zullen Mij een heiligdom maken, dat Ik in het midden van hen wone.

C. Waarom was het vergieten van bloed nodig?

Hebreeën 9:22.

Hebreeën 9:22: En alle dingen worden bijna door bloed gereinigd naar de wet, en zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving.

Wat symboliseerde het offerlam?

1 Korinthe 5:7;

1 Korinthe 5:7: Zuivert dan den ouden zuurdesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.

1 Petrus 1:19;

1 Petrus 1:19: Maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam;

Johannes 1:29.

Johannes 1:29: Des anderen daags zag Johannes Jezus tot zich komende, en zeide: Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt!

“Hij bracht zijn toehoorders door de typen en schaduwen van de ceremoniële wet naar Christus, naar Zijn kruisiging, Zijn priesterschap en het heiligdom van Zijn bediening, het grote thema, dat zijn schaduw terug had geworpen in het Joodse tijdperk. Hij, als de Messias, was het tegenbeeld van alle offeranden. De apostel toonde aan, dat volgens de profetieën en de universele verwachting van de Joden, de Messias van het geslacht van Abraham en David zou zijn. Vervolgens traceerde hij Zijn afstamming van de grote patriarch Abraham, via de koninklijke psalmist. Hij bewees vanuit de Schrift, wat het karakter en de werken van de beloofde Messias zouden zijn, en ook Zijn ontvangst en behandeling op aarde, zoals getuigd door de heilige profeten. Vervolgens toonde Hij aan, dat deze voorspellingen ook waren vervuld in het leven, de bediening en de dood van Jezus, en daarom dat Hij inderdaad de Verlosser van de wereld was.” –Sketches From the Life of Paul, blz. 103-104.

WOENSDAG — 22 februari

4. Waarom was deze afgeschaft?

A. Waarin geloofde Israël als hun hoop op verlossing, zolang de ceremonies voortdurend in de tempel plaatsvonden?

Jesaja 1:10-15.

Jesaja 1:10: Hoort des HEEREN woord, gij oversten van Sodom! neemt ter ore de wet onzes Gods, gij volk van Gomorra! Jesaja 1:11: Waartoe zal Mij zijn de veelheid uwer slachtoffers? zegt de HEERE; Ik ben zat van de brandoffers der rammen, en het smeer der vette beesten, en heb geen lust aan het bloed der varren, noch der lammeren, noch der bokken. Jesaja 1:12: Wanneer gijlieden voor Mijn aangezicht komt te verschijnen, wie heeft zulks van uw hand geeist, dat gij Mijn voorhoven betreden zoudt? Jesaja 1:13: Brengt niet meer vergeefs offer, het reukwerk is Mij een gruwel; de nieuwe maanden, en sabbatten, en het bijeenroepen der vergaderingen vermag Ik niet, het is ongerechtigheid, zelfs de verbodsdagen. Jesaja 1:14: Uw nieuwe maanden en uw gezette hoogtijden haat Mijn ziel, zij zijn Mij tot een last; Ik ben moede geworden, die te dragen. Jesaja 1:15: En als gijlieden uw handen uitbreidt, verberg Ik Mijn ogen voor u; ook wanneer gij het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; want uw handen zijn vol bloed.

“De Zoon van God is het middelpunt van het grote verlossingsplan, dat alle bedelingen omvat. Hij is het ‘Lam dat geslacht is vanaf de grondlegging der wereld’. Hij is de Verlosser van de gevallen zonen en dochters van Adam in alle tijdperken van de menselijke proeftijd… Christus is de kern of het lichaam, dat zijn schaduw terugwerpt in vroegere bedelingen. Toen Christus stierf, hield de schaduw op. Bij de dood van Christus werd het bijzondere systeem afgeschaft, maar de wet van God, wiens overtreding het verlossingsplan noodzakelijk had gemaakt, werd versterkt en eervol gemaakt. Het evangelie was een goede tijding van grote vreugde voor Adam, Noach, Abraham en Mozes; want het bood hun een komende Verlosser aan.” –The Signs of the Times, 20 februari 1893.

“Jeruzalem was de hoofdstad van de Joden, en daar werd de grootste exclusiviteit en onverdraagzaamheid gevonden. De Joodse christenen, die in het zicht van de tempel woonden, zouden natuurlijk toestaan, dat hun geest terugkeerde naar de bijzondere voorrechten van de Joden als natie. Toen ze zagen, dat het christendom afweek van de ceremoniën en tradities van het Jodendom, en merkten, dat de bijzondere heiligheid, waarmee de Joodse gebruiken waren bekleed, spoedig uit het oog verloren zou worden in het licht van het nieuwe geloof, werden velen verontwaardigd tegenover Paulus, als iemand die deze verandering in grote mate had veroorzaakt… Sommigen waren ijverig voor de ceremoniële wet.” –Sketches From the Life of Paul, blz. 71.

B. Waar was God naar op zoek in plaats van alle offers?

Jesaja 1:16-18;

Jesaja 1:16: Wast u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen. Jesaja 1:17: Leert goed doen, zoekt het recht, helpt den verdrukte, doet den wees recht, handelt de twistzaak der weduwe. Jesaja 1:18: Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.

Psalm 51:19-21.

Psalmen 51:19: De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten. [ (Psalms 51:20) Doe wel bij Sion naar Uw welbehagen; bouw de muren van Jeruzalem op. ] [ (Psalms 51:21) Dan zult Gij lust hebben aan de offeranden der gerechtigheid, aan brandoffer en een offer, dat gans verteerd wordt; dan zullen zij varren offeren op Uw altaar. ]

C. Wat brengt het verlossingsplan door het bloed van Jezus Christus, dat het offersysteem niet kon doen?

Handelingen 4:12;

Handelingen 4:12: En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.

Hebreeën 7:28,

Hebreeën 7:28: Want de wet stelt tot hogepriesters mensen, die zwakheid hebben; maar het woord der eedzwering, die na de wet is gevolgd, stelt den Zoon, Die in der eeuwigheid geheiligd is.

Hebreeën 7:19.

Hebreeën 7:19: Want de wet heeft geen ding volmaakt, maar de aanleiding van een betere hoop, door welke wij tot God genaken.

“Er schijnt nu een helderder en heerlijker licht op de christen. Degenen, die vóór de komst van Christus leefden, zagen in geloof uit naar Zijn komst, maar wat zij door geloof moesten vatten, is zekerheid voor ons; want wij weten, dat Christus is gekomen, zoals voorzegd door de profeten. Het is net zo essentieel voor ons om geloof te hebben in onze Verlosser, die naar de aarde kwam en als ons offer stierf, als het was voor de Ouden om te geloven in een komende Verlosser, vertegenwoordigd door hun offeranden en offers.” –The Signs of the Times, 20 februari 1893.

DONDERDAG — 23 februari

5. Hebben we de ceremoniële wet nu nog nodig?

A. Waarom hebben we de ceremoniële wet vastgelegd in de Bijbel?

2 Timótheüs 3:16.

2 Timotheüs 3:16: Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is;

B. Wat doet Jezus nu in de hemel?

Hebreeën 8:1-5;

Hebreeën 8:1: De hoofdsom nu der dingen, waarvan wij spreken, is, dat wij hebben zodanigen Hogepriester, Die gezeten is aan de rechter hand van den troon der Majesteit in de hemelen: Hebreeën 8:2: Een Bedienaar des heiligdoms, en des waren tabernakels, welken de Heere heeft opgericht, en geen mens. Hebreeën 8:3: Want een iegelijk hogepriester wordt gesteld, om gaven en slachtofferen te offeren; waarom het noodzakelijk was, dat ook Deze wat had, dat Hij zou offeren. Hebreeën 8:4: Want indien Hij op aarde ware, zo zou Hij zelfs geen Priester zijn, dewijl er priesters zijn, die naar de wet gaven offeren; Hebreeën 8:5: Welke het voorbeeld en de schaduw der hemelse dingen dienen, gelijk Mozes door Goddelijke aanspraak vermaand was, als hij den tabernakel volmaken zou: Want zie, zegt Hij, dat gij het alles maakt naar de afbeelding, die u op den berg getoond is.

Hebreeën 3:1.

Hebreeën 3:1: Hierom, heilige broeders, die der hemelse roeping deelachtig zijt, aanmerkt den Apostel en Hogepriester onzer belijdenis, Christus Jezus;

C. Wat moeten wij doen, omdat dit nieuwe systeem actief van kracht is in de hemel?

Hebreeën 4:14-16.

Hebreeën 4:14: Dewijl wij dan een groten Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, den Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden. Hebreeën 4:15: Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde. Hebreeën 4:16: Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.

“Christus wilde aan Zijn discipelen een inzetting nalaten, die voor hen zou doen, wat zij juist nodig hadden, die zou dienen om hen los te maken van de vormen en ceremoniën, waarmee ze zich tot dan toe hadden beziggehouden en die door het aannemen van het evangelie niet langer van kracht waren. Het voortzetten van deze riten zou een belediging voor Jehova betekenen.” –Bijbelkommentaar, blz. 406.

“De boodschappers van het kruis moeten zich wapenen met waakzaamheid en gebed, in geloof moedig voorwaarts gaan, en steeds arbeiden in de naam van Jezus. Zij moeten Christus verhogen als de Bemiddelaar in het hemelse heiligdom, de Ene naar wie alle offers van de Oudtestamentische periode heenwezen, en door wiens zoenoffer de overtreders van Gods wet vrede en vergeving kunnen vinden.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 171.

VRIJDAG — 24 februari

Terugblik

1. Hoe weten wij, dat de Sabbat van de zevende dag niet in de schaduwen van het Oude Testament valt?

2. Wat zijn de onderscheidende kenmerken van de twee wetten, morele en ceremoniële?

3. Welke houding hebben we verloren, als een dier sterft, door zoveel doden?

4. Wat maakte het moeilijk voor de Joden, die in de buurt van de tempel woonden, om te begrijpen, dat het ceremoniële stelsel voorbij was?

5. Welk voordeel ontvangen we in deze tijd uit het bestuderen van de heiligdomsdienst?