Tekst om te onthouden: “Gaat heen in de gehele wereld, predikt het evangelie aan alle creaturen”
Markus 16:15
“Degenen, die zich verblijden in het kostbare licht van de waarheid, moeten een brandend verlangen voelen om het overal naartoe te laten sturen.” –Counsels on Stewardship, blz. 42.
Aanvullende studie :: : -Getuigenissen voor de Gemeente 9, blz. 54-63;; -Testimonies for the Church 3, blz. 382-385.
A. Hoewel literatuur een krachtig zendingsinstrument is, welke stappen moeten er volgen om de evangelieopdracht te voltooien?
Matthéüs 28:18-20.
Hoe kan aan deze behoefte aan ijverige evangeliewerkers worden voldaan?
Jesaja 52:7-8.
“Dit werk van het getrouw binnenbrengen van alle tienden, opdat er eten in het huis van God zou zijn, arbeiders zouden voorzien in zowel binnenlandse als buitenlandse velden. Hoewel boeken en publicaties over de tegenwoordige waarheid hun schatten van kennis uitstorten naar alle delen van de wereld, moeten er toch op verschillende punten zendingsposten worden gevestigd. De levende prediker moet de woorden van leven en redding verkondigen. Er zijn open velden, die werkers uitnodigen om binnen te komen. De oogst is rijp en de ernstige Macedonische roep om arbeiders wordt uit alle delen van de wereld gehoord.” –Counsels on Stewardship, blz. 39.
B. Welk dringend werk moet gedaan worden?
Markus 16:15.
“De grote omvang van ons werk eist gewillige vrijgevigheid van de kant van ons volk. Er zijn duizenden, ja miljoenen in Afrika, in China, in India, die de boodschap van de waarheid voor deze tijd nog niet gehoord hebben. Zij moeten gewaarschuwd worden. De eilanden van de zee wachten op kennis van God.” –Getuigenissen voor de Gemeente 9, blz. 54.
A. Hoe benadrukt de Inspiratie het persoonlijke, menselijke element in zielen redden?
Romeinen 10:13-15.
Hoe kunnen wij allemaal erbij betrokken zijn?
Openbaring 22:17.
“De prediking van het evangelie is Gods aangewezen manier om de zielen van mensen te bekeren. Mensen moeten horen om gered te worden. Zij kunnen niet horen zonder een prediker en de prediker moet gezonden worden. Dit maakt het noodzakelijk om fondsen in de schatkist te hebben om in middelen te voorzien, waarmee de zendeling afgelegen velden kan bereiken. Hoe kunnen in het licht van dit feit degenen, die belijden Christus te volgen, God beroven van Zijn eigen toevertrouwde talenten in tienden en gaven? Is het niet het weigeren van brood aan uitgehongerde zielen? Het achterhouden van de middelen, die God als de Zijne heeft opgeëist, waardoor Hij voorzieningen heeft gemaakt, zodat zielen gered zullen worden, zullen zeker een vloek brengen over degenen, die aldus God beroven.” –The Home Missionary, 1 april 1895.
B. Wat vraagt God, als wij verzuimen Zijn tienden op tijd terug te geven?
Leviticus 27:31.
Welke ervaring van een plaatselijke gemeente in het jaar 1889 kan iedereen nu bemoedigen?
“Wij hebben … op de laatste Sabbat in het oude jaar, diegenen uitgenodigd, die er behoefte aan hadden hun fouten te belijden, om naar één van de consistoriekamers te komen, om hen hiertoe een bijzondere gelegenheid te geven. Ik heb gesproken over het laatste hoofdstuk van Maleáchi: ’Mag een mens God beroven?’ ’Breng de gehele tiende naar de voorraadkamer, opdat er spijze zij in Mijn huis; beproeft Mij toch daarmede, zegt de Here der heerscharen, of Ik dan niet de vensters van de hemel zal openen en zegen in overvloed over u uitgieten’. Op dit punt werden vele schuldbelijdenissen gedaan… Gedurende de daaropvolgende week maakten sommigen, die God benadeeld hadden, en zich als gevolg daarvan van Hem hadden afgescheiden, een start met het terugbetalen van wat zij Hem hadden onthouden. Een broeder had gedurende twee jaar geen tienden betaald. Hij gaf zijn briefje aan de secretaris van de conferentie, voor de tienden, die hij had achtergehouden, plus de rente daarover, voor een totaalbedrag van $571,59. Ik dank de Heer, dat hij de moed kon opbrengen om dit te doen. Iemand anders gaf een bedrag van $300. Een man, die zo ver van God was afgedwaald, dat er weinig hoop gekoesterd werd, dat hij zijn voeten ooit nog op het pad der gerechtigheid zou zetten, gaf een schuldbekentenis af voor $1000. Er werd voorgesteld om deze zo lang achtergehouden tienden naar de Centrale Europese zending te laten gaan, en zo is met deze donaties en die van Kerstmis bijna $6000 in de kas van de gemeente gekomen, om voor het zendingswerk besteed te worden.” –Getuigenissen voor de Gemeente 5, blz. 522.
A. Welk bezwaar werd er gemaakt tegen Maria’s vrijgevigheid jegens Jezus?
Johannes 12:3-6.
Hoe prees Christus Maria, en hoe worden wij gewaarschuwd voor het nu maken van soortgelijke bezwaren?
Markus 14:7-9.
“Wij maken voorwaartse bewegingen; maar bij elke stap moeten vooroordelen en valse ideeën worden verwijderd. Dit is het geval geweest met elke reformatorische beweging, die de wereld ooit heeft gezien. Voor sommigen van klein geloof en egoïstische, geldminnende aanleg, heeft elke voortgaande beweging een algemene ramp en een extravagante uitgave van middelen voorspeld. Zij hebben zich net zo gevoeld als die arme man Judas, toen de zalf op het hoofd van Jezus werd gegoten. Waarom deze grote verspilling? zei hij; dit had verkocht moeten worden, en het geld aan de armen gegeven. Keer op keer, wanneer er een een stap vooruit wordt gezet, hebben de egoïstische, voorzichtige mensen gedacht, dat alles zou vergaan; maar wanneer de strijd tegen alle verwachtingen in is gestreden, hebben zij de overwinning behaald als een teken, dat God in de beweging was. Wanneer zo volledig is aangetoond, dat het werk van God was, dat het ongeloof zich heeft moeten overgeven, worden de mensen, die begonnen, wiens vooruitziende blik groter was dan die van anderen, die tegen alle tegenstand in werkten, geprezen als mensen die voor die tijd zijn opgestaan, geleid door de Geest van God. Beseffen die mensen, die de weg versperden, het werk dat ze hebben gedaan? Zien zij in, dat de toevoeging van hun geld, hun kracht, hun geloof en moed het werk sterker en invloedrijker had kunnen maken, en dat hun verzuim om te doen, wat zij konden, zonde is?...
Zouden wij maar zo dicht bij het kruis leven, dat wij konden zien, zoals God ziet, en zouden kunnen werken zoals Hij wil, dat wij werken.” –The Review and Herald, 5 februari 1884.
B. Tot welke werkelijkheden moeten wij nu ontwaken?
Johannes 4:35-36.
“Er mag geen geld worden verstrekt voor het uitvoeren van het werk van het evangelie op een of andere geheimzinnige manier, en door ongeziene, geheime agenten. God zal geen geld uit de vensters van de hemel strooien om Zijn aangewezen werk te doen, om de waarheid in onze wereld te verspreiden en om zielen te redden voor het eeuwige leven. Hij heeft Zijn volk rentmeesters gemaakt van Zijn middelen om tot Zijn eer te worden gebruikt om de mensheid te zegenen.” –The Home Missionary, 1 april 1895.
A. Welke aansporingen komen tot allen, die Christus zoeken om te eren?
Matthéüs 5:13.
“Hoeveel gretiger zal elke getrouwe rentmeester zijn om het aandeel van de gaven, die in de schatkamer van de Heer moeten worden geplaatst, te vergroten, dan om zijn offer met één jota of tittel te verminderen. Wie dient hij? Voor wie bereidt hij een offer voor? Voor Degene, van wie hij afhankelijk is voor elk goed ding, dat hij geniet. Laat dan niet één van ons, die de genade van Christus ontvangt, de engelen aanleiding geven om zich voor ons te schamen en dat Jezus Zich schaamt om ons broeders en zusters te noemen…
Zij, die Zijn genade ontvangen, die het kruis van Golgotha aanschouwen, zullen niet twijfelen aan het deel om te geven, maar zullen het gevoel hebben, dat het grootste offer al te mager is, alles staat niet in verhouding tot de grote gave van de eniggeboren Zoon van de oneindige God. Door zelfverloochening zullen de armsten manieren vinden om iets te verkrijgen om terug te geven aan God.” –Counsels on Stewardship, blz. 200.
B. Hoe moet de tegenwoordige waarheid over de hele aarde worden verspreid?
Prediker 11:1,
Prediker 11:6.
“De woeste plaatsen van de aarde moeten ontwikkeld worden. In nederige afhankelijkheid van God moeten gezinnen uitgaan en zich vestigen op de onbewerkte plaatsen van Zijn wijngaard. Als beloning van hun zelfopoffering om het zaad van de waarheid te zaaien, zullen zij een rijke oogst oogsten.” –The Review and Herald, 26 augustus 1902.
C. Wat is nu de meest dringende oproep, en waarom?
Matthéüs 9:36-38.
“Wie is verantwoordelijk voor het verlies van de zielen, die God niet kennen, en die geen gelegenheid hadden om onze geloofslessen te horen? Welke verplichting rust op de gemeente met betrekking tot een wereld, die ten onder gaat zonder het evangelie? Tenzij er meer besliste zelfverloochening is van de kant van degenen, die zeggen de waarheid te geloven, tenzij er meer besliste trouw is in het brengen van alle tienden en gaven in de schatkist, tenzij er meer uitgebreide plannen worden gemaakt dan tot nu toe zijn uitgevoerd, zullen wij de evangelieopdracht niet vervullen om de hele wereld in te gaan en Christus aan elk schepsel te prediken.” –The Home Missionary, 1 april 1895.
A. Wat zal het heerlijke resultaat zijn van de evangelieopdracht, en hoe kunnen wij gezegend worden door eraan deel te nemen?
Openbaring 18:1.
“De hele hemel kijkt met intense belangstelling naar de gemeente om te zien, wat haar individuele leden doen om degenen, die in duisternis zijn, te verlichten. Het veld is de wereld, en de openingen zijn zo talrijk, het werk is zo vergroot, dat het buiten het deel van de beschikbare middelen ligt om in de noodzakelijke behoeften te voorzien. Al jaren waarschuwt de Heer Zijn volk om zich te binden aan hun wensen, om geen onnodige uitgaven van middelen te doen. Maar ondanks de raad van Hem, die het einde vanaf het begin kent, hoe onnodig is er geld uitgegeven. De gegeven waarschuwingen zijn licht gewaardeerd en de geest van de mensen heeft de raad van God verkeerd uitgelegd, terzijde geschoven of verdraaid, zodat zij hun eigen grootse projecten konden volgen, hoewel door dit te doen, de middelen, waardoor God verheerlijkt en geëerd zou kunnen worden in het uitbreiden van Zijn waarheid, verloren zijn voor de zaak. De Heer heeft de mens genadig geëerd en hem als menselijke agent gebruikt om samen te werken met hemelse wezens, zodat het licht van de waarheid in alle delen van de aarde kan schijnen. De Heer heeft Zijn agenten, die een rol zullen spelen in de machtigste strijd, die de wereld ooit heeft gezien. Als de werkers nederig blijven en dagelijks leren in de school van Christus, zachtmoedigheid en nederigheid van hart, zal de Heer Jezus met hen werken. Hij, die een medewerker van Christus is, zal zich realiseren dat hijzelf, door anderen hemelse voordelen te verlenen, er baat bij zal hebben. Hij zal weten, dat ‘die bevochtigt , zal ook zelf een vroege regen worden’ (Spreuken 11:25).” –The Review and Herald, 27 februari 1894.
1. In welke zin is literatuur beperkt in haar zielenreddend vermogen?
2. Wat toont het belang van stiptheid in het geven van het tiende?
3. Hoe kunnen wij het gevaar lopen de zonde van Judas te herhalen?
4. Wat moeten wij bedenken, als wij beslissen hoeveel wij aan Christus geven?
5. Hoe zal de wereld verlicht worden, met ons of zonder ons?